RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.30378
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
(gemachtigde: mr. E.N. Spijkerman),
en
de Staat der Nederlanden (namens deze: de minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat).
1. Deze uitspraak gaat over de buiten behandeling stelling van de aanvraag van eiser van 7 juli 2023 tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen dan wel een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Eiser is het niet eens met de afdoening van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de buiten behandeling stelling van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser terecht buiten behandeling heeft gesteld. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft op 7 juli 2023 een aanvraag ingediend om een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen dan wel een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op de grond dat hij vijf jaar of langer ononderbroken en direct voorafgaand aan de aanvraag met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in Nederland woont. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 maart 2024 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 4 juli 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de buiten behandeling stelling van de aanvraag gebleven.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
6. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser de leges voor zijn aanvraag niet heeft betaald en niet is gebleken dat eiser moet worden vrijgesteld van het betalen van de leges.
De beroepsgronden
7. Eiser voert aan dat hij had moeten worden vrijgesteld van het betalen van de leges. Hij wijst erop dat er in het verleden een vrijstellingsgrond bestond voor gedetineerden en dat niet is toegelicht waarom dit destijds (2013) is gewijzigd. Gedetineerden (zoals eiser) kunnen geen geld verdienen waarmee zij de leges kunnen betalen en zijn ook niet uitkeringsgerechtigd. Eiser wordt bijvoorbeeld ook vrijgesteld van het betalen van griffierecht bij de rechtbank en zijn eigen bijdrage voor de toevoeging is nihil. Artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) staat aan legesheffing in de weg. Eiser meent verder dat verweerder op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een evenredigheidstoets had moeten doen. Voorts betoogt hij dat hij had moeten worden gehoord in bezwaar. Op 7 oktober 2026 heeft eiser verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Juridisch kader
8. Op grond van artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is de vreemdeling leges verschuldigd ter zake van de afdoening van een aanvraag en wordt de aanvraag, als betaling achterwege blijft, niet in behandeling genomen.
9. In het ten tijde van de aanvraag geldende artikel 3.34g, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 staat dat ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Vw of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, de vreemdeling een bedrag van € 210,- is verschuldigd.
De beoordeling
10. Niet in geschil is dat ten tijde van het bestreden besluit er in de wet- en regelgeving geen vrijstellingsgrond was opgenomen met betrekking tot het betalen van leges bij een aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Eiser moest in beginsel dus leges betalen. Dat er eerder wel een vrijstelling gold voor gedetineerden, maakt dat niet anders.
11. Uit rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4917, volgt wel dat verweerder in beginsel gehouden is te beoordelen of in het individuele geval de heffing van leges in strijd is met artikel 8 van het EVRM, ook wanneer de vreemdeling een beroep doet op dat artikel terwijl hij geen aanvraag heeft ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met het verblijfsdoel 'verblijf als familie- of gezinslid'. Met name de inhoudelijke beoordeling of de heffing van leges een vreemdeling hindert in de uitoefening van het familie-, gezins- of privéleven is daarbij van belang.
12. Eiser heeft niet geconcretiseerd of met stukken onderbouwd dat de heffing van leges hem hindert in de uitoefening van zijn familie- of gezinsleven of zijn privéleven. De stelling dat door de buiten behandeling stelling een verblijfsgat is ontstaan, is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij buiten machte was om de leges te betalen. Daarbij betrekt de rechtbank dat verweerder heeft toegelicht (en eiser niet heeft bestreden) dat eiser in een telefoongesprek op 28 september 2023 heeft aangegeven dat hij zelf de leges zou betalen en dat hij in het telefoongesprek op 27 november 2023 heeft medegedeeld dat zijn broer de leges zou hebben betaald. Eerst in bezwaar heeft eiser naar voren gebracht dat hij vanwege zijn detentie de leges niet kan betalen. Deze enkele niet onderbouwde stelling heeft verweerder in het licht van het voorgaande niet hoeven volgen. Dit geldt temeer nu voor een volgende verblijfsaanvraag van eiser (van 12 april 2024) de leges wel zijn betaald. Gelet op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat heffen van leges in zijn geval in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
13. Voor zover eiser stelt dat hij niet wist dat hij leges moest betalen omdat hij tijdens zijn detentie een aantal keer is overgeplaatst waardoor hij brieven van verweerder over de legesbetaling mogelijk heeft gemist, volgt de rechtbank dit niet. Verweerder heeft eiser meerdere brieven (in ieder geval op 12 juli 2023, 9 augustus 2023, 23 oktober 2023 en 23 januari 2024) gestuurd met het verzoek om de leges te betalen. Eiser heeft hierover op 28 september 2023 en 27 november 2023 ook met verweerder gebeld. Hieruit blijkt dat eiser wist dat hij leges moest betalen.
14. Eiser heeft de leges niet betaald.
15. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder een op zijn situatie toegesneden evenredigheidsbeoordeling had moeten verrichten. Volgens rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 28 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH2036), wijkt artikel 24, tweede lid, van de Vw in zoverre af van artikel 4:5 van de Awb dat verweerder niet slechts de bevoegdheid toekomt de aanvraag niet te behandelen als betaling van de voor afdoening van de aanvraag verschuldigde leges achterwege blijft, maar dat hij daartoe ook is gehouden. Gelet op het dwingende karakter van artikel 24, tweede lid, van de Vw was voor een individuele belangenafweging dus geen plaats. Dat verweerder na de betaling van de leges voor de tweede aanvraag, op grond daarvan de eerste aanvraag in behandeling had moeten nemen, zoals eiser in dit kader heeft gesteld, volgt de rechtbank (reeds) daarom niet.
16. De beroepsgrond dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar volgt de rechtbank evenmin. Verweerder heeft kunnen menen dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat wat in bezwaar was aangevoerd niet tot een ander standpunt zou leiden. Het was duidelijk dat eiser de leges niet had betaald en eiser had niet onderbouwd dat de heffing van leges hem hindert in de uitoefening van zijn familie- of gezinsleven of zijn privéleven.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling in verband met dit beroep bestaat geen aanleiding.
Verzoek om schadevergoeding
18. Eiser heeft op 7 oktober 2026 een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
19. In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
20. In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 10 april 2024, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift tegen het primaire besluit heeft ontvangen. Dit betekent dat op het moment van het doen van deze uitspraak de tweejaarstermijn met, afgerond naar boven, zeven maanden is overschreden. Van factoren die aanleiding geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten is de rechtbank niet gebleken. Eiser heeft daarom recht op € 1.000,- aan schadevergoeding.
21. De behandeling van het bezwaar heeft minder dan zes maanden in beslag genomen. Verweerder heeft de redelijke termijn voor het behandelen van het bezwaar dus niet overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn komt geheel voor rekening van de rechtbank. Dit betekent dat de Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan eiser van € 1.000,-.
22. Eiser heeft gezien het voorgaande recht op een vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt in verband met het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan de rechtbank, moet de Staat de proceskosten betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). Voor het verzoek om schadevergoeding is niet afzonderlijk griffierecht geheven, zodat een vergoeding daarvan niet aan de orde is.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.