RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres] ,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.26856 (beroep)
NL25.16309 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
geboren op [geboortedag] 1976, van Ghanese nationaliteit,
eiseres en verzoekster, hierna: eiseres
(gemachtigde: mr. G.W. Mettendaf),
en
(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op tijdelijke humanitaire gronden. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep en het verzoek.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bezwaar kennelijk ongegrond mocht verklaren. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 12 maart 2025 heeft de minister de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning regulier, in verband met eergerelateerd geweld, afgewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 21 mei 2025 heeft de minister het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt niet te worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank heeft de zaken op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het griffierecht
3. Eiseres heeft verzocht om te worden vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Per brief van 25 juni 2025 heeft de rechtbank eiseres voorlopig vrijgesteld van het betalen van griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek definitief toe.
Het bestreden besluit
4. Met het bestreden besluit van 21 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden van de vergunning. Eiseres heeft niet duidelijk gemaakt waar de gestelde dreiging met eergerelateerd geweld uit bestaat en ook niet van wie die dreiging uitgaat. Eiseres wordt daarom ook niet vrijgesteld van het mvv-vereiste. Verder ziet de minister geen reden om eiseres ambtshalve een vergunning te verlenen wegens bijzondere omstandigheden. De minister heeft eiseres niet gehoord in bezwaar, omdat er geen twijfel bestond dat haar bezwaar kennelijk ongegrond is.
De beroepsgronden
Hoorplicht
5. Eiseres voert aan dat de minister haar ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar. Als de minister eiseres had gehoord, dan had de minister kunnen constateren wat er precies aan de hand is.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden door eiseres niet te horen in bezwaar. De minister heeft eiseres per brief van 21 november 2024 verzocht om haar aanvraag in persoon in te dienen en de benodigde stukken mee te nemen. Op 27 december 2024 heeft de minister eiseres hier nogmaals per brief aan herinnerd. Desondanks heeft eiseres nagelaten een afspraak te maken bij een IND-loket. De minister heeft eiseres vervolgens op 18 februari 2025 per brief verzocht om documenten over te leggen ter onderbouwing van haar aanvraag. Eiseres heeft hier niet op gereageerd. In bezwaar heeft eiseres geen stukken overgelegd en geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de aanvraag alsnog onderbouwen. Ook in beroep heeft eiseres geen stukken overgelegd. Eiseres is ook niet op de zitting verschenen om haar beroep toe te lichten. De rechtbank komt gelet hierop tot de conclusie dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat de aangevoerde bezwaren niet tot een ander standpunt zouden kunnen leiden. De minister heeft daarom mogen afzien van horen in bezwaar en het bezwaar is op goede gronden kennelijk ongegrond verklaard. De beroepsgrond slaagt niet.
Overige beroepsgronden
De beroepsgronden die zien op het evenredigheidsbeginsel en op ambtshalve vergunningverlening door de minister in schrijnende situaties, zijn, naast de stelling van eiseres dat ze gevaar loopt in Ghana vanwege haar echtgenoot, op geen enkele wijze onderbouwd en kunnen daarom niet slagen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van haar aanvraag in stand blijft.
7. Omdat op het beroep is beslist, is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.26856:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.16309:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Vrije, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.