uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedag] 1967, van Belarussische nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
de minister van Asiel en Migratie , verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. E.M. den Hollander).
Inleiding
Met het bestreden besluit van 6 juli 2023 heeft de minister de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen omdat Polen daarvoor verantwoordelijk is.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, I. Waltmans als tolk in de Russische taal en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De zoon van eiseres, [persoon] , was ook bij de zitting aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Juridisch kader
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in de AMbV. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald door de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
3. De rechtbank geeft in deze zaak een ruime uitleg aan de rechtsbescherming van vreemdelingen. Dit betekent dat zij, omdat het verzoek om internationale bescherming ingediend is vóór de ingang van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni 2026, de zaak zal behandelen aan de hand van de bepalingen uit de Dublinverordening.
Bestreden besluit
4. In het geval van eiseres heeft Nederland op 13 maart 2023 bij Polen een verzoek om overname gedaan. De Poolse autoriteiten hebben dit verzoek op 20 maart 2023 aanvaard. De verantwoordelijkheid van Polen voor de asielaanvraag van eiseres is daarmee vast komen te staan.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Op de zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat ten aanzien van Polen in algemene zin van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan mag worden. Tussen partijen is wel in geschil of er in relatie tot de medische situatie van eiseres ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden.
Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte tot de conclusie komt dat uit de overgelegde documenten niet volgt dat eiseres onder specialistische behandeling staat. Eiseres heeft namelijk documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij onder behandeling staat bij het [bedrijf] . Ook komt uit het dossier naar voren dat eisers leidt aan OCD en een matig depressieve stoornis. Daarnaast volgt eiseres cognitieve gedragstherapie en krijgt zij medicatie voorgeschreven. Vanwege deze overgelegde medische informatie is de minister in beroep gehouden om een BMA-advies op te vragen om te beoordelen of de overdracht naar Polen aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen met zich meebrengt.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiseres ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Niet is gebleken dat eiseres in Polen geen adequate behandeling kan krijgen voor haar medische klachten. De minister heeft in de overgelegde medische stukken terecht geen aanwijzingen gezien voor de stelling dat Nederland het meest geschikte land is om eiseres te behandelen of dat eiseres wegens haar medische klachten bij haar zoon moet blijven. Verder blijkt uit de overgelegde medische stukken ook niet dat door de overdracht aan Polen sprake zal zijn van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiseres. De minister heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om een BMA-advies op te vragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Afhankelijkheid van zoon
Eiseres stelt dat zij voor haar zorg afhankelijk is van haar zoon, die een verblijfsvergunning heeft in Nederland. Hij brengt eiseres onder andere naar afspraken met haar behandelaren en helpt haar in het dagelijks leven met haar medische klachten omdat eiseres niet in staat is om dit zelf te doen. Tot slot is eiseres vanwege ernstige spanningen, angst, trauma en depressieve klachten exclusief afhankelijk van haar zoon.
De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen naar voren is gebracht niet is gebleken dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening tussen eiseres en haar in Nederland woonachtige zoon. Uit de overgelegde stukken volgt onvoldoende dat de benodigde zorg alleen door deze zoon van eiseres in Nederland zou kunnen worden verleend. Er is bijvoorbeeld geen behandelplan overgelegd waaruit dat blijkt. Ook uit de stukken die in beroep zijn overgelegd volgt niet dat er sprake is van een exclusieve afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar zoon waarbij haar zoon een zodanig unieke positie als zorgverlener inneemt dat hij niet of zeer moeilijk door anderen is te vervangen. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres met hetgeen zij heeft ingebracht niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor haar zorg afhankelijk is van concrete hulp van haar zoon. De beroepsgrond slaagt niet.
Discretionaire bevoegdheid
Tot slot voert eiseres aan dat overdracht naar Polen leidt tot onevenredige hardheid gelet op haar medische en geestelijke situatie en de onderbouwde mantelzorg die haar zoon verleent.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. De minister heeft in het bestreden besluit de punten zoals hiervoor weergegeven besproken en overwogen dat er geen gebruik wordt gemaakt van de discretionaire bevoegdheid. De rechtbank ziet in het betoog van eiseres geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen toepassing te geven aan deze discretionaire bevoegdheid. De minister heeft terecht overwogen dat in het geval van eiseres niet is gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor overdracht aan Polen van onevenredige hardheid betuigt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Kingma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.