RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.62728
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 16 oktober 2026 op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser, de gemachtigde van eiser en een tolk zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de AMbV van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMbV. Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. Volgens de minister is de bewaring nodig, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMbV en er een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de AMbV;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Overplaatsing detentiecentrum Rotterdam
5. Voor zover eiser nog meent dat niet kan worden geverifieerd of de overplaatsing naar het detentiecentrum Rotterdam binnen de gestelde termijn van 24 uur is gedaan, wijst de rechtbank op de aanbiedingsbrief van de minister. Daarin is medegedeeld dat eiser op
16 oktober 2026 om 09:40 uur samen met DV&O vanuit het politiebureau in Emmen is overgebracht naar het detentiecentrum Rotterdam. Daarmee is voldaan aan de geldende termijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan dit bericht te twijfelen.
Grondslag
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de AMbV. De minister heeft op 14 augustus 2025 de autoriteiten van Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen. Op 27 augustus 2025 heeft Frankrijk dit claimverzoek geaccepteerd. Eiser heeft op 12 september 2025 een overdrachtsbesluit ontvangen. Omdat hij op 15 oktober 2025 met onbekende bestemming is vertrokken, heeft de minister de overdrachtstermijn verlengd tot 18 maanden. De uiterlijke overdrachtsdatum is daardoor 26 februari 2027.
Gronden
7. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a, k, o, p, q, r en s terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Voor de gronden a en k is voldoende dat zij feitelijk juist zijn. Het is feitelijk juist dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie heeft verplaatst (a). Eiser heeft verklaard dat hij geen voor Nederland geldend visum had aangevraagd toen hij Nederland binnenkwam en tijdens zijn reis door Europa. De minister heeft hieraan in de maatregel terecht de conclusie verbonden dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Ook is feitelijk juist dat eiser op 12 september 2025 een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en dat hij geen medewerking verleent aan de overdracht aan Frankrijk (k). Eiser is bovendien op 15 oktober 2025 (wederom) met onbekende bestemming vertrokken en heeft tijdens het gehoor verklaard geen actie te hebben ondernomen om de overdracht aan Frankrijk mogelijk te maken. Dat eiser naar eigen zeggen is teruggekeerd naar Frankrijk, zonder hiervan melding te doen, maakt niet dat hij heeft meegewerkt aan de geplande overdracht en het overdrachtsbesluit.
De gronden o, p, q, r en s zijn ook feitelijk juist en het risico op onderduiken is in de maatregel voldoende gemotiveerd. Zoals hiervoor is overwogen, is eiser op 15 oktober 2025 met onbekende bestemming vertrokken. Eiser is ook op 26 maart 2026 met onbekende bestemming vertrokken en heeft daarmee nagelaten melding te doen van zijn afwezigheid op het azc (o). Daarnaast is eiser niet in het bezit van een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb (p). Eiser heeft verder op 8 juli 2025 en 17 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend, die beide niet tot een verblijfsvergunning hebben geleid (q). Tot slot staat eiser niet ingeschreven in de BRP, heeft hij niet anderszins aangetoond te beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats en beschikt hij niet over voldoende middelen van bestaan (r en s). Dat dit inherent is aan het feit dat eiser asielzoeker is en dat hij op het azc kan verblijven, maakt dit niet anders.
De rechtbank concludeert dat alle gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. Er bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat sprake is van een onderduikrisico
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Zoals hiervoor is overwogen, kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen en is daarmee een onderduikrisico gegeven. Dat eiser te kennen heeft gegeven dat hij wil meewerken aan vertrek en in gesprek is met de IOM, is onvoldoende voor een ander oordeel. Ten tijde van de inbewaringstelling had eiser namelijk geen concrete stappen ondernomen om de overdracht aan Frankrijk te realiseren en is hij tweemaal eerder met onbekende bestemming vertrokken. Gelet op het vastgestelde onderduikrisico heeft de minister zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met een minder dwingende maatregel, zoals plaatsing in de VBL, niet kan worden volstaan.
De rechtbank is bij de beoordeling van het lichtere middel verder niet gebleken van medische omstandigheden of persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om een lichter middel dan bewaring op te leggen. Ten aanzien van de psychische omstandigheden van eiser heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat de medische dienst bij plaatsing in het detentiecentrum de actuele medische en psychische situatie van eiser zal beoordelen en, indien nodig, passende zorg, begeleiding en toezicht zal inzetten. Gedurende de bewaring wordt zijn gezondheid gevolgd, zodat zo nodig tijdig aanvullende zorg kan worden geboden. Ook op de zitting heeft eiser bevestigd dat hij de medische dienst in het detentiecentrum in Rotterdam heeft gezien. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister, anders dan eiser stelt, voldoende rekening heeft gehouden met de psychische omstandigheden van eiser.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht aan Frankrijk binnen een redelijke termijn bestaat. De minister heeft op de vijfde dag van de inbewaringstelling, op 20 oktober 2026, een vertrekgesprek met eiser gevoerd en op diezelfde dag een vlucht naar Frankrijk voor eiser aangevraagd. Die vlucht staat gepland op 30 oktober 2026. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat eiser in contact is met het IOM, dat op 21 oktober 2026 een gesprek met het IOM heeft plaatsgevonden en dat via het IOM een vlucht naar Rusland is gepland op 29 oktober 2026. Daarmee is zowel voor vrijwillig vertrek als voor de overdracht een concrete datum bepaald. Er is niet gebleken van omstandigheden die aan overdracht binnen een redelijke termijn in de weg staan, of waaruit op voorhand kan worden geconcludeerd dat de overdracht geen doorgang zal kunnen vinden.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiseres in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit. Ook voor het overige ziet de rechtbank ambtshalve toetsend geen aanleiding om de bewaring op enig moment onrechtmatig te achten.
11. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.