ECLI:NL:RBDHA:2026:31812

ECLI:NL:RBDHA:2026:31812

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-10-2026
Datum publicatie 29-10-2026
Zaaknummer NL26.27094, NL26.28345, NL26.49147 en NL26.49163
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

: De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzende beslissingen op de asielaanvragen niet in stand kunnen blijven. De minister, die de rechtbank verweerder noemt, heeft de vereenzelviging van eiseressen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen niet goed beoordeeld. Ook heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld of eiseres 1 afvalligheid toegedicht zal worden bij terugkeer naar Irak. Dat betekent dat de beroepen gegrond zijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiseres 1] , eiseres 1,

[eiseres 2] , eiseres 2,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.27094, NL26.28345, NL26.49147 en NL26.49163

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

V-nummer: [# 1] ,

V-nummer: [# 2] ,

hierna te noemen: eiseressen

(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse)

en

(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).

1. De rechtbank heeft deze zaken op zitting behandeld en doet nu uitspraak. De rechtbank geeft hieronder een samenvatting van de uitspraak.

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eiseressen. Eiseressen zijn het hier niet mee eens en hebben daarvoor argumenten gegeven. Deze argumenten noemt de rechtbank de beroepsgronden. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzende beslissingen op de asielaanvragen niet in stand kunnen blijven. De minister, die de rechtbank verweerder noemt, heeft de vereenzelviging van eiseressen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen niet goed beoordeeld. Ook heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld of eiseres 1 afvalligheid toegedicht zal worden bij terugkeer naar Irak. Dat betekent dat de beroepen gegrond zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiseressen hebben op 28 oktober 2024 ieder afzonderlijk een opvolgende asielaanvraag ingediend.

Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft deze beroepen gegrond verklaard op 12 november 2025.

Eiseressen hebben nogmaals beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 21 augustus 2026 alsnog besloten op de aanvragen. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, ook betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoetkomt. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond. Van tegemoetkoming is daarom geen sprake. De beroepen hebben dus ook betrekking op de alsnog genomen besluiten.

De rechtbank heeft de beroepen op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseressen, de gemachtigde van eiseressen en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat er aan de zaken voorafging

3. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum 1] en heeft de Iraakse nationaliteit. Eiseres 2 is geboren op [geboortedatum 2] en heeft ook de Iraakse nationaliteit. Zij zijn zussen van elkaar en zijn afkomstig uit de Koerdische Autonome Regio (de KAR). Eiseressen hebben eerder asiel aangevraagd op 13 januari 2016. Aan die aanvraag hebben zij – samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd dat zij vreesden uitgehuwelijkt te worden aan hun neven. Eind 2014 hebben zij problemen gekregen met hun oom, omdat hij het huwelijk tussen eiseres 2 en zijn zoon [naam] wilde laten voltrekken. De oom van eiseressen kwam vaak langs om eiseres 2 in de gaten te houden en haar onder druk te zetten. Ook heeft hij eiseressen en hun moeder bedreigd en mishandeld. Uiteindelijk is besloten dat eiseres 2 in maart 2016 met [naam] zou trouwen. Daarop hebben de ouders van eiseressen besloten met het gezin Irak verlaten. Eiseres 2 heeft aan haar eerste asielaanvraag tevens ten grondslag gelegd dat zij zich van de islam heeft afgekeerd en biseksueel is. Verweerder heeft deze asielmotieven van eiseres 2 ongeloofwaardig geacht. Omdat de asielmotieven van eiseres 1 een afgeleide waren van de asielmotieven van eiseres 2, heeft verweerder die asielmotieven ook ongeloofwaardig geacht. Deze rechtbank heeft het beroep van eiseres 2 tegen de afwijzing van deze asielaanvraag ongegrond verklaard op 15 maart 2021. Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle heeft het beroep van eiseres 1 op 21 juni 2021 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft deze uitspraken van de rechtbank op 9 augustus 2023 bevestigd.

Aan de huidige aanvragen leggen eiseressen ten grondslag dat zij zich tijdens hun verblijf in Nederland zijn gaan vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen en dat zij het voordeel van deze gelijkheid in hun dagelijks leven willen blijven genieten. Bij eiseres 1 speelt daarnaast dat zij zich heeft afgekeerd van de islam. Ook hebben eiseressen aangevoerd dat zij via sociale media bedreigd zijn door hun neef [naam] als gevolg van hun leefstijl. Eiseres 1 heeft hiervan aangifte gedaan.

De bestreden besluiten

4. Verweerder heeft de asielaanvragen van eiseressen afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft ook een inreisverbod van twee jaar tegen eiseressen uitgevaardigd en de terugkeerbesluiten tegen hen gehandhaafd. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiseres 1 de volgende asielmotieven:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

Afvalligheid;

Westerse levensstijl die fundamenteel onderdeel uitmaakt van de persoon van eiseres (vereenzelviging);

Bedreiging door neef.

Het asielrelaas van eiseres 2 bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

Westerse levensstijl die fundamenteel onderdeel uitmaakt van de persoon van eiseres (vereenzelviging);

Bedreiging door neef.

Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseressen geloofwaardig. Verweerder vindt het niet geloofwaardig dat de westerse levensstijl van eiseressen fundamenteel onderdeel uitmaken van hun persoon. Gelet op het arrest K en L van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft verweerder dit getoetst als de vereenzelviging met de fundamentele waarde van de gelijkheid tussen man en vrouw. Daarnaast vindt verweerder de bedreigingen door de neef van eiseressen ongeloofwaardig. Daartoe overweegt verweerder dat de problemen met de familie van eiseressen in de vorige procedure al niet zijn gevolgd, dat eiseressen niet hebben onderbouwd dat de bedreigingen van hun neef komen, dat het proces-verbaal van de aangifte van eiseres 1 de bedreigingen niet kan onderbouwen, en dat eiseres 2 geen goede verklaring heeft kunnen geven voor het niet overleggen van de bedreigingen die naar haar sociale media-account zouden zijn gestuurd. Ten slotte vindt verweerder de afvalligheid van eiseres 1 niet geloofwaardig. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres 1 niet uit eigen beweging heeft aangegeven dat afvalligheid een reden voor haar aanvraag was, dat haar verklaringen hierover niet passen bij de geschetste gezinssituatie, dat haar verklaringen oppervlakkig en summier zijn, en dat zij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.

Dat eiseressen uit Irak komen is onvoldoende om vluchteling te zijn of om een reëel risico op ernstige schade te lopen in de zin van artikel 3 van het EVRM . Voor zover eiseressen stellen onveilig te zijn in Irak omdat zij een alleenstaande vrouw zijn, overweegt verweerder dat de ouders van eiseressen, hoewel zij tijdelijk verblijfsrecht hebben op grond van artikel 64 van de Vw, in de nabije toekomst ook in Irak zullen zijn, dat niet is gebleken dat zij in Irak niet op een familielid of sociaal netwerk kunnen terugvallen, en dat eiseressen ook met elkaar zullen zijn omdat zij beiden een afwijzend besluit hebben gekregen.

Heeft verweerder de problemen met de neef van eiseressen terecht ongeloofwaardig geacht?

5. Eiseressen voeren aan dat het geloofwaardig is dat zij bedreigd zijn door hun neef vanwege hun leefstijl. Het besluit hanteert ten onrechte de bewijslast “aantonen” in plaats van “aannemelijk maken”. Volgens eiseressen is het aannemelijk dat de bedreigingen van hun neef komen, want de persoon in de door eiseres 1 overgelegde screenshots spreekt over “in onze familie” en de “familienaam”, en de foto en naam van hun neef is zichtbaar. De bedreigingen passen daarnaast in het beeld dat in de overgelegde landeninformatie wordt geschetst. Eiseressen menen samenhangend en aannemelijk over de bedreigingen te hebben verklaard en verwijzen ook naar de aangifte die eiseres 1 heeft gedaan. Verweerder stelt ten onrechte dat het proces-verbaal van de aangifte niet overeenkomt met haar verklaringen in het gehoor opvolgende aanvraag. Dat de problemen met de neef van eiseressen in hun vorige procedure al ongeloofwaardig zijn gevonden, doet geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van de bedreigingen. De bedreigingen zien immers op de westerse levensstijl van eiseressen. Bovendien stelt verweerder ten onrechte dat eiseres 2 geen goede verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van documenten die de bedreigingen die zij stelt te hebben ontvangen onderbouwen. Zij heeft namelijk verklaard dat zij de telefoon waar de screenshots op stonden is verloren en dat het account waarop zij is bedreigd niet meer bestaat.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bedreigingen door de neef van eiseressen terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Hoewel verweerder het woord “aantonen” ten onrechte heeft gebruikt, blijkt uit de besluitvorming voldoende dat verweerder het criterium “aannemelijk maken” heeft toegepast. Verweerder heeft alle overgelegde stukken en de verklaringen van eiseressen bij zijn beoordeling betrokken. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat de ongeloofwaardig geachte problemen uit de vorige procedure bijdragen aan de ongeloofwaardigheid van de bedreigingen in de huidige procedure. In de eerste procedure zagen de bedreigingen door de neef namelijk op de uithuwelijking, terwijl de gestelde bedreigingen in de huidige procedure een reactie zijn op de levensstijl van eiseressen. Dit maakt echter nog niet dat de bedreigingen geloofwaardig zijn. De rechtbank overweegt dat de bewijswaarde van de screenshots beperkt is, omdat de authenticiteit ervan niet kan worden vastgesteld. De voornaam en profielfoto van de afzender van de bedreigingen zijn weliswaar zichtbaar in de screenshots, maar daarmee is nog niet duidelijk dat het om de neef van eiseressen gaat. Het is immers niet mogelijk om na te gaan dat hun neef de persoon op de foto is en dat het om zijn naam gaat. Dat de woorden “familie” en “familienaam” worden benoemd in de berichten, is op zichzelf ook onvoldoende om aannemelijk te maken dat de bedreigingen van de neef van eiseressen afkomstig zijn. Ook het proces-verbaal van de aangifte onderbouwt dit niet, omdat dit slechts een optekening is van de verklaringen van eiseres 1. Bovendien heeft eiseres 2 de bedreigingen die zij stelt te hebben ontvangen op geen enkele wijze onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder de afvalligheid van eiseres 1 terecht ongeloofwaardig geacht?

6. Eiseres 1 voert aan dat verweerder ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat zij afvallig is. Anders dan verweerder stelt, heeft eiseres 1 haar afvalligheid wel meteen aan de onderhavige asielaanvraag ten grondslag gelegd. Zij heeft dit namelijk al benoemd in de begeleidende brief bij haar herhaalde asielaanvraag van 28 oktober 2024. Eiseres 1 geloofde in Irak al niet meer in de islam, maar praktiseerde nog wel. Sinds 2017 praktiseert ze niet meer en sinds 2021 is zij er open over dat zij geen moslim meer is. Hierover is verwarring ontstaan tijdens het gehoor. Daar heeft verweerder onvoldoende rekening mee gehouden. Daarnaast had verweerder de ongeloofwaardigheid van de afvalligheid van eiseres 2 uit de eerste procedure niet mogen betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de afvalligheid van eiseres 1 in de huidige procedure, omdat dat niet in lijn is met de verplichting om individueel onderzoek te verrichten naar het asielrelaas van eiseres 1, zoals volgt uit artikel 10, derde lid, onder a, van de Procedurerichtlijn. Het is volgens eiseres 1 onduidelijk waarom verweerder de verklaringen van eiseres oppervlakkig en summier vindt. Dat verweerder de reactie van de moeder van eiseres tegenstrijdig noemt, gaat eraan voorbij dat moeder inmiddels ook veranderd is.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de afvalligheid van eiseres 1 terecht ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank constateert dat eiseres 1 in haar brief van 28 oktober 2024 al benoemt dat zij geen moslim meer is. De tegenwerping van verweerder dat eiseres 1 pas bij doorvragen in het gehoor opvolgende aanvraag voor het eerst afvalligheid als asielmotief heeft benoemd, volgt de rechtbank dan ook niet. Dat laat echter onverlet dat de overige tegenwerpingen standhouden en voldoende zijn om de afvalligheid van eiseres 1 ongeloofwaardig te achten. Daarbij heeft verweerder terecht overwogen dat de verklaringen van eiseres 1 niet passend zijn in de door haar geschetste gezinssituatie. Zo heeft eiseres 1 in eerste instantie verklaard dat zij uit een streng islamitisch gezin komt, maar daarna dat er binnen haar gezin ruimte was om minder actief bezig te zijn met het geloof. Verweerder mocht daarbij betrekken dat dit aspect – dat er binnen het gezin ruimte was om minder met het geloof bezig te zijn – ook in de vorige procedure is betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling van de afvalligheid van eiseres 2 en dat dit in rechte vaststaat. Eiseressen komen immers uit hetzelfde gezin en hebben op dit punt vergelijkbaar verklaard. Ook heeft verweerder terecht gewicht toegekend aan het feit dat eiseres 1 heeft verklaard al vier jaar niet meer in de islam te geloven en het geloof al zeven jaar niet meer te praktiseren. Onder die omstandigheden mocht van eiseres verwacht worden dat zij diepgaander kon verklaren over haar afvalligheid. Van verwarring tijdens het nader gehoor op de vraag welke godsdienst zij heeft, is de rechtbank niet gebleken. Verweerder heeft daarnaast terecht overwogen dat de verklaring van eiseres 1, dat haar moeder er geen moeite mee heeft dat eiseres 1 niet meer in de islam gelooft, niet overeenkomt met haar eerdere verklaring dat haar moeder haar verplichtte om de regels van de islam na te leven. Eiseres 1 heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe deze verklaringen zich tot elkaar verhouden. De beroepsgrond slaagt niet.Heeft verweerder beoordeeld of eiseres 1 bij terugkeer naar Irak als afvallige wordt gezien?

7. Eiseres 1 heeft ook aangevoerd dat verweerder had moeten beoordelen of eiseres 1 afvalligheid zal worden toegedicht bij terugkeer naar Irak.

De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit niet is beoordeeld of eiseres 1 afvalligheid toegedicht zal worden in het licht van haar leefstijl. Ook als de afvalligheid niet geloofwaardig is geacht moet verweerder onderzoeken of eiseres 1 bij terugkeer afvalligheid wordt toegedicht. Dat moet hij doen aan de hand van de verklaringen van de vreemdeling in het licht van wat over het land van herkomst in algemene zin bekend is. Uit Werkinstructie 2025/9 volgt onder meer dat de beoordeling van een toegedichte overtuiging in de toekomst niet zozeer ziet op de eigen overtuiging van de vreemdeling, maar meer op de gedragingen en uitingen van de vreemdeling en de perceptie van de omgeving hiervan, welke risico’s dit oplevert en waarom deze uitingen in verband worden gebracht met afvalligheid of bekering. Eerst dient helder gekregen te worden wat de uitgangssituatie is, zoals of de vreemdeling altijd op deze manier uiting heeft gegeven aan zijn religie of daarbij sprake is van een verandering. Nu verweerder deze beoordeling in het betreden besluit niet heeft gemaakt, is sprake van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.

Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiseressen niet te vrezen hebben heeft voor vervolging als alleenstaande vrouwen in Irak?

8. Eiseressen voeren aan dat zij als alleenstaande vrouwen in Irak te vrezen hebben voor vervolging. Zij zijn ongehuwd en wonen alleen. Uit het landgebonden beleid volgt dat alleenstaande vrouwen uit Irak in aanmerking komen voor een asielvergunning. Uit het AAB en het rapport “Iraq: Country Focus” van de EUAA van 8 oktober 2025 volgt dat de situatie voor vrouwen in Irak nog altijd structureel slecht is. Voor zover verweerder stelt dat eiseressen bescherming kunnen krijgen van hun vader, tantes, oom of neef, voeren zij aan dat dat in strijd is met artikel 7, eerste lid, van de Kwalificatieverordening. Op grond van dit artikel kan bescherming namelijk enkel worden geboden door de staat en stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties. Daarnaast behoren eiseressen niet meer tot het gezin van hun vader en heeft hun vader uitstel van vertrek gekregen op grond van artikel 64 van de Vw. Dat dit een tijdelijk verblijfsrecht is en hij terug kan keren naar Irak, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. Eiseressen zullen bovendien al slachtoffer worden van vervolging voordat hun vader mogelijkerwijs naar Irak zal kunnen reizen. Als eiseressen bij hun tantes in Irak gaan wonen, dan wonen zij nog steeds niet met een man. Gelet op hun leefstijl hoeven zij ook geen bescherming te verwachten van een mannelijk familielid.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiseressen geen alleenstaande vrouwen zijn. Uit paragraaf C9/16.3.2.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat bij de beoordeling of een vrouw alleenstaand is in ieder geval wordt meegewogen dat zij geen echtgenoot heeft – of geen persoon met wie zij een duurzame relatie heeft – in Irak met wie zij kan gaan samenleven, dat de gezinsband met haar ouderlijk gezin is verbroken en zij aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet kan worden hersteld, of dat er geen familielid of sociaal netwerk is waar de vrouw, gelet op haar individuele omstandigheden, voor opvang en bescherming op terug kan vallen. Uit hun verklaringen blijkt dat eiseressen in Irak een sociaal netwerk hebben. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiseressen bij hun tantes kunnen gaan wonen. Verweerder heeft ook de oom en neef van eiseressen als sociaal netwerk kunnen aanmerken, nu verweerder de problemen met hen terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Eiseressen hoeven geen bescherming te krijgen in de zin van artikel 7, eerste lid, van de Kwalificatieverordening. Als zij zich bij hun familieleden in Irak voegen, zullen zij namelijk geen alleenstaande vrouwen zijn en niet onder dat risicoprofiel vallen. Uit paragraaf C9/16.3.2.1. van de Vc blijkt niet dat eiseressen per definitie met een man zouden moeten wonen. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder de vereenzelviging goed beoordeeld?

9. Eiseressen voeren aan dat verweerder het arrest K en L van het Hof verkeerd heeft toegepast. Verweerder miskent dat uit het arrest volgt dat het zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen slechts inhoudt dat de vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van deze gelijkheid wil genieten. Eiseressen verwijzen ook naar paragraaf 46 van het UNHCR Handbook en naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 4 juli 2025 en 28 juli 2026, zittingsplaats Haarlem van 21 januari 2026 en de Afdeling van 30 april 2026. Niet in geschil is dat eiseressen feitelijk gebruikmaken van de vrijheden die zij in Nederland als vrouw hebben. Voor zover verweerder stelt dat eiseres 1 zich kan vestigen in Bagdad in plaats van in de KAR, voert zij aan dat verweerder de voorwaarden die artikel 8 van de Kwalificatieverordening stelt aan een binnenlands beschermingsalternatief niet heeft getoetst. Ter zitting heeft eiseres 1 hierover verder aangevoerd dat als zij zich in Bagdad zou vestigen, zij een alleenstaande vrouw zou zijn in de zin van paragraaf C9/16.3.2.1. van de Vc. Subsidiair voeren eiseressen aan dat zij consistent en gedetailleerd hebben verklaard over hun vereenzelviging en dat dit ook al in voldoende mate blijkt uit hun feitelijke levensstijl. Meer subsidiair voeren zij aan dat hen zal worden toegedicht dat zij zich hebben vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het niet geloofwaardig is dat eiseressen zich hebben vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen en dat het arrest K en L op de juiste manier is toegepast. Ten aanzien van eiseres 1 overweegt verweerder dat haar verklaringen hierover niet diepgaand en overtuigend zijn, dat zij heeft verklaard dat de vereenzelviging is voortgekomen uit asielmotieven die in de vorige procedure ongeloofwaardig zijn geacht, dat zij niet kan uitleggen waarom het voor haar belangrijk is dat zij haar levensstijl voort kan zetten, en dat zij geen inzicht geeft in hoe haar uiterlijke kenmerken in verband staan met haar vereenzelviging. Bovendien stelt verweerder dat zij zich kan vestigen in Bagdad in plaats van de KAR, omdat vrouwen zich in Bagdad vrijer kunnen gedragen. Ten aanzien van eiseres 2 overweegt verweerder dat zij met haar verklaringen niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de gelijkheid tussen mannen en vrouwen onderdeel is geworden van haar identiteit, dat zij niet kan uitleggen hoe haar verblijf in Nederland heeft bijgedragen aan haar overtuiging dat mannen en vrouwen gelijk zijn, en dat zij niet inzichtelijk maakt hoe het drinken van alcohol en haar uiterlijke kenmerken in verband staan met haar vereenzelviging. Daarnaast geldt volgens verweerder voor beide eiseressen dat de overgelegde foto’s hun vereenzelviging niet onderbouwen.

Toetsingskader

Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatieverordening omvat het begrip “behoren tot een sociale groep” in de zin van artikel 1, onder A, punt 2 van het Vluchtelingenverdrag met name het behoren tot een groep waarvan de leden een aangeboren kenmerk delen of worden geacht te delen, of een gemeenschappelijke achtergrond die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en dat de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar direct omgeving als afwijkend wordt beschouwd.

De rechtbank overweegt dat dit artikel geen materiële wijzigingen bevat ten opzichte van hetzelfde artikel van de Kwalificatierichtlijn, waarover het Hof zich in het arrest K en L heeft uitgelaten. In het arrest K en L heeft het Hof geoordeeld dat vrouwen die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen kunnen behoren tot een sociale groep overeenkomstig artikel 10, eerste lid aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Dit houdt volgens het Hof in dat een vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van deze gelijkheid wil genieten, wat veronderstelt dat zij vrij haar eigen levenskeuzes kan maken; onder meer op het vlak van onderwijs en beroepsloopbaan, de mate en aard van activiteiten in de publieke sfeer, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze, welke keuzen bepalend zijn voor haar identiteit. Ook heeft het Hof geoordeeld dat de omstandigheid dat jonge vrouwen uit derde landen in een lidstaat hebben verbleven tijdens een levensfase waarin een persoon zijn identiteit vormt, en zij zich tijdens dat verblijf daadwerkelijk zijn gaan vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, „een gemeenschappelijke achtergrond die niet gewijzigd kan worden”, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder d, van de Kwalificatierichtlijn opleveren.

Het Hof heeft in K en L ten aanzien van de tweede voorwaarde overwogen dat daaraan (ook) wordt voldaan door vrouwen die een bijkomend gemeenschappelijk kenmerk delen – zoals het feit dat zij zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen – wanneer de sociale, morele of juridische normen die in hun land van herkomst gelden tot gevolg hebben dat deze vrouwen wegens dat gemeenschappelijke kenmerk door de directe omgeving als afwijkend worden beschouwd. Het is aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat om te bepalen welke directe omgeving relevant is voor de beoordeling of deze sociale groep bestaat. Deze omgeving kan samenvallen met het gehele derde land van herkomst van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, of kan meer beperkt zijn, bijvoorbeeld tot een deel van het grondgebied of van de bevolking van dat derde land.

Vereenzelviging

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de vereenzelviging van eiseressen niet goed heeft beoordeeld en dat eiseressen aannemelijk hebben gemaakt dat zij zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. De leefstijl die eiseressen in Nederland hebben is niet in geschil. De rechtbank constateert dat eiseres 1 heeft aangegeven dat zij studeert voor assistent in de zorg en dat zij hierbij ook mannen als patiënten zal hebben, en dat zij een tatoeage heeft. Eiseres 2 heeft aangegeven dat zij een kappersopleiding doet en dat zij ook mannen knipt. Beide eiseressen hebben daarnaast aangegeven dat zij korte/blote kleding, sieraden en make-up dragen, dat zij geen hoofddoek dragen, dat zij hun woningen verlaten wanneer zij willen en in hun eentje over straat gaan, dat zij als vrouw alleen wonen zonder mannelijk familielid, dat zij mannen in hun vriendenkring hebben, dat zij uitgaan en festivals bezoeken, dat zij alcohol drinken, dat zij hun leven delen op sociale media, dat zij geen moslim (meer) zijn, zich niet aan islamitische gebruiken houden en de kerk bezoeken, en dat zij geen maagd meer zijn.

Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze gedragingen in het licht van het arrest K en L niet leiden tot de conclusie dat eiseressen zich hebben vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Verweerder lijkt ten onrechte van eiseressen te verlangen dat de vereenzelviging fundamenteel is voor hun identiteit of morele integriteit of dat de vereenzelviging dermate fundamenteel is dat niet van hen geëist mag worden dat zij dit opgeven. De rechtbank overweegt dat het begrip ‘fundamenteel’ dat in het arrest wordt gebruikt ziet op het fundamentele karakter van het grondrecht van gelijkheid; de vereenzelviging zelf hoeft niet fundamenteel te zijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 4 juli 2025. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de gedragingen en verklaringen van eiseressen, gelet op aanknopingspunten die het Hof in K en L heeft uiteengezet, voldoende dat zij hun eigen levenskeuzes maken, welke bepalend zijn voor hun identiteit, en dat zij dit willen blijven doen. Dat is voldoende om te kunnen aannemen dat eiseressen zich hebben vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Daarnaast hebben eiseressen in Nederland verbleven tijdens een levensfase waarin een persoon zijn identiteit vormt (pubertijd en adolescentie). Eiseres 1 was 16 jaar oud en eiseres 2 was 19 jaar oud toen zij in Nederland voor het eerst asiel aanvroegen.

De rechtbank is verder van oordeel dat eiseressen met de overgelegde landeninformatie voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de sociale groep “vrouwen die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen” in Irak, en specifiek in de KAR, een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd. Zo vermeldt het rapport “Iraq: Country Focus” van de EUAA van 8 oktober 2025: “Some behaviours can trigger honour-based killing including: friendships or any correspondence between a woman and a man she is not married to, pre-marital relationships with a member of the opposite sex; ‘disobedient’ behaviour to male relatives; (…) ‘shameful’ dress or behaviour, including on social media.”In het Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023 (het AAB) wordt het volgende vermeld: “Hoewel omstandigheden per geval verschillen, worden vrouwen over het hele spectrum van de patriarchale en grotendeels conservatieve Iraakse samenleving geconfronteerd met ongelijke culturele praktijken (met onder meer een beperkende invloed op de bewegingsvrijheid), wijdverspreid huiselijk en gendergerelateerd geweld, ontoereikende (staats)bescherming, discriminerende wetten, uitsluiting van politieke besluitvorming en ongelijkheid in economische participatie.” En verder: “Voor het merendeel van de vrouwen in federaal Irak en de KAR geldt dat zij van hun familie niet zelfstandig mogen reizen. Zo zouden meisjes en vrouwen uit conservatieve families zich zelfs binnen Erbil vaak niet alleen over straat kunnen bewegen.” Verweerder heeft op dit punt geen landeninformatie betrokken en daarmee niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht zoals hiervoor is weergegeven onder 9.4.

Vestiging in Bagdad

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich daarnaast ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres 1 zich in Bagdad kan vestigen. Niet is gebleken dat eiseres 1 in Bagdad een netwerk heeft. Daarbij komt dat verweerder aan eiseres 2 niet heeft tegengeworpen dat zij zich in Bagdad zou kunnen vestigen. Het is dan ook aannemelijk dat, als eiseres 1 zich in Bagdad zou moeten vestigen, zij in die situatie als alleenstaande vrouw in de zin van paragraaf C9/16.3.2.1. van de Vc moet worden aangemerkt. Uit paragraaf C9/16.3.2. volgt dat alleenstaande vrouwen in geheel Irak als risicoprofiel worden aangemerkt. Bovendien heeft verweerder niet gemotiveerd dat is voldaan aan de voorwaarden die voor het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief gelden op grond van artikel 8 van de Kwalificatieverordening. Op grond van dit artikel ligt de bewijslast daarvoor bij verweerder.

Tussenconclusie

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de daadwerkelijke vereenzelviging van eiseressen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen ongeloofwaardig is. De besluiten kunnen op dat punt geen stand kan houden. De rechtbank acht de asielrelazen van eiseressen op dit onderdeel geloofwaardig en merkt eiseressen aan als een bijzondere sociale groep. In het voorgaande ziet de rechtbank nog geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, nu verweerder eerst moet onderzoeken of in het geval van eiseressen sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Het is aan verweerder om hier nader onderzoek naar te doen en hierover een gemotiveerd standpunt in te nemen. De rechtbank verwijst naar het arrest K en L waarin het Hof heeft overwogen dat bij die beoordeling er rekening mee moet worden gehouden dat een daad van vervolging onder meer de vorm van een daad van genderspecifieke aard kan aannemen, zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid onder f, van de Kwalificatierichtlijn. Die bepaling is ongewijzigd gebleven in de Kwalificatieverordening. Het Hof verwijst hierbij expliciet naar artikel 60, eerste lid, van het Verdrag van Istanbul, dat voorschrijft dat gendergerelateerd geweld tegen vrouwen als een daad van vervolging moet worden erkend. Ook wijst de rechtbank op het arrest AH en FN van 4 oktober 2024 waarin het Hof heeft overwogen dat een samenstel van discriminerende maatregelen jegens vrouwen een daad van vervolging oplevert wanneer die maatregelen in cumulatie afbreuk doen aan de eerbiediging van de menselijke waardigheid. De rechtbank concludeert tenslotte dat de omstandigheid dat eiseressen niet als ‘alleenstaande vrouwen’ op grond van verweerders beleid worden aangemerkt, nog niet maakt dat zij geen gegronde vrees voor vervolging kunnen hebben vanwege de vereenzelviging.

Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiseressen in Irak gelet op hun leefstijl geen reëel risico op ernstige schade lopen?

10. Eiseressen voeren aan dat zij gelet op hun leefstijl een reëel risico lopen op onmenselijke behandeling en ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Hun leefstijl is niet in geschil. Eiseressen verwijzen naar het rapport “Iraq: Country Focus” van de EUAA van 8 november 2025, het rapport “Country Guidance: Iraq” van de EUAA van 14 november 2024, het AAB, en het rapport “International Protection Considerations with Regard sto People Fleeing Iraq” van de UNCHR van januari 2024. Omdat eiseressen via sociale media zijn bedreigd, is artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening van toepassing. Daarvoor is het niet relevant of de bedreiging gedaan is door hun neef of iemand anders.

De rechtbank overweegt dat verweerder nog geen standpunt in heeft genomen met betrekking tot artikel 3 van het EVRM anders dan ten aanzien van de algemene veiligheidssituatie in Irak. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een motiveringsgebrek. Gelet op de overgelegde landeninformatie is het aan verweerder om ook op dit punt een uitgebreider standpunt in te nemen. De beroepsgrond slaagt.

Niet tijdig nemen van een besluit

11. Omdat verweerder alsnog besluiten heeft genomen op de aanvragen, hebben eiseressen geen belang meer bij een beoordeling van de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit zijn daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

12. Verweerder heeft de aanvragen ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 3:46 van de Awb. Dit betekent dat eiseressen gelijk krijgen. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

Bij deze beslissing van de rechtbank bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst daarom de verzoeken daartoe af.

Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eiseressen een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Hoewel er samenhang is tussen de zaken van eiseres 1 en eiseres 2, lopen de asielmotieven en beroepsgronden op sommige punten uiteen. Ook heeft de rechtbank extra tijd uitgetrokken om de beroepen ter zitting te behandelen. De vergoeding bedraagt daarom € 5.604,- (2 punten voor het indienen van 2 beroepsschriften, 2 punten voor het indienen van 2 verzoeken om een voorlopige voorziening en 2 punten voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen voor zover gericht tegen de bestreden besluiten gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 21 augustus 2026;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.736,- aan proceskosten aan eiseressen.

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseressen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongmans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand