RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.63817
v-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 21 oktober 2026 op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister zijn verschenen. Eiser is niet verschenen. Hij heeft voorafgaand aan de zitting een afstandsverklaring ondertekend en daarmee afstand gedaan van zijn recht om te worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de AMbV van toepassing is in bewaring stellen met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat. Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wanneer er sprake is van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. Volgens de minister is de bewaring nodig, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMbV en er een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en
nationaliteit;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Afstandsverklaring
5. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting aangegeven vraagtekens te hebben bij de door eiser ondertekende afstandsverklaring. Volgens de gemachtigde lijkt er sprake te zijn van een patroon, waarbij vreemdelingen aan hun gemachtigde aangeven op de zitting te willen verschijnen en vervolgens toch een afstandsverklaring ondertekenen. Zij vraagt zich af of eiser de afstandsverklaring onder de juiste omstandigheden heeft ondertekend, maar heeft eiser hierover niet gesproken. De rechtbank ziet in de stellingen geen aanleiding om te twijfelen aan de ondertekende afstandsverklaring. Er is geen enkele (specifieke) onrechtmatigheid gesteld of gebleken. Het enkele gegeven dat in een aantal dagen meerdere cliënten van gemachtigde een afstandsverklaring hebben getekend, geeft geen aanleiding voor het aannemen van onregelmatigheden in dat verband. De bewaring is niet op deze grond onrechtmatig.
Voortraject
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de vreemdelingrechtelijke procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
7. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de AMbV. Op 27 maart 2026 heeft de minister een claimverzoek ingediend bij de Zwitserse autoriteiten. Zwitserland heeft dit claimverzoek op 30 maart 2026 geaccepteerd. Vervolgens heeft eiser op 15 april 2026 een overdrachtsbesluit ontvangen. De overdrachtstermijn is op 15 mei 2026 verlengd tot 18 maanden omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
8. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a, c, p, r en s terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Voor de gronden a en c is voldoende dat zij feitelijk juist zijn.
Ten aanzien van grond a is feitelijk juist dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie heeft bewogen. Eiser heeft verklaard dat hij niet in het bezit is van identiteitsdocumenten en deze ook nooit heeft gehad. Ook heeft hij verklaard dat hij zonder visum naar Nederland is gereisd. Daarnaast heeft eiser in Zwitserland asiel aangevraagd en is hij daarna (meerdere keren) naar Nederland gereisd. Hij heeft zich dus zonder toestemming tussen de lidstaten verplaatst. Ten aanzien van grond c is feitelijk juist dat eiser onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft namelijk gebruikgemaakt van verschillende aliassen en heeft verklaard dat hij nooit stappen heeft ondernomen om in het bezit te komen van identiteitsdocumenten.
De gronden p, r en s zijn ook feitelijk juist en het risico op onderduiken is in de maatregel voldoende gemotiveerd. Eiser heeft nooit melding gemaakt van zijn onrechtmatige verblijf in Nederland bij de korpschef, zoals bedoeld in artikel 4.39 van het Vb (grond p). Verder staat eiser niet ingeschreven in de BRP, heeft hij niet anderszins aangetoond te beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats en beschikt hij niet over voldoende middelen van bestaan (gronden r en s). Dat dit inherent is aan het feit dat eiser asielzoeker is en dat hij op het azc kan verblijven, maakt dit niet anders.
De rechtbank concludeert dat alle gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. Er bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat sprake is van een onderduikrisico.
Lichter middel
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Dat eiser te kennen heeft gegeven mee te willen werken aan de overdracht en dat de inbewaringstelling daarom niet meer noodzakelijk is, maakt gelet op het vastgestelde onderduikrisico niet dat een lichter middel volstaat.
Ook is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg beschikbaar is. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht aan Zwitserland binnen een redelijke termijn bestaat. De minister heeft op de derde dag van de inbewaringstelling, op 23 oktober 2026, een vertrekgesprek met eiser gevoerd en op diezelfde dag een vlucht naar Zwitserland voor eiser aangevraagd. Daarnaast heeft de minister op 27 oktober 2026 de vluchtgegevens aan de gemachtigde van eiser bekendgemaakt. De overdracht staat gepland op 2 november 2026. Er zijn geen aanwijzingen waaruit op voorhand kan worden geconcludeerd dat de overdracht aan Zwitserland geen doorgang zal kunnen vinden.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding om de bewaring op enig moment onrechtmatig te achten.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.