ECLI:NL:RBDHA:2026:31780

ECLI:NL:RBDHA:2026:31780

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-10-2026
Datum publicatie 29-10-2026
Zaaknummer NL25.33419
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Afwijzing aanvraag voor een mvv omdat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. Beroep gegrond. De minister heeft de mvv niet mogen weigeren op grond van het inburgeringsvereiste, aangezien de wijze waarop dit vereiste op dit moment is ingekleed niet in overeenstemming is met onder andere de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.33419

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), omdat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiseres heeft op 15 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een mvv voor het doel ‘Verblijf bij familie- of gezinslid’ bij [referent] (referent). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond

3. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1978 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij heeft een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf bij referent. Referent is de echtgenoot van eiseres een heeft de Nederlandse nationaliteit.

Het bestreden besluit

4. De minister heeft de aanvraag van eiseres met het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, afgewezen, omdat eiseres niet heeft voldaan aan het inburgeringsvereiste en omdat eiseres niet in aanmerking komt voor een ontheffing daarvan op grond van bijzondere individuele omstandigheden. Niet is gebleken dat eiseres zich gedurende een redelijke termijn en op een passende manier heeft voorbereid op verschillende onderdelen van het examen. De minister ziet ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgeweken van de beleidsregels. Het onderscheid dat tussen landen is gemaakt voor de inburgeringsplicht, is niet discriminerend en het onderscheid is dan ook gerechtvaardigd. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM valt in eiseres haar nadeel uit.

Is het inburgeringsvereiste in strijd met het discriminatieverbod?

Eiseres voert aan dat het inburgeringsvereiste in strijd is met het discriminatieverbod zoals dat is neergelegd in artikel 14 van het EVRM.

De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de afwijzing van een aanvraag voor een mvv, enkel op grond van het inburgeringsvereiste, heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 16 april 2024 overwogen dat een dergelijk besluit discriminatoir is. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat niet gebleken is van ‘very weighty reasons’ die het onderscheid op grond van nationaliteit kunnen dragen. De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dit hoger beroep heeft ertoe geleid dat de Afdeling op 11 juni 2025 een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). De advocaat-generaal heeft op

3 september 2026 een conclusie uitgebracht. Het Hof moet zich nog uitspreken over deze vraag.

De rechtbank zal in deze zaak in lijn met de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak van 16 april 2024 oordelen en neemt de rechtsoverwegingen van die uitspraak over. Dit brengt mee dat de minister de door eiseres aangevraagde mvv niet heeft mogen weigeren op grond van het inburgeringsvereiste, aangezien de wijze waarop dit vereiste op dit moment is ingekleed volgens de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak niet in overeenstemming is met onder andere de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM. De beroepsgrond slaagt dan ook.

Nu het beroep reeds hierom slaagt, zal de rechtbank de overige gronden niet meer bespreken.

Conclusie en gevolgen

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C.M. Schilder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.H. Waller

Griffier

  • mr. J.C.M. Schilder

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand