RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen
Holland Car Company B.V.. gevestigd te Moordrecht, belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 23/5040, SGR 23/5041 en SGR 23/5042
(gemachtigde: A.F M .J. Verhoeven),
en
Procesverloop
Verweerder verklaart bij besluit van 8 november 2021 het bezwaarschrift van belanghebbende tegen een voldoening van belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) op aangifte gegrond. Verweerder heeft belanghebbende daarbij een teruggaaf bpm toegekend. Daarbij zijn geen proceskosten vergoed.
Verweerder stuurt belanghebbende op 15 december 2021 twee kennisgevingen teruggaaf bpm ter hoogte van € 1.945 (beschikkingsnummer 2021.193.03.4.01555) respectievelijk
€ 1.934 (beschikkingsnummer 2021.193.03.4.01554). Over de terugbetaalde bpm wordt tevens een bedrag van € 66 respectievelijk € 89 aan belastingrente vergoed.
Verweerder stuurt belanghebbende op 3 januari 2022 een derde kennisgeving teruggaaf bpm gestuurd ter hoogte van € 335 (beschikkingsnummer 2022.193.03.4.0003). Over de terugbetaalde bpm wordt tevens een bedrag € 13 aan belastingrente vergoed.
Op 20 januari 2022 en 26 januari 2022 dient belanghebbende bezwaren in tegen de rente die vermeld is op de kennisgevingen teruggaven.
Op 17 april 2023 heeft verweerder bij uitspraak op bezwaren de bezwaargronden van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Op 21 april 2026 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Tijdens deze zitting is het beroep niet inhoudelijk behandeld. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
De rechtbank heeft bij brief van 20 mei 2026 overeenkomstig artikel 8:28 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) partijen verzocht om inlichtingen te verstrekken.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
1. Bij uitspraak op bezwaar van 8 november 2021 wordt een eerder bezwaar tegen de voldoening op aangifte gegrond verklaard. Verweerder kende belanghebbende op grond van artikel 16a Wet bpm een teruggaaf bpm toe van respectievelijk € 1.945, € 1.934 en € 335, met overeenkomstig een teruggaaf van € 66, € 89 en € 13 aan belastingrente.
2. In zijn bezwaarschriften van 20 januari 2022 en 26 januari 2022 maakt belanghebbende bezwaar tegen de rentebeschikkingen. Bij uitspraak op bezwaar van 19 juni 2023 heeft verweerder dat bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft belanghebbende beroep ingesteld.
Geschil 3.In geschil is of de rente tot de juiste hoogte is toegekend.
Beoordeling van het geschil
4. Belanghebbende heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Belanghebbende concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende verzoekt voorts om toekenning van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt belanghebbende om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
5. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
6. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
De toepasselijkheid van Europees recht en de gevolgen daarvan (grief a)
7. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van het VWEU. Zij heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van belanghebbende evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van belanghebbende niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door belanghebbende genoemde arrest Cilfit (ECLI:EU:C:1982:335). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (ECLI:EU:C:1987:452) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
8. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van belanghebbende dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank belanghebbende in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De heffing van griffierecht (grief b)
9. Belanghebbende stelt onder verwijzing naar het arrest Kantarev dat het griffierecht in ieder geval niet meer mag bedragen dan 4% van het in geschil zijnde bedrag. Ook het vooraf heffen van griffierecht is in strijd met het Unierecht, aldus belanghebbende.
10. Uit het arrest Kantarev kan niet de algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4% van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Verder geldt dat de Nederlandse regeling inzake griffierecht in het bestuursrecht niet van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter wordt ontnomen. De rechtbank betrekt in het oordeel dat ter zake van het griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan kan worden indien de heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. De klachten van belanghebbende over het griffierecht, mede omvattend het vooraf betalen daarvan, treffen daarom geen doel.
De hoorplicht in de bezwaarfase (grief c)
11. Belanghebbende stelt dat verweerder in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat belanghebbende voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar twee keer is uitgenodigd voor een hoorgesprek op
23 augustus 2022, namelijk bij brieven van 25 juli 2022 en 2 augustus 2022. Deze brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van belanghebbende gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door gemachtigde geweigerd en vervolgens retour ontvangen door verweerder. De brieven zijn ook per gewone post aan gemachtigde gezonden. Verweerder heeft de dossiers ook digitaal aan gemachtigde aangeboden. Verweerder heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek via WebEx. Gemachtigde van belanghebbende heeft niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder belanghebbende voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van belanghebbende. Van schending van de hoorplicht is daarom geen sprake.
De bevoegdheid van verweerder om een rentebeschikking te geven (grieven d en e)
13. Belanghebbende stelt dat verweerder niet bevoegd is tot het geven van een rentebeschikking. Verweerder betwist dat standpunt en verwijst naar rechtspraak van de Hoge Raad en naar artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).
14. De rentebeschikking is gegeven op grond van artikel 30ha van de AWR. Op grond van artikel 30j van de AWR worden dergelijke beschikkingen gegeven door verweerder. De rechtbank kan de stelling van belanghebbende dat verweerder niet bevoegd is om de rentebeschikking te geven dan ook niet volgen. Voor zover belanghebbende bedoelt dat met inachtneming van het Irimie-arrest (ECLI:EU:C:2013:250) over een langere periode rente moet worden vergoed omdat de teruggaaf ziet op belasting die in strijd met het Unierecht is geheven, dient zij zich tot de ontvanger te wenden (vgl. HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341). Nu geen sprake is van een beschikking van de ontvanger die genomen is op grond van artikel 28c IW kan dit in de onderhavige procedure niet aan de orde komen, nu het bedrag aan invorderingsrente op grond van artikel 30 van de IW bij beschikking wordt vastgesteld en tegen een dergelijke beschikking een eigen rechtsgang open staat. De rechtbank is dan ook niet bevoegd in de onderhavige procedure hierover een oordeel te geven.
15. Ten overvloede wijst de rechtbank op het arrest van de Hoge Raad van
28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1790), waarin, kort gezegd is geoordeeld dat artikel 28c IW niet in strijd is met het Unierecht.
De hoogte van het bedrag van de rentebeschikking (grief f)
16. Op grond van artikel 30ha van de AWR begint het tijdvak waarover de belastingrente moet worden vergoed niet eerder dan drie maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt dit tijdvak 14 dagen na de dagtekening van de teruggaafbeschikking.
17. De rechtbank stelt vast dat de belastingrente in het onderhavige geval voor de eerste twee teruggaven berekend dient te worden met ingang van 1 april 2021 tot en met
4 februari 2022, zodat de rente is berekend over een langere periode dan voortvloeit uit de wet. Voor wat betreft de derde rentebeschikking is de periode van 1 april 2021 en 1 maart 2022. Verder is gesteld noch gebleken dat de rente is berekend naar een lager rentepercentage dan voortvloeit uit artikel 30hb van de AWR. De rentebeschikking is dan ook eerder op een te hoog dan op een te laag bedrag vastgesteld.
18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rentebeschikking niet op een te laag bedrag vastgesteld.
De vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar (grief g)
19. Belanghebbende heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, wanneer een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van belanghebbende voor hem optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie 20. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Beoordeling verzoek om immateriële schade
21. Bij deze beoordeling gaat de rechtbank uit van samenhang met het beroep van belanghebbende geregistreerd onder nummers SGR 23/3656 en SGR 23/3657 dat een vrijwel identiek geschil betreft aansluitend en dat op dezelfde zitting is behandeld. De vastgestelde samenhang brengt met zich dat in de voormelde uitspraak de immateriële schadevergoeding en de proceskostenvergoeding zijn vervat.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van K.D. Duin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).