ECLI:NL:RBDHA:2026:31779

ECLI:NL:RBDHA:2026:31779

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-10-2026
Datum publicatie 29-10-2026
Zaaknummer NL26.40861 en NL26.40862
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

AMbV Frankrijk. De minister mag nog steeds van het IVB uitgaan. Beroep op arrest CK slaagt niet, geen reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand. Beroep op arrest Tarakhel slaagt wel. Eiseres moet worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar vanwege psychische toestand. In Frankrijk pas na drie maanden toegang tot niet-acute medische zorg. Gelet hieropis de rechtbank van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Frankrijk zonder garanties geen toereikende zorgvoorzieningen zal kunnen krijgen. Beroep gegrond, vovo afgewezen, pkv.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.40861 (beroep)

NL26.40862 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] , geboren op [geboortedag] 1982, van Nigeriaanse nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna: eiseres

(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),

en

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hieronder legt de rechtbank/voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiseres heeft op 9 februari 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 14 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft gelijktijdig de

voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat zij de behandeling van haar beroep in Nederland mag afwachten.

De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 29 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, D. Ochieng als tolk in de taal Engels en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit

De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen

van asielaanvragen. Deze staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV). Op

grond van de AMbV neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is

vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft op 22 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend in Duitsland.

De minister heeft daarom op 9 maart 2026 een terugnameverzoek ingediend bij de autoriteiten van Duitsland. De autoriteiten van Duitsland hebben dit verzoek op 11 maart 2026 afgewezen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiseres. De minister heeft daarop een terugnameverzoek ingediend bij de autoriteiten van Frankrijk op 26 maart 2026. De autoriteiten van Frankrijk zijn op 22 mei 2026 akkoord gegaan met dit verzoek. De verantwoordelijkheid van Frankrijk voor de asielaanvraag van eiseres is daarmee vast komen te staan.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiseres voert aan dat de minister ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan gaan. Uit het AIDA-rapport van mei 2026 (hierna: het AIDA-rapport) volgt dat eind 2025 nog maar 20,2% van de mensen in de Dublinprocedure opvang kreeg, tegenover 29,6% eind 2023. Asielzoekers hebben daarnaast de eerste drie maanden alleen gratis toegang tot zorg in gevallen van nood. Ook na drie maanden blijft toegang tot (psychische) zorg beperkt: veel Franse psychologen en psychiaters weigeren niet-Franstaligen te behandelen vanwege de taalbarrière. Daarnaast is er in Frankrijk onvoldoende hulp en gespecialiseerde opvang voor lhbti-personen zoals eiseres.

De rechtbank overweegt als volgt. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel houdt in dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten vreemdelingen in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 augustus 2026 geoordeeld dat de minister ten aanzien van Frankijk nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling heeft het meest recente AIDA-rapport betrokken bij dit oordeel en geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst dan volgt uit de landeninformatie die al bij de eerdere uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025 over dit onderwerp is betrokken. Deze rechtbank en zittingsplaats is in haar uitspraak van 17 september 2026 ook tot dit oordeel gekomen. In die uitspraak is de rechtbank ook ingegaan op de percentages die eiseres noemt en tot het oordeel gekomen dat deze niet zien op zogenoemde ‘Dublinterugkeerders’ zoals eiseres. De rechtbank neemt de rechtsoverwegingen van de uitspraak van 17 september 2026 ten aanzien van de percentages over en maakt deze de hare. De beroepsgrond slaagt niet.

Het arrest CK

Eiseres voert aan dat haar medische omstandigheden een overdracht aan Frankrijk in de weg staan. Eiseres heeft in Nigeria en in Frankrijk traumatische ervaringen meegemaakt. Het idee weer terug te moeten naar Frankrijk geeft eiseres veel stress nu zij daar vergelijkbare dingen heeft meegemaakt als in Nigeria. Daarnaast staat eiseres op dit moment in Nederland onder behandeling voor haar traumatische ervaringen. Eiseres vreest dat zij deze hulp in Frankrijk niet zal krijgen. Uit het AIDA-rapport volgt namelijk dat asielzoekers in Frankrijk de eerste drie maanden alleen toegang hebben tot gratis gezondheidszorg in noodgevallen. Daarnaast volgt uit het AIDA-rapport dat asielzoekers na die drie maanden in theorie psychiatrische en psychologische hulp kunnen krijgen, maar dat veel zorgverleners weigeren om niet-Franssprekende cliënten te behandelen vanwege de taalbarrière. Eiseres vreest daarom dat overdracht aan Frankrijk een ernstige en onomkeerbare verslechtering van haar geestelijke gesteldheid teweeg zal brengen, zoals bedoeld in het arrest CK.

In het arrest CK heeft het Hof geoordeeld dat de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest vormt, als die overdracht een reëel en bewezen risico inhoudt op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van de betrokkene. De autoriteiten van de lidstaat die moet overdragen, moeten iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene wegnemen door de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen, opdat de overdracht kan plaatsvinden in omstandigheden waarin de gezondheidstoestand van die persoon passend en voldoende kan worden beschermd. In de situatie waarin die voorzorgsmaatregelen niet zouden volstaan om te verzekeren dat de overdracht geen reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand zal inhouden, moeten de autoriteiten van de betrokken lidstaat de uitvoering van de overdracht van de betrokkene opschorten zolang deze door zijn toestand niet in staat is een dergelijke overdracht te ondergaan.

De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft een kopie van haar medisch dossier van de huisarts overgelegd. Hieruit volgt dat eiseres traumagerelateerde klachten heeft vanwege seksueel misbruik en fysieke mishandeling vanwege haar lesbische geaardheid. Eiseres heeft hiervoor contact met de POH-GGZ en krijgt ook medicatie voor nachtmerries en slaapproblemen. Begin augustus is eiseres aangemeld bij de crisisdienst in verband met oplopende suïcidaliteit. Hierover staat het volgende in het medisch dossier:

“Patiënte wordt aangemeld bij de crisisdienst i.v.m. een suïcidaliteitsbeoordeling bij oplopende suïcidaliteit nadat zij gister te horen heeft gekregen dat ze is uitgeprocedeerd en terug moet naar land van herkomst. (…). Het bericht van afwijzing heeft geleid tot emotionele overspoeling met veel verdriet en paniek. Ze heeft vervolgens niet geslapen en vanochtend uit wanhoop een mes erbij gepakt met het idee om uit het leven te willen stappen. Vervolgens heeft ze hier niet naar gehandeld, omdat ze toch hoop heeft op een betere toekomst. Bij het PO zien we een geëmotioneerde klachtenpresentatie met redelijk ziekte-inzicht bij langer bestaande traumagerelateerde klachten. Er worden geen aanwijzingen gezien voor een psychose. Ten tijde van beoordeling zijn de suïcidale ideaties reeds gezakt. Het suïciderisico wordt nu niet acuut verhoogd ingeschat. Concluderend is er sprake van een tijdelijke toename van suïcidale ideaties bij bericht van afwijzing asielzoekersprocedure tegen een achtergrond van PTSS.”

Het is niet in geschil dat eiseres kampt met een ernstige mentale aandoening. De vraag die voorligt, is of overdracht van eiseres aan Frankrijk een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Uit het medisch dossier volgt weliswaar dat de spanning bij eiseres, nadat zij te horen kreeg dat zij niet in Nederland kon blijven, dusdanig is opgelopen dat zij suïcide-ideaties had, maar dat deze spanning daarna ook weer is gezakt. Het suïciderisico is door de crisisdienst niet als acuut verhoogd inschat. Uit de verslaglegging van eerdere afspraken met de POH-GGZ volgt dat eiseres, hoewel ze vaak aan de dood denkt, ook op die momenten geen concrete suïcideplannen had. Het suïciderisico was op die momenten dus niet acuut hoog en is nadien ook niet als verhoogd ingeschat. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat er geen reëel en bewezen risico is op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiseres.

De beroepsgrond slaagt niet.

Het arrest Tarakhel

Op de zitting heeft eiseres een beroep gedaan op het arrest Tarakhel. Volgens eiseres moet zij als bijzonder kwetsbaar worden aangemerkt in de zin van het arrest Tarakhel en had de minister om aanvullende garanties aan Frankrijk moeten vragen. Eiseres verwijst in dit kader ook naar de uitspraak van 31 juli 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats.

In het Tarakhel-arrest heeft het EHRM overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen en daardoor blootgesteld zal worden aan een behandeling die in strijd komt met artikel 3 van het EVRM. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 volgt dat het Tarakhel-arrest ook van toepassing kan zijn op andere bijzondere kwetsbare personen indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdelingen ook van belang kunnen zijn.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel uit het medisch dossier van eiseres niet kan worden opgemaakt dat er een reëel en bewezen risico is dat overdracht aan Frankrijk tot aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand leidt, kan hieruit wel worden opgemaakt dat zij kampt met PTSS, hiervoor medicatie krijgt en ondersteunende gesprekken bij de POH-GGZ voert. Uit de meest recente journaalregel volgt dat er wordt ingezet op meer frequente gesprekken met de POH-GGZ, omdat eiseres veel steun haalt uit deze gesprekken. Enkel met het oog op het naderend vertrek van eiseres uit Nederland wordt er geen langere-termijn-vervolg geadviseerd. Op de zitting heeft de rechtbank daarnaast waargenomen dat eiseres emotioneel en mentaal kwetsbaar oogt. Toen zij het woord kreeg, raakte zij zo geëmotioneerd dat zij niet meer uit haar woorden kwam en geruime tijd nodig had om de draad weer op te pakken. Gelet hierop, en gelet op de omstandigheid dat asielzoekers volgens het AIDA-rapport pas na drie maanden toegang hebben tot (niet-acute) psychische gezondheidszorg, is de rechtbank van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Frankrijk zonder garanties geen toereikende zorgvoorzieningen zal kunnen krijgen. Dat een deel van de medische informatie pas in beroep is overgelegd en dat de minister hier ten tijde van het bestreden besluit dus geen rekening mee kon houden, doet hier niet aan af. De toets aan het arrest Tarakhel is namelijk een toets aan het absolute recht onder artikel 3 van het EVRM, zodat de rechtbank ook actuele informatie moet betrekken die nog niet bekend was ten tijde van het bestreden besluit.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres moet worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar. Dit betekent dat de minister niet zonder aanvullende garanties een overdrachtsbesluit had mogen nemen. Nu de minister dit wel heeft gedaan met het bestreden besluit, bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De minister moet aanvullende garanties vragen aan en krijgen van de autoriteiten van Frankrijk, voordat hij eiseres aan Frankrijk kan overdragen. Bij het vragen van deze garanties zal de minister rekening moeten houden met de (medische) informatie die eiseres tot dusver heeft overgelegd, als ook eventuele nieuwe en aanvullende (medische) informatie.

De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag van eiseres te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat de minister garanties moet vragen aan en krijgen van Frankrijk.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.

Omdat het beroep gegrond is en het verzoek om een voorlopige voorziening wel terecht was ingediend, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank/voorzieningenrechter stelt deze proceskostenvergoeding vast aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL26.40861:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 14 juli 2026;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.40862:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank, in beide zaken:

- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand