RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,
[eiser 1] , geboren op [geboortedag 2] 2014,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.34062
V-nummers: [v-nummer 1] , [v-nummer 2] en [v-nummer 3]
geboren op [geboortedag 1] 1996, eiseres,
mede namens haar minderjarige kinderen:
[eiser 2] , geboren op [geboortedag 3] 2016,
allen van Syrische nationaliteit
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana)
en
(gemachtigde: mr. J. van Raak).
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om aan eiseres geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen voor verblijf bij haar vader [persoon] (referent). Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Referent heeft op 26 februari 2021 aanvragen ingediend voor een mvv voor eiseres en haar twee kinderen.
Met het besluit van 1 september 2021 (het primaire besluit) heeft de minister deze aanvragen afgewezen. Met het besluit van 9 mei 2022 heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Op 8 maart 2023 heeft de minister dit besluit ingetrokken. Met het besluit van 21 september 2023 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
In de uitspraak van 4 juni 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats dit beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 september 2023 vernietigd en de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen.
Met het besluit van 26 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres, M. Majdoubi als tolk in de taal Arabisch en de gemachtigde van de minister.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak zes weken aangehouden, om partijen in de gelegenheid te stellen om aanvullende informatie te geven. De minister heeft aanvullende informatie ingediend. Eiseres heeft geen aanvullende informatie ingediend.
De rechtbank heeft partijen gevraagd of zij op een zitting wilden worden gehoord. Partijen hebben niet gereageerd. De rechtbank heeft daarom bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eiseres is geboren op [geboortedag 1] 1996. Zij is de dochter van referent. Op 7 juli 2012 is zij getrouwd met haar echtgenoot. Zij was toen vijftien jaar oud. Op haar zeventiende kreeg zij haar eerste kind en op haar negentiende haar tweede kind. Vanaf het huwelijk tot aan de vermissing van haar echtgenoot op 12 juni 2018, heeft eiseres bij haar echtgenoot gewoond. Eiseres stelt dat zij na de vermissing met haar kinderen bij referent is gaan wonen in Istanbul. Referent is op 2 september 2018 Nederland ingereisd. Op 9 mei 2019 heeft hij een asielvergunning gekregen. Daarna heeft hij aanvragen voor een mvv ingediend voor zijn echtgenote en kinderen. Hij heeft geen aanvraag ingediend voor eiseres. De echtgenote en overige kinderen van referent zijn in oktober 2020 naar Nederland gekomen. Eiseres is toen met haar kinderen bij een oom van moederszijde in Istanbul gaan wonen. Op 26 februari 2021 heeft referent een mvv voor eiseres aangevraagd. In mei 2023 heeft eiseres een derde kind gekregen. Tijdens de hoorzitting op 15 mei 2023 heeft referent verklaard dat de vader van het derde kind een andere man is, met wie het contact is verbroken. Op 11 december 2023 is er een mvv aangevraagd voor het derde kind van eiseres. De minister heeft op de zitting gesteld dat deze aanvraag is afgewezen en dat hiertegen geen rechtsmiddel is aangewend. Referent en zijn gemachtigde hebben gesteld dat zij van dit besluit niet op de hoogte waren.
De eerdere uitspraak van de rechtbank
4. In de uitspraak van 4 juni 2025 heeft de rechtbank geoordeeld:
‘6.2. De rechtbank overweegt als volgt. Aan de orde is de vraag of eiseres onder het jongvolwassenbeleid valt. Daarbij is van belang of de feitelijke gezinsband tussen eiseres en haar ouders is hersteld. Volgens de Afdeling moet daarbij worden gekeken naar twee peilmomenten: het moment van de inreis van referent en het moment van het besluit op de nareisaanvraag. De inreis van referent was op 2 september 2018. Verweerder heeft daarbij alle feiten en omstandigheden moeten betrekken om vast te stellen of de feitelijke gezinsband op deze datum weer was hersteld. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de feitelijke toestand in Syrië ten tijde van de gestelde vermissing, bij de beoordeling dient te worden uit te gaan van de vermissing van de echtgenoot van eiseres. Eiseres heeft omstandigheden aangevoerd waarom de feitelijke gezinsband op het eerste peilmoment weer was hersteld. Ze was nog een minderjarig kind toen ze werd uitgehuwelijkt. Toen ze haar eerste kind kreeg was ze ook nog minderjarig. Direct na de vermissing van haar man is ze weer bij haar ouders gaan wonen. Ze heeft nooit zelfstandig en nooit in een stabiele situatie geleefd. Deze omstandigheden heeft verweerder niet meegewogen in het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dus niet alle relevante feiten en omstandigheden betrokken bij de beoordeling of de feitelijke gezinsband was hersteld op het eerste peilmoment. Verweerder heeft het besluit op dit punt onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.’
Het bestreden besluit
5. De minister heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De minister vindt dat er tussen referent en eiseres en haar kinderen geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Eiseres valt niet onder het jongvolwassenenbeleid. Dat de gezinsband tussen eiseres en referent weer is hersteld omdat haar echtgenoot in 2018 vermist zou zijn geraakt, volgt de minister niet. Eiseres heeft zes jaar in gezinsverband met haar echtgenoot en kinderen samengewoond. Zij is nog altijd gehuwd en heeft de zorg over de uit het huwelijk voortkomende kinderen. Dat het huwelijk niet de keuze van eiseres zou zijn geweest, volgt de minister niet, omdat het huwelijk heeft voortgeduurd nadat zij in 2014 meerderjarig is geworden. Op het moment van de vermissing van haar echtgenoot in 2018 was eiseres 21 jaar oud. Ten tijde van het bestreden besluit was zij 28 jaar oud. Gelet op de ruime meerderjarigheid van eiseres en de eerder bereikte zelfstandigheid, is niet gebleken van omstandigheden waardoor de gezinsband hersteld zou zijn nadat deze was verbroken.
Verder werpt de minister tegen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij met referent heeft samengewoond tot zijn inreis. Zij heeft geen bewijsstukken hiervan overgelegd. Bovendien, al zou de samenwoning wel aannemelijk zijn, dan betekent dit nog niet dat eiseres weer met referent in gezinsband heeft samengeleefd zoals bedoeld wordt met de uitzondering voor jongvolwassenen in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiseres onderhoudt nog steeds een eigen gezinsleven met haar kinderen, voor wie zij de zorg draagt.
Daarbij werpt de minister tegen dat referent eiseres en haar kinderen niet heeft genoemd in het aanmeldgehoor tijdens zijn asielprocedure, toen aan hem werd gevraagd of er gezins- of familieleden achtergebleven zijn die deel uitmaakten van zijn gezin of met hem in huis woonden. Verder vindt de minister het opvallend dat referent pas bijna twee jaar nadat aan hem een asielvergunning was verleend, onderhavige aanvraag heeft ingediend. Als referent daadwerkelijk voor zijn vertrek uit Turkije met zijn dochter zou hebben samengewoond en de gezinsband zou zijn hersteld, is het bevreemdend dat referent niet eerder een aanvraag voor eiseres heeft gedaan, maar wel binnen drie maanden na verlening van de asielvergunning een aanvraag voor zijn echtgenote en andere kinderen heeft gedaan.
Ook betrekt de minister in de beoordeling dat referent tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat eiseres een relatie is aangegaan en een derde kind heeft gekregen. Hieruit blijkt dat zij na de inreis van referent wederom een zelfstandig gezin heeft gevormd.
Tot slot stelt de minister dat de omstandigheid dat eiseres momenteel niet in haar eigen onderhoud voorziet en bij haar oom zou wonen, niet maakt dat eiseres toch als
jongvolwassene moet worden aangemerkt. Het jongvolwassenenbeleid bevat immers cumulatieve vereisten.
Verder stelt de minister zich op het standpunt dat tussen eiseres en referent geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Ook is tussen referent en de kinderen van eiseres geen sprake is van hechte persoonlijke banden. De minister heeft geen belangenafweging gemaakt.
Heeft de minister het standpunt dat eiseres niet valt onder het jongvolwassenenbeleid zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd?
6. Eiseres kan zich niet verenigen met het standpunt van de minister dat zij niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Zij voert aan dat zij hier wel onder valt omdat de feitelijke gezinsband tussen haar en referent ten tijde van de inreis van referent (het eerste peilmoment) was hersteld en de feitelijke gezinsband ten tijde van het besluit op de nareisaanvraag (het tweede peilmoment) nog bestond. Eiseres vindt dat de minister de gebreken in de besluitvorming, die de rechtbank in de uitspraak van 4 juni 2025 heeft geconstateerd, niet heeft hersteld.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister het standpunt dat eiseres niet valt onder het jongvolwassenenbeleid, zorgvuldig heeft voorbereid en deugdelijk heeft gemotiveerd. De minister heeft de gebreken in de besluitvorming die de rechtbank in de uitspraak van 4 juni 2025 heeft geconstateerd, dan ook hersteld. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Had de minister eiseres moeten horen?
8. Eiseres voert aan dat de minister niet alleen referent, maar ook eiseres zelf had moeten horen. Het bestreden besluit bevat nieuwe standpunten van de minister. Zo werpt de minister tegen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij met haar vader heeft samengewoond na de vermissing van haar echtgenoot. Ook werpt de minister tegen dat eiseres een zelfstandig gezin heeft gevormd doordat zij een derde kind heeft gekregen. Gelet hierop bestond er voor het horen van eiseres voldoende aanleiding. Eiseres is als uitgehuwelijkt kind kwetsbaar. Daarom mocht de minister niet enkel uitgaan van de verklaringen van referent.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres niet hoefde te horen. Op de zitting is gebleken dat de gemachtigde van eiseres geen rechtstreeks contact met eiseres heeft gehad, omdat alles via referent loopt. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen via haar gemachtigde haar standpunt over de zaak naar voren te brengen. Hierop heeft de rechtbank geen nadere informatie van eiseres ontvangen. De rechtbank ziet daarom niet in welke toegevoegde waarde het horen van eiseres in bezwaar had kunnen hebben.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister mogen tegenwerpen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij met referent heeft samengewoond na de vermissing van haar echtgenoot?
10. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij niet met bewijsstukken heeft aangetoond dat zij na de vermissing van haar echtgenoot weer bij referent is gaan samenwonen. Volgens eiseres is dit een nieuw standpunt waarover eerder geen discussie bestond. Dit kan daarom niet betrokken worden. Hetzelfde geldt voor de antwoorden van referent tijdens zijn asielprocedure. Daarnaast heeft de rechtbank in de uitspraak van 4 juni 2025 geoordeeld dat de minister in de beoordeling dient te betrekken dat eiseres na de vermissing weer bij haar ouders is gaan wonen. Enkel om die reden kan dit niet worden tegengeworpen, net als de vraag of referent wel of niet tijdens zijn asielprocedure heeft benoemd met eiseres te hebben samengewoond.
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij met referent heeft samengewoond na de vermissing van haar echtgenoot.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 4 juni 2025 niet vastgesteld dat eiseres na de vermissing van haar echtgenoot weer met haar ouders heeft samengewoond. De rechtbank heeft wel overwogen dat eiseres heeft aangevoerd dat zij na de vermissing van haar echtgenoot weer bij haar ouders is gaan wonen en dat de minister deze omstandigheid moet betrekken in de besluitvorming. De minister hoefde dus niet uit te gaan van de samenwoning.
De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eiseres de samenwoning niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres heeft de samenwoning niet met bewijsstukken onderbouwd, terwijl de minister in het primaire besluit al had tegengeworpen dat eiseres geen bewijsstukken had overgelegd. Eiseres heeft ook niet toegelicht waarom de samenwoning desondanks aannemelijk moet worden geacht.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de overige omstandigheden voldoende betrokken?
12. Eiseres voert verder aan dat de minister de overige omstandigheden die de rechtbank in de uitspraak van 4 juni 2025 heeft opgesomd, namelijk dat eiseres als minderjarig kind is uitgehuwelijkt, dat zij minderjarig was toen zij haar eerste kind kreeg en dat zij nooit zelfstandig en in een stabiele situatie heeft geleefd, onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het feit dat eiseres als kind is uitgehuwelijkt onvoldoende is, enkel en alleen omdat zij sinds haar meerderjarige leeftijd het huwelijk heeft voortgezet. Dit is geen deugdelijke motivering, omdat eiseres hierover zelf niet is bevraagd. Juist de kwetsbaarheid zit hem in het feit dat eiseres geen zeggenschap had over het huwelijk als kind. Het is vanwege het kindhuwelijk en de positie van vrouwen in de cultuur nog maar de vraag of eiseres over de voortzetting van het huwelijk als meerderjarige ook maar enigszins iets te zeggen had, dan wel een eerlijke beslissing in kon nemen. Daarbij verdient aandacht dat de voogdij over kinderen na een scheiding naar de man gaat.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister de overige omstandigheden die de rechtbank in de uitspraak van 4 juni 2025 heeft opgesomd, voldoende heeft betrokken in de besluitvorming. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat het feit dat eiseres als kind is uithuwelijkt, niet wegneemt dat zij sindsdien, ook als meerderjarige, een eigen gezinsleven heeft met haar kinderen, voor wie zij de zorg draagt. De stelling dat eiseres geen zeggenschap had over het huwelijk als meerderjarige, is voor de rechtbank onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, omdat de stelling niet is geconcretiseerd.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister mogen betrekken dat eiseres een derde kind heeft gekregen?
14. Tot slot kan eiseres zich niet verenigen met de beoordeling van de minister ten aanzien van de feitelijke gezinsband op het tweede peilmoment. Eiseres vindt dat de minister daarbij een verkeerd peilmoment heeft toegepast. Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 november 2024 volgt immers dat het tweede peilmoment het moment van het besluit op de nareisaanvraag is. Dit was in het geval van eiseres dus al op 1 september 2021. Dit betekent dat de geboorte van haar derde kind in mei 2023 niet betrokken had mogen worden.
15. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen betrekken dat eiseres een derde kind heeft gekregen en dat hieruit eveneens blijkt dat zij zelfstandig een gezin heeft gevormd. Gelet op de uitspraak van 4 juni 2025 staat vast dat de minister moet uitgaan van twee peilmomenten: het moment van de inreis van referent en het moment van het besluit op de nareisaanvraag. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 24 november 2024. Uit deze uitspraak volgt dat het besluit op bezwaar ook een peilmoment is. Dat eiseres nog geen derde kind had op het moment van het primaire besluit, betekent dus niet dat de minister deze omstandigheid in het besluit op bezwaar niet mocht betrekken.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.