RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40240
geboren op [datum] ,
van Iraanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en
(gemachtigde: mr. J.W. Immink).
Procesverloop
1. Eiser heeft op 6 mei 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep op verzoek van eiser aangehouden, omdat het iMMO heeft toegezegd om medisch onderzoek te doen teneinde vast te stellen of de littekens, lichamelijke en psychische klachten van eiser passen bij de door hem gestelde martelingen en/of andere inhumane behandeling in Iran. Ook zal iMMO onderzoeken of ten tijde van de asielgehoren sprake was van medische problematiek of andere bijzonderheden die een rol kunnen hebben gespeeld bij het verklaren door eiser.
Eiser heeft op 24 augustus 2026 de door het iMMO opgestelde rapportage van 18 augustus 2026 aan het dossier toegevoegd.
De rechtbank heeft de minister op 2 september 2026 in de gelegenheid gesteld om op het iMMO-rapport van 18 augustus 2026 te reageren.
Met het besluit van 14 september 2026 heeft de minister het bestreden besluit van 29 juli 2025 ingetrokken vanwege een veranderde omstandigheid, te weten het van toepassing zijnde besluit- en vertrekmoratorium voor Iran. Ook heeft de minister het standpunt ingenomen dat hij geen aanleiding ziet om de proceskosten in beroep te vergoeden.
Eiser heeft de rechtbank op 14 september 2026 verzocht om het huidige beroep aan te merken als een beroep tegen het niet tijdig beslissen. Daarbij is verzocht de minister op te dragen binnen twee weken een nieuw besluit te nemen en de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten en de vergoeding van de kosten van het iMMO-rapport. Dit verzoek is op 2 oktober 2026 aangevuld in die zin dat tevens wordt verzocht de minister een dwangsom op te leggen voor elke dat dat de minister te laat is met het nemen van een besluit op de aanvraag.
Bij brief van 15 oktober 2026 heeft de minister op dit verzoek gereageerd. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens op deze brief van de minister gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 26 oktober 2026. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank uitspraak gedaan zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het beroep tegen het bestreden besluit
2. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser het beroep tegen het besluit van 29 juli 2025 niet uitdrukkelijk heeft ingetrokken. Eiser heeft in dit kader aangegeven dat hij vindt dat de minister hem op basis van het iMMO-rapport als vluchteling moet aanmerken en dus op zijn aanvraag kan beslissen. Eiseres is van mening dat de minister de asielaanvraag dient in te willigen, althans binnen twee weken een besluit op zijn asielaanvraag dient te nemen, te meer omdat de maximale beslistermijn van 21 maanden is overschreden.
De rechtbank overweegt als volgt. Niet is gebleken dat eiser belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, nu dat besluit is ingetrokken. Er is daarom geen procesbelang meer bij de beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom niet-ontvankelijk. De gronden die eiser heeft aangevoerd tegen de intrekking van het besluit zullen dan ook niet worden besproken, omdat de minister opnieuw dient te beslissen op de asielaanvraag van eiser.
De proceskosten en kosten iMMO-onderzoek
3. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak - met toepassing van artikel 8:75 van de Awb - in de proceskosten veroordelen.
Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is van ‘tegemoetkomen’ in de zin van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een in het bestreden besluit ingenomen standpunt, dat binnen de grenzen van het geding valt, heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit vanwege nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan wel vanwege pas in beroep verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende, informatie houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een proceskostenveroordeling.
Bij brief van 14 september 2026 heeft de minister medegedeeld dat hij het besluit van 29 juli 2025 intrekt, vanwege een veranderde omstandigheid, te weten het van toepassing zijnde besluit- en vertrekmoratorium voor Iran. De rechtbank is van oordeel dat van tegemoetkomen in dit geval geen sprake is. De minister heeft voldoende deugdelijk gemotiveerd dat het bestreden besluit is ingetrokken vanwege een veranderde omstandigheid, namelijk de ontwikkelingen en huidige omstandigheden in Iran.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, bestaat er dus geen aanleiding om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eiser in verband met het beroep tegen het bestreden besluit van 29 juli 2025. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling daarom af. De rechtbank wijst eveneens het verzoek af om de minister te veroordelen in de vergoeding van de kosten van de iMMO-rapportage. Indien eiser een vergoeding van de kosten van de iMMO-rapportage wenst, kan eiser dit naar voren brengen in het kader van het nieuw te nemen besluit op eisers asielaanvraag.
Over het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag
4. De intrekking van het bestreden besluit van 29 juli 2025 betekent dat de minister opnieuw dient te beslissen op de asielvaanvraag van eiser van 6 mei 2022. Omdat de minister niet direct een nieuw besluit heeft genomen, terwijl de beslistermijn inmiddels is verstreken, is een ingebrekestelling niet nodig.
Het beroep is ontvankelijk en gegrond. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een korte beslistermijn passend is. In dit geval heeft een nader gehoor plaatsgevonden. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van twee weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Dwangsom
5. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 50,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag is gegrond. Dat betekent dat eiser deels gelijk krijgt en de minister twee weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
7. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten -voor zover die zien op het beroep niet tijdig beslissen- vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-. Voor een veroordeling van andere kosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.