ECLI:NL:RBDHA:2026:32170

ECLI:NL:RBDHA:2026:32170

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 02-11-2026
Zaaknummer NL26.22559
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Beroep niet tijdig beslissen op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Rechtbank beschouwd zaak niet meer als samenhangend door abusievelijke administratieve fout. Dictum: Gegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.22559

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. B.A. Palm),

en

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 9 februari 2026.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen acht weken na verzending van die uitspraak moet beslissen op de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag). Eiseres stelt nu beroep in, omdat de minister binnen die termijn geen beslissing heeft genomen op de aanvraag.

Overwegingen

De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2

Is het beroep van eiseres ontvankelijk en gegrond?

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3

3. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 9 februari 2026 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een besluit.4

1. Zaaknummer NL25.57393.

2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.

4 ECLI:NL:RVS:2021:774.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser onderhavig beroep heeft ingesteld op 21 april 2026, terwijl de rechterlijke dwangsom op dat moment nog niet was volgelopen. Bij een beroep tegen het niet tijdig-nemen van een besluit blijft procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd. De rechtbank stelt overigens vast dat de rechterlijke dwangsom inmiddels wel volledig is verbeurd.

5. De rechtbank concludeert dat, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling en het feit dat de rechterlijke dwangsom ten tijde van het instellen van het beroep nog niet geheel was verbeurd, het beroep van eiser ontvankelijk is. De minister heeft nog geen besluit genomen op de aanvraag van eiser. Het beroep is kennelijk gegrond.

Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?

6. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.5 In deze zaak is dit aan de orde.

7. De minister heeft aan de rechtbank geen verzoek gedaan tot het bepalen van een concrete nadere beslistermijn. Mede tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de lijn die zij heeft ingezet met haar uitspraken van 20 juli 2026.6

8. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.7 De rechtbank weegt verder mee dat de uiterste beslistermijn van 21 maanden in dit geval is overschreden en dat het een opvolgend beroep tegen het niet-tijdig beslissen betreft. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor moet afnemen. Uiterlijk twee weken daarna moet de minister een besluit op de aanvraag bekend maken.

9. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom van € 50,- voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn overschrijdt. Het maximum is

€ 15.000,-. Eén en ander is overeenkomstig de aanbeveling die in dit verband geldt.8 De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van deze aanbeveling af te wijken.

5 Staatscourant van 26 september 2022, nr. 25755.

6 ECLI:NL:RBDHA:2026:20129, ECLI:NL:RBDHA:2026:20130, ECLI:NL:RBDHA:2026:20133 en ECLI:NL:RBDHA:2026:20136.

7 ECLI:NL:RVS:2020:1560.

8 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.

Zie https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de minister binnen zes weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.

11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

12. In de zaak met nummer NL26.3467 betreffende het beroep van de echtgenoot van eiseres, heeft de rechtbank bij uitspraak van 7 mei 2026 geoordeeld dat dat beroep van de samenhangt met het beroep van eiseres. Abusievelijk heeft de rechtbank op 7 mei 2026 niet tevens uitspraak gedaan op het beroep van eiseres. Als gevolg hiervan loopt haar procedure niet meer gelijk op met die van haar echtgenoot. De rechtbank ziet hierin aanleiding om die eerder aangenomen samenhang nu niet meer aanwezig te achten.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van

M.H.G.P. Tober, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

15 september 2026

Documentcode:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.J.A. Schaaf

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand