[naam], eiseres,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
Inleiding
1. Bij besluit van 18 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank in kennis gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiseres is via een beeldverbinding vanuit het Justitieel Complex Schiphol verschenen. De gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Dit volgt ook uit artikel 10, vierde lid, van de Opvangrichtlijn.
3. Grensdetentie als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw wordt toegepast zolang het de vreemdeling wordt toegestaan als verzoeker op het grondgebied te verblijven of niet wordt verwijderd.
4. De vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en alleen als geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die grensdetentie onevenredig bezwarend maken.
Is de maatregel onrechtmatig omdat een voorlopige medische controle is uitgevoerd?
5. Eiseres voert aan dat tijdens de screening geen deugdelijke medische controle is uitgevoerd, waardoor de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is. Eiseres wijst in dit verband op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 10 september 2026, waarin prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de werkwijze van de minister.
Zoals onder 2 is overwogen, heeft de minister de bevoegdheid om grensdetentie op te leggen aan een vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden. Eiseres heeft bij de grenscontrole op de grensdoorlaatpost van Schiphol te kennen gegeven asiel te willen aanvragen. Zij overlegde daarbij een Nederlands paspoort met gegevens die afwijken van haar opgave op de nationaliteitsverklaring en voldeed daarmee niet aan de toegangsvoorwaarden. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid tot het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.
Dat de screening, waaronder de voorlopige medische controle, nog niet in zijn geheel is voltooid, maakt dit niet anders. De rechtbank sluit zich aan bij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 30 juli 2026. Daarin is geoordeeld dat uit de Procedureverordening noch uit de Screeningsverordening volgt dat een geheel voltooide screeningsprocedure een noodzakelijke voorwaarde is voor een doorverwijzing naar de asielgrensprocedure. Of de screening, waaronder de voorlopige medische controle, juist is uitgevoerd, kan eiseres bovendien aan de orde stellen in een eventueel beroep tegen de beslissing op haar asielaanvraag. In deze procedure kan dat niet worden beoordeeld. Wat eiseres heeft aangevoerd onder verwijzing naar de uitspraak van 10 september 2026 leidt niet tot een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de luchthaven Schiphol en het JCS geschikte screeningslocaties?
6. Eiseres voert aan dat de luchthaven Schiphol en het JCS ongeschikte locaties zijn om een screening uit te voeren, wat volgens haar de daaropvolgende vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig maakt.
De rechtbank overweegt dat de Screeningsverordening geen omschrijving omvat aan welke specifieke vereisten een screeningslocatie moet voldoen. Wel schrijft artikel 8, achtste lid, van de Screeningsverordening voor dat gewaarborgd wordt dat de te screenen vreemdeling toereikende leefomstandigheden wordt geboden, met bescherming van diens lichamelijke en geestelijke gezondheid met inachtneming van rechten uit hoofde van het Handvest. Op grond van artikel 6 van de Screeningsverordening mag de vreemdeling tijdens de screening aan de buitengrens niet tot het grondgebied van een lidstaat worden toegelaten. Dit is nodig om elk risico op onderduiken, mogelijke bedreigingen voor de binnenlandse veiligheid als gevolg van dergelijk onderduiken of mogelijke gevaren voor de volksgezondheid als gevolg van dergelijke onderduiken te voorkomen. Voor zover de geschiktheid van de screeningslocatie in deze procedure al kan worden beoordeeld, ziet de rechtbank gelet op voorgaande passages geen aanleiding voor het oordeel dat de luchthaven Schiphol en het JCS ten onrechte als geschikte screeningslocaties in de zin van de Screeningsverordening zijn aangemerkt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister een pré-toets moeten verrichten naar de kansrijkheid van de asielaanvraag?
7. Eiseres voert onder verwijzing naar de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 september 2026aan dat de minister ten onrechte geen pré-toets heeft verricht naar de kansrijkheid van de asielaanvraag. Volgens eiseres had de minister moeten onderzoeken of op voorhand duidelijk was dat de asielaanvraag niet in de asielgrensprocedure kon worden afgedaan, te meer nu zij als Syrische vreemdeling een kansrijke asielaanvraag heeft en haar minderjarige kinderen rechtmatig in Nederland verblijven.
De rechtbank is van oordeel dat bij aankomst op Schiphol nog niet duidelijk kon zijn dat de asielaanvraag niet in de asielgrensprocedure kon worden afgedaan. Er is eerst onderzoek nodig om te bepalen of een beslissing kan worden genomen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Procedureverordening. De rechtbank is in deze procedure over de bewaringsmaatregel niet bevoegd om de asielaanvraag inhoudelijk of voorlopig te beoordelen op kansrijkheid. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de beantwoording van de door zittingsplaats Amsterdam gestelde prejudiciële vragen daarover af te wachten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had eiseres vóór de screening en de oplegging van de maatregel recht op rechtsbijstand?
8. Eiseres voert aan dat de maatregel onrechtmatig is, omdat zij vóór de screening en het opleggen van de maatregel geen rechtsbijstand heeft ontvangen. Eiseres verwijst ook in dit verband naar de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van
15 september 2026.
De rechtbank overweegt dat bij vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw niet het beleid geldt zoals neergelegd in paragraaf A5/6.6 van de Vc. Voor de minister bestond daarom geen verplichting om een piketadvocaat in te schakelen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat het verschil in beleid over rechtsbijstand voorafgaand aan inbewaringstelling op grond van artikel 59, 59a of 59b van de Vw en vrijheidsontneming op grond van artikel 6 van de Vw geen ongerechtvaardigd onderscheid oplevert in de zin van artikel 14 van het EVRM. De rechtvaardiging voor dat onderscheid ligt in het grensbewakingsbelang en de geringere omvang van het gehoor. De rechtbank ziet in het bestaan van de Screeningsverordening geen aanleiding om daarover nu anders te oordelen. Zoals onder 6.1. is overwogen, kan in deze procedure niet worden beoordeeld of de screening volgens de regels van de Screeningsverordening is doorlopen. Wel moet de minister voorafgaand aan zijn afweging om de maatregel op te leggen zorgvuldig beoordelen of eiseres detentiegeschikt is en of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken, waardoor een lichter middel op zijn plaats kan zijn. Dit zal de rechtbank hieronder beoordelen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Wordt grensdetentie door de minister automatisch opgelegd?
9. Eiseres voert aan dat de maatregel van grensdetentie onrechtmatig is, omdat de minister grensdetentie standaard oplegt onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, zonder individuele toets op evenredigheid. Dit doet volgens eiseres geen recht aan het ultimum remedium-karakter van detentie. Voor de asielgrensprocedure en de toegangsweigering is het volgens eiseres niet noodzakelijk om de vreemdeling direct in detentie te plaatsen en een standaardvragenlijst is daarvoor onvoldoende. Eiseres beroept zich ook op dit punt op de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 september 2026.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026, volgt dat de minister in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. De rechtbank volgt deze uitleg en ziet dan ook geen aanleiding om de door zittingsplaats Amsterdam gestelde prejudiciële vragen af te wachten.
Verder heeft de Afdeling in de uitspraak van 2 september 2026 geoordeeld dat de beoordeling van de minister of met een lichter middel had moeten worden volstaan, niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. De rechtbank is van oordeel dat de minister met de vragen die zij in het gehoor aan eiseres heeft gesteld, voldoende heeft onderzocht of de grensdetentie voor eiseres onevenredig bezwarend is. Zo is geïnformeerd naar de medische omstandigheden van eiseres, gevraagd of eiseres familieleden in Nederland of in de Europese Unie heeft die hier rechtmatig verblijven en eiseres in de gelegenheid gesteld andere omstandigheden aan te voeren.
In het proces-verbaal van het gehoor is weliswaar aangekruist dat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, maar uit het aanvullend proces-verbaal blijkt dat dit abusievelijk is gebeurd en dat zij heeft verklaard familie in Nederland te hebben. De minister heeft deze verklaring betrokken bij zijn beoordeling, zowel in het aanvullend proces-verbaal als in de maatregel. Daarbij heeft hij overwogen dat het enkele feit dat familieleden in Nederland verblijven niet meebrengt dat eiseres toegang tot het grondgebied moet worden verleend of dat van de grensprocedure moet worden afgezien. Verder heeft de minister overwogen dat eiseres als meerderjarige zonder haar gezinsleden is gereisd, zodat niet is gebleken van een zodanige afhankelijkheidsrelatie met de familieleden in Nederland dat de grensdetentie onevenredig bezwarend is.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, toereikend heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
10. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.