RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1], eiser 1, V-nummer: [V-nummer 1]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.53697, NL26.53699, NL26.53701 en NL26.53703
[eiseres 1] , eiseres 1, V-nummer: [V-nummer 2]
[eiser 2] , eiser 2, V-nummer: [V-nummer 3]
[eiseres 2] , eiseres 2, V-nummer: [V-nummer 4]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen),
en
Procesverloop
In vier afzonderlijke besluiten van 10 september 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Partijen hebben hiermee (telefonisch en schriftelijk) ingestemd.De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Overwegingen
1. Eisers stellen te zijn geboren op respectievelijk [datum 1] 1979, [datum 2] 1987, [datum 3] 2007 en [datum 4] 2006 en de Iraakse nationaliteit te bezitten. Eiser 1 en eiseres 1 zijn met elkaar gehuwd. Eiser 2 en eiseres 2 zijn hun kinderen. Eisers hebben op 21 juli 2026 een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft de aanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat eisers internationale bescherming hebben in Griekenland. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers terug dienen te keren naar Griekenland op basis van artikel 38, eerste lid, onder c, van de Procedureverordening. Deze terugkeer is redelijk vanwege de band die eisers hebben met Griekenland. Tevens blijkt niet uit de landeninformatie dat de terugkeer van eisers zal leiden tot een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. Daarnaast hebben eisers zeven jaar in Griekenland gewoond. In die tijd hebben zij (met hulp van verschillende organisaties) in hun levensonderhoud weten te voorzien, onderdak gehad, medische zorg gehad, en toegang gehad tot de arbeidsmarkt. Daarnaast hebben eisers een sociaal netwerk opgebouwd. Dit maakt volgens verweerder dat eisers zelfredzaam zijn.
3. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het terugkeren naar Griekenland niet in strijd is met het verbod op foltering. Eisers verwijzen naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Haarlem en Zwolle, waarin is geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers niet in een situatie terecht zullen komen in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarnaast kan er ten aanzien van Griekenland niet zonder meer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eisers beroepen zich in dit kader op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2021 (de Afdeling).
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat eisers internationale bescherming hebben in Griekenland. De verblijfsvergunningen zijn geldig tot 29 augustus 2027.
5. Verweerder kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren op basis van artikel 30a, eerste lid, van de Vw als een vreemdeling internationale bescherming heeft in een andere lidstaat van de Europese Unie. Terugkeer naar die lidstaat mag geen situatie opleveren die in strijd is met het verbod op foltering. De drempel hiervoor is toegelicht in het arrest Ibrahim. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) is van oordeel dat een zeer hoge drempel van zwaarwegendheid geldt om een schending van artikel 4 Handvest aan te nemen. Deze drempel wordt bereikt als een bijzonder kwetsbaar persoon, die volledig afhankelijk is van staatssteun, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Daarom is de vraag of verweerder voldoende heeft gemotiveerd of eisers na terugkeer naar Griekenland in een situatie terecht zouden komen die deze drempel van zwaarwegendheid haalt.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat bij terugkeer naar Griekenland geen sprake is van volledige afhankelijkheid van staatsteun waardoor eisers terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie in strijd met artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM. De volgende overwegingen liggen hieraan ten grondslag.
7. Verweerder heeft terecht overwogen dat eisers toegang hebben gehad tot de arbeidsmarkt, huisvesting hebben gehad gedurende zeven jaar, toegang hebben gehad tot medische zorgverlening, een sociaal netwerk hebben opgebouwd en, al dan niet met behulp van verschillende organisaties, in hun levensonderhoud hebben kunnen voorzien. Dit wijst op een voldoende mate van zelfstandigheid, zodat eisers niet volledig afhankelijk zijn van staatssteun.
8. De zelfstandigheid van eisers neemt niet weg dat uit de overgelegde stukken blijkt dat het vinden van huisvesting en arbeid voor statushouders in Griekenland erg lastig kan zijn. Eisers hebben moeite gehad met het vinden van huisvesting kort nadat zij de Griekse asielstatus hebben verkregen. Daarnaast was het erg lastig om werk te vinden, en betaalde dit werk naar de mening van eisers (te) slecht. Deze omstandigheden zijn echter niet voldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van een schending van artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM. In dit kader verwijst de rechtbank naar het arrest D.O en L.A. van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het EHRM is van oordeel dat het verbod op foltering, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM, niet gelezen moet worden als een verplichting aan de lidstaten om statushouders te voorzien van huisvesting, dan wel financiële middelen om een bepaalde levensstandaard te faciliteren. Daarnaast merkt het EHRM op dat de bewijslast om aan te tonen dat het verbod op foltering wordt geschonden bij eisers ligt.
9. In deze zaak hebben eisers, los van de algemene situatie betreffende statushouders in Griekenland, geen gronden aangevoerd waarom hun specifieke situatie de zeer hoge drempel van zwaarwegendheid haalt, of waaruit blijkt dat zij bijzonder kwetsbaar zijn. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de uitspraken waarop eisers een beroep hebben gedaan niet.
Conclusie en gevolgen
10. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 oktober 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.