Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 2 juli 2024 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Vellekoop in Honselersdijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Dorhout in Egmond aan den Hoef.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 22 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat en de man bijgestaan door zijn advocaat.
Van de zijde van de man zijn pleitnoties overgelegd.
Feiten
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de man, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorziening tot:
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Voor zover een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, dienen de echtgenoten, naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd, vast te stellen welk gedeelte van de winst van die onderneming inkomen is van de desbetreffende echtgenoot.
Echtscheiding
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Partneralimentatie
Behoefte
De behoefte is tussen partijen in geschil. De vrouw stelt dat zij gemiddeld € 500,- per week (contant) ontving van de man voor de betaling van de vaste lasten en de betaling van de boodschappen, zoals volgt uit de overgelegde productie 14. Daarnaast betaalde de man € 800,- per maand aan overige vaste lasten. De vrouw had zelf tijdens het huwelijk geen inkomen. Op basis van de stukken is het volgens de vrouw niet mogelijk om een alimentatieberekening te maken, waardoor het netto besteedbaar inkomen van de man moet worden berekend op basis van de bovenstaande bedragen. De vrouw begroot het netto inkomen van de man op € 2.166,67 per maand (€ 500,- per week + € 800,- per maand). Haar behoefte is 60% daarvan € 1.780,- wat bruto € 3.217,- is.
De man voert hiertegen verweer. Volgens hem ontvangt de vrouw sinds januari 2023 nog een bedrag van € 100,- per week omdat de man geen inkomen heeft en dit uit zijn vermogen moet voldoen.
De rechtbank overweegt dat de man de door de vrouw gestelde behoefte onvoldoende heeft betwist. De vrouw heeft met de transcripties van de gesprekken voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde van het huwelijk € 500,- per week ontving van de man. De man stelt zich op het standpunt dat deze gesprekken valselijk zijn en geknipt en geplakt zijn, maar daar ziet de rechtbank geen enkele aanwijzing voor. De rechtbank sluit daarom aan bij de behoefteberekening van de vrouw. Volgens die berekening bedraagt het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man (500 x 4,33 + 800 =) € 2.965,- per maand in 2024.
De rechtbank zal rekenen met de tarieven van 2024-II en overweegt daartoe als volgt. De vrouw heeft in januari 2023 de scheidingsmelding gedaan maar partijen hebben daarna wel nog allebei in de echtelijke woning gewoond. De rechtbank zal daarom aansluiting zoeken bij de datum waarop het verzoek tot echtscheiding is ingediend, te weten 2 juli 2024.
De huwelijksgerelateerde behoefte wordt vervolgens overeenkomstig de hofnorm vastgesteld op 60% van het NBGI, te weten € 1.779,- netto per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte € 1.982,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
Partijen verschillen van mening over de vraag in hoeverre de vrouw (gedeeltelijk) in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.
De vrouw voert in dit kader aan dat zij geen inkomen heeft. Doordat zij in 2015 borstkanker heeft gehad heeft ze zenuwschade opgelopen aan de handen, voeten en stuitje waardoor zij niet in staat is om te werken. De vrouw heeft dit onderbouwd met een brief van de anesthesioloog. De man voert verweer, en stelt zich op het standpunt dat de vrouw volledig in haar eigen behoefte kan voorzien. De vrouw zou inkomsten genereren door het maken van kleding, tassen, gordijnen en trouwjurken voor anderen. Deze inkomsten heeft de vrouw nooit opgegeven bij de Belastingdienst en betreffen dus netto-inkomsten. De man schat deze inkomsten op € 500,- per maand.
De rechtbank overweegt dat er tussen partijen sprake was van een traditioneel huwelijk. De vrouw heeft gedurende het huwelijk de zorg voor de kinderen gedragen. Zij heeft niet gewerkt en heeft geen opleiding gevolgd. Uit de overgelegde stukken blijkt daarnaast dat de vrouw een medisch traject heeft doorlopen en daar restschade aan heeft overgehouden. Dit beperkt haar in het verrichten van betaald werk. De rechtbank gaat dus voorbij aan het standpunt van de man en stelt vast dat de vrouw wel behoeftig is. De netto aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt dus € 1.982,- per maand. Gebruteerd is dit € 2.952,- per maand.
Draagkracht van de man
Tussen partijen is in geschil van welke inkomensgegevens moet worden uitgegaan bij het berekenen van de draagkracht van de man.
De vrouw stelt dat de dat uit de jaarstukken van 2020 tot en met 2023 volgt dat de man ieder jaar een negatief bedrijfsresultaat heeft behaald. De vrouw kan dit niet rijmen met de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Zo gingen partijen wekelijks uiteten, vaak op vakantie en woonde zij in een royale koopwoning. Volgens de vrouw is er dan ook sprake van inkomsten buiten de boekhouding om. De vrouw heeft het vermoeden dat de bedrijfsvoering en de in- en verkoop van de auto’s loopt via de eenmanszaak van de zoon van partijen – de Bandenspecialist – om zo de inkomsten te drukken van de man. Daarnaast heeft de vrouw tijdens het huwelijk altijd contant geld ontvangen van de man waardoor zij weet dat er contant geld in omloop is binnen het bedrijf.
De man voert verweer. Hij betwist de stellingen van de vrouw dat er sprake zou zijn van contant geld of dat inkomsten lopen via de eenmanszaak van de zoon van partijen. De man stelt zich op het standpunt – onder verwijzing naar de jaarcijfers van de jaren 2020 tot en met 2023 – dat zijn bedrijf al jaren verliesgevend is. In 2020 was er sprake van een verlies van € 20.615, in 2021 van € 3.833, in 2022 van € 6.281 en in 2023 een verlies van € 5.841,-.
Daarnaast stelt de man dat hij in 2008 een hersenbloeding heeft gehad en sindsdien zijn arbeidscapaciteit aanzienlijk is verminderd. Gelet op het bovenstaande heeft de man geen draagkracht om partneralimentatie aan de vrouw te betalen.
De rechtbank stelt voorop dat de jaarstukken van de eenmanszaak van de man al jaren een verliesgevend resultaat laten zien. Uit de overgelegde transcripties volgt evenwel dat er in het bedrijf van de man veel contact werd afgerekend. constateert dat de bedrijfsvoering van de man al jaren verliesgevend is. Anderzijds is er in 2024 een positief bedrijfsresultaat behaald van € 16.742,-. Verder constateert de rechtbank dat de man handelt in tweede hands auto’s en dat de verkoop veelal contant werd afgerekend. De verkoop van tweede hands auto’s blijkt genoegzaam uit de overgelegde (internet) advertenties en dat er veel contant werd afgerekend blijkt uit de overgelegde transcripties van de audio opnamen producties 19-20) ( “ [de man] : Hoeveel stortte ik naar [naam] ….naaar uhh….bracht jij voor mij naar de bank naar de RABO BANK elke week. 6 duizend, 8 duizend 10 duizend, zulke stappen. Ik ben blij dat ik dat al drie jaar niet doe (..)”(..) [de man] : Eerlijk spelen je speelt je hele leven niet eerlijk en nu wil je eerlijk spelen. (..) Ik wil eerlijk spelen, dan had je al die jaren moeten zeggen luister [de man] . Ik pak geen zwart geld aan. Ik wil alleen maar over de bank, ik wil niets zo in mijn handen. (..)” “ [de man] : Mama krijgt elke week 500, dat is 2200 euro…”. De rechtbank ziet in al deze omstandigheden aanleiding om uit te gaan van bedrijfsresultaat uit 2024 aan winst uit onderneming. De rechtbank zal dit bedrag aanvullen met een bedrag van € 2.165,- per maand aan netto-inkomsten, te weten € 500,- per week aan contant geld die de man gewoonlijk aan de vrouw werd betaald (500 x 4 x 13/12).
De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de man dat hij vanwege zijn medische beperkingen een verminderde draagkracht heeft, nu de man dit volstrekt niet heeft onderbouwd.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met de volgende fiscale kortingen:
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.505,- per maand. Op grond van het voorgaande bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 1.088,- per maand. Hiervoor is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 653,- per maand. De man heeft dus een draagkracht van € 653,- per maand.
Ingangsdatum
De rechtbank zal de ingangsdatum van de partneralimentatie vaststellen op de datum van de beschikking.
Conclusie en ingangsdatum
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vaststellen op € 653,- per maand. De rechtbank zal op grond van artikel 1:157 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de partneralimentatie vaststellen met ingang van de datum van inschrijving van deze echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Aanhechten beschikking
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden
Partijen hebben op 3 december 1999 huwelijkse voorwaarden opgemaakt, waarin zij iedere gemeenschap van goederen hebben uitgesloten. De huwelijkse voorwaarden bevatten verder een periodiek verrekenbeding.
Periodiek verrekenbeding
De voor zover van belang zijnde artikelen van de huwelijkse voorwaarden luiden als volgt:
Kosten huishouding
3. De echtgenoot die meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het te veel bijgedragene terug te vorderen van een andere echtgenoot. Het recht om het aldus te veel bijgedragene terug te vorderen vervalt een halfjaar na de ontbinding van het huwelijk of, in geval van scheiding van tafel en bed, een halfjaar nadat de uitspraak in krach van gewijsde is gegaan.
Verrekening van inkomen
a. over de tijd dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat;
b. over het kalenderjaar waarin het inkomen van een echtgenoot, ten gevolge van verlies in een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf van die echtgenoot negatief is;
c. indien een echtgenoot surseance van betaling heeft of een regeling in het kader van de Wet schuldsanering , of in staat van faillissement verkeert of verkeerd heeft. Verrekening zal na het einde van het faillissement (wederom) wel plaatshebben indien en zodra het vermogen van de desbetreffende ex-gefailleerde echtgenoot positief is;
d. voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.
Tussen partijen is in geschil of zij tijdens het huwelijk wel of niet hebben voldaan aan het hun huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenbeding. De man is van mening dat partijen conform hun huwelijkse voorwaarden periodiek verrekend hebben doordat de man vanaf zijn zakelijke rekening naar de en/of rekening van partijen geld heeft over gemaakt, en dat van dit geld de kosten van de huishouding werden voldaan. De vrouw is van mening dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding, en dat als gevolg daarvan de waarde van het gehele vermogen van partijen in de verrekening moet worden betrokken.
De rechtbank volgt de man niet in zijn betoog dat hij met het overhevelen van geld van de zakelijke rekening naar de privérekening kosten van de huishouding heeft voldaan. Deze overheveling is geen verrekening van overgespaard inkomen. Er is ook geen enkel bewijsstuk overgelegd waaruit volgt dat partijen spaargeld uit inkomen tussen beiden hebben verdeeld. De rechtbank moet er dan ook vanuit gaan dat partijen niet met elkaar hebben verrekend. Op grond van artikel 1:141 lid 3 BW geldt dan het bewijsvermoeden waarbij wordt uitgegaan dat het aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen dat verrekend had moeten worden, te weten het overgespaard inkomen. De rechtbank overweegt dat dit alsnog bij helfte moet worden verrekend, met uitzondering van de goederen die de man en de vrouw hebben vermeld op de staat van aanbrengsten en de goederen die zij door schenking of via erfrecht hebben verkregen.
Peildatum
De rechtbank zal als peildatum voor het vaststellen van de omvang en de samenstelling van het (eventueel) te verrekenen vermogen, 5 augustus 2024, de datum van de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, hanteren.
Eenvoudige gemeenschap
Partijen hebben het volgende gemeenschappelijke vermogensbestanddeel naar voren gebracht die moet worden verdeeld:
Ad. 1 – de echtelijke woning aan het [adres 1]
Partijen zijn gezamenlijk (ieder voor de onverdeelde helft) eigenaar van de echtelijke woning aan de [adres 1] . Op de echtelijke woning rust per 5 januari 2024. een hypothecaire geldlening van € 191.387,-.
Partijen zijn het erover eens dat de woning zal worden toegedeeld aan de man onder verplichting om de hypothecaire geldlening voor zijn rekening te nemen. Aangezien partijen het niet eens zijn over de waarde van de woning, moet de woning worden getaxeerd. De vrouw heeft daartoe drie makelaar-taxateurs voorgesteld waaruit de man er één kon kiezen. Op de zitting is gebleken dat er geen overeenstemming meer bestaat over de makelaar-taxateur. De rechtbank zal daarom bepalen dat de echtelijke woning zal worden getaxeerd door [makelaar] . De kosten van de taxatie moeten bij helfte worden gedeeld en de taxatie zal bindend zijn tussen partijen.
De rechtbank zal bepalen dat de man twee maanden de tijd krijgt om te onderzoeken of hij het aandeel van de vrouw in de echtelijke woning kan overnemen, en de vrouw kan ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. Mocht de man niet in staat zijn de woning over te nemen dan zal de woning verkocht worden. De rechtbank zal in het dictum een spoorboekje opnemen.
Vergoedingsrecht
De man stelt zich op het standpunt dat hij een bedrag van ƒ 59.500,- uit privévermogen in de woning heeft geïnvesteerd. ƒ 50.000,- is in een premiedepot gegaan en met de rest is er een dakkapel en aanbouw gefinancierd. De vrouw heeft dit betwist.
De rechtbank stelt vast dat de man zijn betoog op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Hij heeft een stuk overgelegd waaruit de verkoopsom van de woning volgt en een brief van de Rabobank van 2 december 1999. Er blijkt geen betaling uit noch waarvandaan deze betaling afkomstig is. De rechtbank gaat daarom aan het standpunt van de man voorbij.
Ad. 2 – de inboedel
Op de zitting is gebleken dat de inboedel reeds afgewikkeld is. De rechtbank zal daarom vaststellen dat er niets meer te verdelen valt.
Te verrekenen vermogen
Omvang
Partijen hebben in deze procedure de volgende vermogensbestanddelen gesteld die (eventueel) bij de verrekening dienen te worden betrokken:
De rechtbank stelt voorop dat zij geen enkele informatie heeft over de waarde van de vermogensbestanddelen. Zo heeft zij geen informatie over de saldi van de bankrekeningen per peildatum, de inhoud van de kluis of de waarde van de Nissan Pixo. De rechtbank kan daarom geen afwikkeling van het vermogen voorstellen en zal zich daarom beperken tot het opnoemen van de bestanddelen die daartoe onderdeel uitmaken.
Ad. a – de eenmanszaak [eenmanszaak]
Het belangrijkste geschilpunt tussen partijen betreft de eenmanszaak van de man en dan met name de vraag of de bedrijfspanden aan [adres 2] zijn gevoed met overgespaard inkomen. Ten aanzien van deze vermogensbestanddelen gaat de rechtbank ook uit van het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW, tenzij de man hiertoe voldoende tegenbewijs heeft geleverd.
De man verwijst naar het financiële overzicht dat hij als productie 5 heeft overgelegd. Hij stelt zich op het standpunt dat het onroerend goed is gekocht voorafgaand aan het huwelijk. De gemeente Den Haag heeft de man uitgekocht voor ƒ 260.000 vanwege de plek waar de eenmanszaak toentertijd zat. Van dit bedrag samen met een lening van familie van ƒ 107.200 en een lening van de Rabobank heeft de man vier bedrijfspanden gekocht aan [adres 2] . De lening bij de familie is volgens de man eind 1998 afgelost met de opbrengst van de auto en de stacaravan. Daarna zijn de bedrijfspanden aan de [adres 3] gekocht. In 2015 zijn de laatst genoemde panden verkocht aan een derde voor € 249.600,-. De man stelt met dit bedrag de resterende hypothecaire geldlening op de bedrijfspanden te hebben afgelost waarna een bedrag resteerde van € 88.010,-. Dit bedrag zou de man op de gezamenlijke bankrekening van partijen hebben gestort waardoor hij nu een vergoedingsrecht heeft ter waarde van de helft van € 88.010,-.
De vrouw voert verweer. Zij stelt dat het onduidelijk is hoe de aankoop van de bedrijfspanden aan [adres 2] [adres 3] en de aflossingen daarop zijn gefinancierd. De man heeft zijn stellingen niet onderbouwd waardoor het onduidelijk is of er tijdens het huwelijk is afgelost met overgespaard inkomen. Daarnaast heeft de man niet aangetoond dat een bedrag van € 88.010,- op de gezamenlijke bankrekening is gestort.
De rechtbank stelt op basis van de overgelegde notariële aktes (productie 3 en 4 bij verweerschrift van de man) vast dat de man de bedrijfspanden [adres 2] , [adres 3] in 1998 heeft geleverd gekregen voor de koopsom van ƒ 650.000.
De man heeft een hypothecaire geldlening van ƒ 450.000 afgesloten bij de Rabobank en bij [beheermaatschappij] van ƒ 260.000.
Verder overweegt de rechtbank dat zij geen inzage heeft in de financieringsvoorwaarden. De man stelt dat hij ook een lening zou hebben bij familie van ƒ 107.200,- maar ook hiervan zijn geen stukken overgelegd. De stelling van de man dat hij de lening bij familie heeft afgelost met het geld uit de verkoop van de auto en stacaravan is onjuist omdat de caravan nog in bezit was van partijen ten tijde van het huwelijk. Dit blijkt uit door de vrouw overgelegde foto’s en de man heeft dit ook erkend. Daarnaast is geen van de stellingen van de man met stukken onderbouwd.
De man heeft in 2015 drie bedrijfspanden ( [adres 3] ) verkocht en heeft hier naar verluid € 249.600,- voor ontvangen, maar ook deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd. Daarnaast zou de man de volledige hypotheek bij de Rabobank hebben afgelost. Ook hiervan zijn geen stukken overgelegd. Volgens productie 5 zou in 2005 een hypotheek bij de Rabobank resteren van € 51.292 na aflossing van een bedrag van € 2.953 in dat jaar. De rechtbank leidt hieruit af dat anders dan de man stelt niet de hele hypotheek bij de Rabobank is afgelost.
Gelet op onjuiste en diffuse voorstelling van zaken door de man, moet de rechtbank het ervoor houden dat de aflossingen op de hypotheekschuld deels met overgespaard inkomen zijn gefinancierd. Dit betekent dat de bedrijfspanden aan [adres 2] deels zijn gefinancierd met overgespaard inkomen en in de vermogens opstelling moeten worden betrokken. Deze bedrijfspanden moeten getaxeerd worden per peildatum van 5 augustus 2024. Partijen dienen deze taxatie mee te nemen in de vermogensopstelling. In deze vermogensopstelling hoort ook de zakelijke rekening van de eenmanszaak van de man en de op dat moment aanwezige inventaris en voorraden (waaronder de auto’s). De rechtbank zal de man in de gelegenheid stellen deze taxaties te laten verrichten.
Ad. b – de saldi op de bank- en spaarrekeningen
Partijen hebben – zoals hierboven aangegeven – op geen enkele manier inzicht gegeven in de saldi op de bank- en spaarrekeningen per peildatum. Zij dienen binnen drie maanden de afschriften hiervan te overleggen en te betrekken in de vermogensopstelling.
Ad. c – de inhoud van de kluis gelegen in de echtelijke woning
De rechtbank overweegt dat de inhoud van de kluis per peildatum onbekend is, en nu niet meer kan worden vastgesteld. De inhoud hiervan kan dus niet in de verrekening betrokken worden.
Ad. d - de auto van het merk Nissan Pixo met kenteken [kenteken]
De man stelt dat de auto van hem is en hoort tot de bedrijfsvoorraad van de eenmanszaak. De vrouw voert verweer. Voor zover de auto tot de bedrijfsvoorraad van de onderneming van de man behoort, moet deze per peildatum worden gewaardeerd en in de vermogensopstelling van de man worden opgenomen.
Ad. e – de sloep van het merk Admiral Boats 450
De rechtbank stelt vast dat de sloep in december 2023 is verkocht en geleverd aan een derde. Op de peildatum was er dus geen sloep meer aanwezig waarvan de waarde in de verrekening moet worden betrokken.
Ad f – Levensverzekering Nationale NederlandenDeze polis is volgens de man in 2021 beeindigd en uitgekeerd. De vrouw heeft dit niet betwist. De rechtbank moet er daarom vanuit gaan dat deze polis per peildatum geen vermogensbestanddeel betreft die in de afwikkeling moet worden betrokken.
Vergoedingsrecht kosten huishouding
De man stelt dat hij een vergoedingsrecht op de vrouw heeft van de helft van € 88.010 op grond van artikel 3 huwelijksvoorwaarden. Volgens de man heeft hij na verkoop van de bedrijfspanden aan de [adres 3] de hypotheek afgelost en het restant van de verkoopopbrengst van € 88.010 op de gezamenlijke bankrekening van partijen gestort. Hiervan zijn kosten huishouding voldaan. De vrouw betwist dit.
De man heeft zijn stelling met geen enkel stuk onderbouwd. De door hem vervaardigde Excel sheet (productie 5) bevat feitelijke onjuistheden en ook niet met bewijsstukken gestaafd. De rechtbank gaat daarom aan dit standpunt van de man voorbij.
Slotsom
Partijen dienen een vermogensopstelling te maken en die voorzien van onderliggende stukken, waaronder taxatierapporten, aan de rechtbank over te leggen. De rechtbank zal de zaak hiervoor pro forma aanhouden tot 1 mei 2025. Partijen kunnen vervolgens uiterlijk 1 juni 2025 op elkaars stukken en vermogensopstelling reageren. De rechtbank zal de zaak vervolgens op de stukken afdoen, tenzij zij aanleiding ziet om nog een mondelinge behandeling te gelasten.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 1999 in [plaats] ;
*
bepaalt de door de man aan de vrouw, met ingang van de datum van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand, te betalen partneralimentatie op € 653,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap als volgt vast, onder voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
- met betrekking tot de woning, gelegen aan het [adres 1] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. de woning wordt getaxeerd door [makelaar] . Partijen verstrekken binnen twee weken na de beschikking een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b. de man dient binnen twee maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c. de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d. de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;
e. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b. de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning
- met betrekking tot de inboedel dat er niets meer te verdelen valt;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
gelast de man de volgende stukken over te leggen:
*ABN AMRO eindigend op [rekeningnummer 1] ;
*Rabobank eindigend op [rekeningnummer 2] ;
*Rabobank eindigend op [rekeningnummer 3] ;
*Rabobank eindigend op [rekeningnummer 4] ( [eenmanszaak] )
- een taxatierapport van de waarde van de auto Nissan Pixo met kenteken [kenteken] per peildatum (5 augustus 2024);
de vrouw:
- de banksaldi per peildatum;
* ABN AMRO eindigend op [rekeningnummer 5]
* ABN AMRO eindigend op [rekeningnummer 6]
gelast partijen deze stukken – voorzien van een vermogensopstelling – uiterlijk op 1 mei 2026 in het geding brengen;
*
bepaalt dat partijen in de gelegenheid worden gesteld om uiterlijk op 1 juni 2026 op deze elkaars stukken te reageren;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan tot 1 juni 2026 pro forma.