ECLI:NL:RBDHA:2026:31924

ECLI:NL:RBDHA:2026:31924

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-07-2026
Datum publicatie 30-10-2026
Zaaknummer SGR 23/3656 en SGR 23/3657
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

BPM

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen

Holland Car Company B.V.. gevestigd te Moordrecht, belanghebbende

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Team belastingrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 23/3656 en SGR 23/3657

(gemachtigde: A.F M .J. Verhoeven),

en

Procesverloop

Verweerder verklaart bij besluit van 10 februari 2021 het bezwaarschrift van belanghebbende tegen een voldoening van belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) op aangifte gegrond. Verweerder heeft belanghebbende daarbij een teruggaaf bpm toegekend. Daarbij zijn geen proceskosten vergoed.

Verweerder stuurt belanghebbende op 24 februari 2021 twee kennisgevingen teruggaaf bpm ter hoogte van € 172 (beschikkingsnummer 2021.193.03.4.00297) respectievelijk € 226 (beschikkingsnummer 2021.193.03.4.00298). Over de terugbetaalde bpm wordt tevens een bedrag van € 7 respectievelijk € 10 aan belastingrente vergoed.

Op 6 april 2021 dient belanghebbende bezwaren in tegen de rente die vermeld is op de kennisgevingen teruggaven.

Op 17 april 2023 heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar de bezwaargronden van belanghebbende ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 21 april 2026 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Tijdens deze zitting is het beroep niet inhoudelijk behandeld. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .

De rechtbank heeft bij brief van 20 mei 2026 overeenkomstig artikel 8:28 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) partijen verzocht om inlichtingen te verstrekken.

Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Bij uitspraak op bezwaar van 10 februari 2021 wordt een eerder bezwaar tegen de voldoening op aangifte gegrond verklaard. Verweerder kende belanghebbende op grond van artikel 16a Wet bpm een teruggaaf bpm toe van € 165, met overeenkomstig een teruggaaf van € 7 aan belastingrente. Tevens kent verweerder een teruggaaf van € 216 toe, met overeenkomstig een teruggaaf van € 10 aan belastingrente.

2. In zijn bezwaarschrift van 6 april 2021 maakt belanghebbende bezwaar tegen de rentebeschikkingen. Bij uitspraak op bezwaar van 17 april 2023 heeft verweerder dat bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft belanghebbende beroep ingesteld.

Geschil 3.In geschil is of de rente tot de juiste hoogte is toegekend.

4. Belanghebbende heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:

Belanghebbende concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende verzoekt voorts om toekenning van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt belanghebbende om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

5. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

De toepasselijkheid van Europees recht en de gevolgen daarvan (grief a)

7. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van het VWEU. Zij heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van belanghebbende evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van belanghebbende niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door belanghebbende genoemde arrest Cilfit (ECLI:EU:C:1982:335). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (ECLI:EU:C:1987:452) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.

8. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van belanghebbende dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank belanghebbende in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.

De hoorplicht in de bezwaarfase (grief b)

9. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat belanghebbende voorafgaande aan het doen van uitspraak op bezwaar is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 19 juli 2021, namelijk bij brief van 14 juni 2021. De rechtbank leidt uit de brief van

20 juli 2021 af dat het hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Van schending van de hoorplicht is daarom geen sprake.

De bevoegdheid van verweerder om een rentebeschikking te geven (grieven c en d)

10. Belanghebbende stelt dat verweerder niet bevoegd is tot het geven van een rentebeschikking. Verweerder betwist dat standpunt en verwijst naar rechtspraak van de Hoge Raad en naar artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

11. De rentebeschikking is gegeven op grond van artikel 30ha van de AWR. Op grond van artikel 30j van de AWR worden dergelijke beschikkingen gegeven door verweerder. De rechtbank kan de stelling van belanghebbende dat verweerder niet bevoegd is om de rentebeschikking te geven dan ook niet volgen. Voor zover belanghebbende bedoelt dat met inachtneming van het Irimie-arrest (ECLI:EU:C:2013:250) over een langere periode rente moet worden vergoed omdat de teruggaaf ziet op belasting die in strijd met het Unierecht is geheven, dient zij zich tot de ontvanger te wenden (vgl. HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341). Nu geen sprake is van een beschikking van de ontvanger die genomen is op grond van artikel 28c IW kan dit in de onderhavige procedure niet aan de orde komen, nu het bedrag aan invorderingsrente op grond van artikel 30 van de IW bij beschikking wordt vastgesteld en tegen een dergelijke beschikking een eigen rechtsgang open staat. De rechtbank is dan ook niet bevoegd in de onderhavige procedure hierover een oordeel te geven.

12. Ten overvloede wijst de rechtbank op het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1790), waarin, kort gezegd is geoordeeld dat artikel 28c IW niet in strijd is met het Unierecht.

De hoogte van het bedrag van de rentebeschikking (grief e)

13. Op grond van artikel 30ha van de AWR begint het tijdvak waarover de belastingrente moet worden vergoed niet eerder dan drie maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt dit tijdvak 14 dagen na de dagtekening van de teruggaafbeschikking.

14. De rechtbank stelt vast dat de belastingrente in het onderhavige geval berekend dient te worden met ingang van 1 april 2020 tot en met 21 april 2021, zodat de rente is berekend over een langere periode dan voortvloeit uit de wet. Verder is gesteld noch gebleken dat de rente is berekend naar een lager rentepercentage dan voortvloeit uit artikel 30hb van de AWR. De rentebeschikking is dan ook eerder op een te hoog dan op een te laag bedrag vastgesteld.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rentebeschikking niet op een te laag bedrag vastgesteld.

De vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar (grief g)

16. Belanghebbende heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, wanneer een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder op goede gronden heeft betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van belanghebbende voor hem optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.

Conclusie 17. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Beoordeling verzoek om immateriële schade

18. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met de lange afhandelingsduur van de bezwaar- en beroepsprocedure tegen de rentebeschikkingen.

19. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

20. Het bezwaarschrift is binnengekomen op 7 april 2021, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 17 april 2023 en de rechtbank doet uitspraak op 31 augustus 2026, zodat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden met afgerond 41 maanden waarvan 19 maanden zijn toe te rekenen aan de bezwaarfase en 22 maanden aan de beroepsfase.

21. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd moet worden dan wel dat de termijn op een later moment dan het indienen van het bezwaar aanvangt.

22. Gelet hierop bedraagt de immateriële schadevergoeding in deze zaak € 3.500 waarvan € 1.622 door verweerder en € 1.878 door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) vergoed dient te worden.

23. Bij deze beoordeling gaat de rechtbank uit van samenhang met het beroep van belanghebbende geregistreerd onder nummers SGR 23/3656, SGR 23/3657, SGR 23/5040, SGR 23/5041, SGR 23/5042, SGR 23/4063, SGR 23/4065, SGR 23/4066, SGR 23/4067 en SGR 23/2523 die een vrijwel identieke geschillen betreffen en die op dezelfde zitting zijn behandeld. De vastgestelde samenhang brengt met zich dat belanghebbende slechts in dit beroep in aanmerking komt voor een dergelijke vergoeding.

Proceskosten en griffierecht

24. In het arrest van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567) heeft de Hoge Raad – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:

“6Proceskosten

In de omstandigheid dat aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.

Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.

7 Vergoeding van griffierecht

Voor gevallen waarin de rechter het beroep, het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekent, handhaaft de Hoge Raad niet langer zijn rechtspraak op grond waarvan het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb aan de belanghebbende moet worden vergoed. De heffing van griffierecht vindt plaats vanwege het instellen van beroep, hoger beroep of beroep in cassatie, en voor vergoeding daarvan door het bestuursorgaan bestaat alleen aanleiding indien dat beroep gegrond is en dus terecht is ingesteld, of indien het weliswaar ongegrond is maar is ingesteld als gevolg van een andere tekortkoming van dat bestuursorgaan. De Hoge Raad is thans van oordeel dat de aanleiding tot het vergoeden van griffierecht daarom niet kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de behandeling van het beroep, na het instellen daarvan, onredelijk lang heeft geduurd. Dit geldt zowel bij verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarop de met ingang van 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 Awb van toepassing is, als bij verzoeken om schadevergoeding waarop met overeenkomstige toepassing van het tot 1 juli 2013 geldende artikel 8:73 Awb wordt beslist.

De hiervoor in 7.1.1 weergegeven wijziging geldt niet voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dit arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van dit arrest is overschreden. Aldus wordt een aanspraak op vergoeding van griffierecht geëerbiedigd die voortvloeit uit een daartoe vóór de datum van dit arrest gedaan verzoek op basis van de toenmalige rechtspraak van de Hoge Raad.”

25. Toepassing van het hierboven aangehaalde oordeel leidt in het onderhavige geval tot een proceskostenvergoeding van € 233,50 (1 punten voor het indienen van het verzoek en een wegingsfactor van ¼ bij een bedrag per punt van € 934) en een vergoeding van het betaalde griffierecht ter hoogte van € 365. Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan de rechter is toe te rekenen zal de vergoeding van deze bedragen op grond van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2 deels moeten plaatsvinden door verweerder en deels door de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid), waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen telkens de helft betaalt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van belanghebbende tot een bedrag van € 1.622, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.878, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt verweerder in de helft van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 116,75, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid in de helft van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 116,75, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

draagt verweerder op de helft van het betaalde griffierecht, oftewel een bedrag van € 182,50, aan belanghebbende te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

draagt de Minister van Justitie en Veiligheid op de helft van het betaalde griffierecht, oftewel een bedrag van € 182,50, aan belanghebbende te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

neemt voor wat betreft de beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade samenhang aan in de zaken met zaaknummers SGR 23/3656, SGR 23/3657, SGR 23/5040, SGR 23/5041, SGR 23/5042, SGR 23/4063, SGR 23/4065, SGR 23/4066, SGR 23/4067.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van K.D. Duin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand