ECLI:NL:RBDHA:2026:32178

ECLI:NL:RBDHA:2026:32178

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 02-11-2026
Zaaknummer 09-162679-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

jeugdstrafrecht, onderzoek gemaal, zedenfeit en veroordeling voor afpersing gepleegd met anderen en openlijk geweld, voortgezette handeling, overschrijding redelijke termijn, zorgen reclassering en ouder vd om houding vd geen reden voor opleggen bijzondere voorwaarden nu vd al ruim twee jaar niet opnieuw de fout in is gegaan

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 09-162679-25

Datum uitspraak: 13 oktober 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] (hierna: de verdachte),

geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 15 september 2026 (inhoudelijke behandeling) en 29 september 2026 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting).

De officier van justitie in deze zaak is mr. K. van Diemen en de raadsvrouw van de verdachte is mr. C.C. Peterse. De verdachte is op de terechtzitting van 15 september 2026 verschenen.

2. De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De beoordeling van de tenlastegelegde feiten

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van de overige tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van de onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde feiten bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder feit 3 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Op specifieke (bewijs)verweren zal hieronder - indien noodzakelijk - nader worden ingegaan.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met (bedreiging met) geweld in vereniging. Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk dat de jas waar het hier om gaat, is afgegeven en niet weggenomen. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van dit feit.

Feit 2

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte niet veel van doen heeft gehad met de jas van aangever en dat de verdachte daarom van dit feit moet worden vrijgesproken.

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te betogen dat niet bewezen kan worden dat de verdachte een wezenlijk aandeel heeft gehad in de afpersing van de jas van aangever, volgt de rechtbank haar daarin niet. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Aangever heeft verklaard dat hij een afspraak had met medeverdachte [medeverdachte 1] over het afgeven van een nieuwe pet, omdat aangever eerder een pet van [medeverdachte 1] had beschadigd. Nadat hij de nieuwe pet had afgegeven, pakte [medeverdachte 1] zijn fietssleutel af en daarna kwamen er meerdere jongens, onder wie medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en de verdachte, naar de plek waar aangever en [medeverdachte 1] stonden. Op die plek werd aangever mishandeld door [medeverdachte 1] en de verdachte. Toen aangever om zijn fietssleutel vroeg, zei [medeverdachte 2] dat hij die zou terugkrijgen als hij zijn jas zou afgeven. Aangever deed zijn jas uit en de verdachte wilde deze uit zijn handen trekken. [medeverdachte 3] zei vervolgens tegen [medeverdachte 2] dat hij de sleutels aan aangever moest geven en tegen aangever zei hij dat hij, aangever, zijn jas moest geven. Aangever heeft zijn jas (met inhoud) vervolgens afgegeven en aangever heeft toen zijn sleutels teruggekregen.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de verdachte en hijzelf tegen aangever hebben gezegd dat aangever zijn jas moest uitdoen en dat het duidelijk was dat aangever dat niet wilde.

De verdachte heeft verklaard dat hij aangever een aantal klappen en trappen heeft gegeven en dat de jas uiteindelijk als borg door aangever is ingeleverd voor het petje (dat volgens de verdachte niet aan de verwachtingen van medeverdachte [medeverdachte 1] voldeed). Voorts heeft de verdachte verklaard dat gezamenlijk is besloten om de jas te houden totdat aangever een petje dat wel aan de verwachtingen voldeed voor medeverdachte [medeverdachte 1] zou regelen. Vervolgens is de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] weggereden.

Als dit alles bij elkaar wordt genomen, kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat het aandeel van verdachte in de afpersing van de jas van wezenlijke betekenis is geweest.

De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in bijlage II bij dit vonnis.

Feit 3

De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 15 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 31 maart 2024 (p. 221-224).

Feit 4

Door de raadsvrouw is betoogd dat niet vaststaat dat het beeldmateriaal zonder medeweten of toestemming van aangeefster [aangeefster] is vervaardigd en dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft bijgedragen aan de verdere verspreiding van de bestanden.

Ook is betoogd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte enige strafrechtelijk relevante bemoeienis heeft gehad met dit feit. Volgens de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, zou hij, aldus de raadsvrouw, zijn telefoon aan medeverdachte [medeverdachte 2] hebben gegeven, zou laatstgenoemde deze hebben gebruikt en zou de verdachte, toen hij zag wat de medeverdachte met zijn telefoon had gedaan, de bestanden meteen hebben verwijderd.

De rechtbank overweegt dat het ‘openbaar maken’ van het beeldmateriaal niet aan de verdachte tenlastegelegd is. Aan het betoog van de raadsvrouw dat daarop ziet wordt daarom voorbijgegaan. Uit de aangifte en het feit dat [aangeefster] de betreffende video via Snapchat - een medium dat het niet mogelijk maakt om ontvangen video’s op te slaan - aan medeverdachte [medeverdachte 2] stuurde, volgt naar het oordeel van de rechtbank voorts met een voldoende mate van zekerheid dat het vervaardigen van die video door de verdachte zonder haar medeweten of toestemming is gebeurd.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat de medeverdachte hem had gevraagd of hij een foto van “die ding” - naar de rechtbank begrijpt: een opname en screenshots van de video van seksuele aard van [aangeefster] die zij naar de medeverdachte had gestuurd - wilde maken, dat hij dat vervolgens heeft gedaan en dat hij die opname en screenshots hierna via Whatsapp naar de medeverdachte heeft gestuurd. Op grond van deze verklaring, gevoegd bij de aangifte van [aangeefster] , kan naar het oordeel van de rechtbank, bewezen worden verklaard dat de verdachte, samen met een ander, een afbeelding van seksuele aard heeft vervaardigd. De gedetailleerde verklaring van de verdachte bij de politie is in tegenspraak met dat wat hij ter terechtzitting heeft verklaard. De rechtbank gaat echter uit van de bij de politie afgelegde verklaring, omdat deze kort nadat aangifte werd gedaan, is afgelegd. Op de opname die van de video is gemaakt zijn bovendien twee rechterhanden te zien, waaruit kan worden afgeleid dat bij het vervaardigen daarvan méér dan één persoon betrokken was.

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in bijlage II bij dit vonnis.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

2hij op 30 maart 2024 te Oegstgeest, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas (met inhoud), die geheel aan die [aangever] toebehoorde, door- de sleutel uit het fietsslot (van de fiets van [aangever] ) te pakken, en- te duwen en tegen het hoofd te slaan, en- te trappen tegen een knie en/of been, en- te zeggen: 'Als jij je jas geeft, dan krijg jij je sleutels terug';

3hij op 30 maart 2024 te Oegstgeest, op de openbare weg (Aert van der Neslaan), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- het omsingelen en insluiten van die [aangever] (bij een muur), en - het slaan tegen het hoofd van die [aangever] , en- het trappen tegen een knie van die [aangever] , en- het met telefoons opnemen (en op sociale media plaatsen) van voornoemde handelingen;

4hij in de periode van 16 juni 2024 tot en met 18 juni 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, [aangeefster] , een afbeelding van seksuele aard, te weten een video en foto’s (screenshots), heeft vervaardigd waarop te zien is dat die [aangeefster] zichzelf aan het bevredigen is.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de feiten 2 en 3 sprake is van een voortgezette handeling. Het betreffen gelijksoortige feiten waarbij de gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachten zich in tijd kort na elkaar hebben voorgedaan. Dit maakt dat de wilsbesluiten zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan één verwijt kan worden gemaakt.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De op te leggen straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 80 uren met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een verplichting om mee te werken aan begeleiding door een coach van Its4Sure en een verplichting tot het volgen van onderwijs.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het, gezien de forse overschrijding van de redelijke termijn en de grote gevolgen die bewezenverklaring van feit 4 voor de verdachte kan hebben, niet passend is om aan de verdachte een straf op te leggen. Strafoplegging heeft geen pedagogische meerwaarde meer, aldus de raadsvrouw.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten Op 30 maart 2024 heeft de verdachte, samen met anderen, openlijk geweld gepleegd tegen [aangever] . In een zeer korte tijd heeft aangever meerdere klappen en schoppen gekregen. Dat het niet erger is afgelopen met aangever, is niet aan het handelen van de verdachte te danken, maar aan het optreden van een omstander die de verdachte en zijn medeverdachte sommeerde te stoppen met het geweld. Het geweld is door de groep ook gefilmd en dit filmpje is daarna verspreid via social media. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort filmpjes lang op het internet kunnen blijven rondgaan en dat dit grote impact heeft op de slachtoffers. Nadat aangever klappen en schoppen had gekregen, heeft de verdachte, samen met anderen, aangever ook nog gedwongen om zijn jas met inhoud af te geven.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij volledig voorbijgegaan is aan de gevolgen van zijn daden voor aangever.

Naast persoonlijk leed voor slachtoffers in zaken als deze leiden dit soort delicten ook tot maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Dat geldt temeer nu het onderhavige delict plaatsvond op klaarlichte dag en omstanders daar getuige van kunnen zijn en daar in dit geval ook daadwerkelijk getuige van waren.

Vervolgens heeft de verdachte zich in juni 2024, samen met een ander, schuldig gemaakt aan het vervaardigen van een video en foto’s van seksuele aard van [aangeefster] .

Door dit handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de privacy van aangeefster.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 augustus 2026 waaruit volgt dat hij eind 2025 (en inmiddels onherroepelijk) veroordeeld is voor het plegen van openlijk geweld en mishandeling. De rechtbank zal daarom rekening houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 29 juni 2026 en de mondelinge toelichting die door de deskundigen ter zitting is gegeven. Daaruit volgt - kort samengevat - dat de Raad en de jeugdreclassering zorgen hebben over de vaardigheden van de verdachte en dan met name over zijn houding, weerbaarheid en impulsiviteit. In de thuissituatie zijn er ook problemen doordat de verdachte erg zelfbepalend is. Ook is er onvoldoende zicht op wie zijn vrienden zijn.

Daar komt bij dat de verdachte voor de jeugdreclassering lastig te begeleiden is. Desondanks ziet de jeugdreclassering een meerwaarde in het nog langer begeleiden van de verdachte, mits hij gemotiveerd is om mee te werken. Dit laatste is echter niet het geval.

De verdachte wil van alles, maar hij komt onvoldoende in beweging. Hij gaat wel naar school, maar heeft nog altijd zijn stage niet geregeld. Daartegenover staat dat als wordt gekeken naar de (veranderbare) factoren die van invloed zijn op de kans dat de verdachte opnieuw met politie en justitie in aanraking komt (iets wat de afgelopen twee jaar niet meer is gebeurd), het recidiverisico laag is.

Redelijke termijn

De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn voor meerdere feiten ruim overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank heeft deze overschrijding daarom in strafmatigende zin meegewogen.

Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en naar de oriëntatiepunten, vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor de straftoemeting voor minderjarigen. Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 80 uren passend en geboden. Gezien de aard en ernst van de feiten acht de rechtbank het niet passend om die straf, zoals geëist door de officier van justitie, geheel voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de gevolgen die deze strafzaak reeds voor de verdachte heeft gehad, niet maken dat geen straf meer kan worden opgelegd. Het is belangrijk dat de verdachte ervaart dat zijn gedrag niet toelaatbaar is.

Voor oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf ziet de rechtbank ook om de volgende redenen geen aanleiding. De rechtbank begrijpt voormelde zorgen van de Raad, de jeugdreclassering en de moeder van de verdachte, onder meer over de lakse houding van de verdachte als het gaat om het nemen van verantwoordelijkheid voor zijn eigen toekomst. Een voorwaardelijke straf heeft echter (mede) tot doel om ervoor te zorgen dat de verdachte niet opnieuw de fout in gaat. De verdachte heeft zich de afgelopen twee jaren niet opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten en het recidiverisico komt uit op laag, zodat er in zoverre geen reden is voor een stok achter de deur. Daarbij komt dat de verdachte niet gemotiveerd is om mee te werken aan bijzondere voorwaarden zodat een voorwaardelijk strafdeel ook om die reden geen toegevoegde waarde heeft.

De rechtbank legt aan de verdachte dan ook een taakstraf in de vorm van een geheel onvoorwaardelijke werkstraf op.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 47, 56, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 141, 317 en 139h van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard, en kwalificeert dit als:

ten aanzien van feit 2 en 3

de voortgezette handeling van

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

ten aanzien van feit 4

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een afbeelding van seksuele aard van een persoon;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straf

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 80 (TACHTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 (VEERTIG) DAGEN;

bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.E. Schotte, kinderrechter, voorzitter,

mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter,

en mr. J.E. Bierling, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Wouters, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. Wouters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand