ECLI:NL:RBDHA:2026:32180

ECLI:NL:RBDHA:2026:32180

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 02-11-2026
Zaaknummer 09-162684-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

jeugdstrafrecht, onderzoek gemaal, veroordeling voor afpersing gepleegd met anderen en openlijk geweld, voortgezette handeling, overschrijding redelijke termijn, hulp gezocht in vrijwillig kader

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 09-162684-25

Datum uitspraak: 13 oktober 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] (hierna: de verdachte),

geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 15 september 2026 (inhoudelijke behandeling) en 29 september 2026 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting).

De officier van justitie in deze zaak is mr. K. van Diemen en de raadsvrouw van de verdachte is mr. J.S. Dijkstra. De verdachte is op de terechtzitting van 15 september 2026 verschenen.

2. De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De beoordeling van de tenlastegelegde feiten

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van de overige tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank is net als de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met (bedreiging met) geweld in vereniging. De rechtbank spreekt de verdachte hiervan daarom vrij.

Feit 2

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het de verdachte niet om de jas van aangever te doen was en dat daarom geen sprake was van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. De door de verdachte gepleegde geweldshandelingen tegen [aangever] - zoals omschreven in de tenlastelegging - waren voorts niet gericht op het verkrijgen van de jas, aldus de raadsvrouw.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte een afspraak had gemaakt met aangever en dat de bedoeling van die afspraak was dat aangever een nieuwe pet aan de verdachte zou geven. De verdachte is vervolgens, zoals hij zelf heeft verklaard, door het lint gegaan toen bleek dat aangever geen acceptabele pet had meegenomen en hem had uitgescholden. De verdachte heeft vervolgens, zoals hij ook heeft verklaard, tegen aangever gezegd dat hij zijn jas moest afgegeven, terwijl het ook voor hem duidelijk was dat aangever dit niet wilde. De verdachte heeft die jas, nadat aangever die tegen zijn zin had afgegeven, vervolgens ook daadwerkelijk meegenomen. Dat de verdachte meende recht te hebben op een nieuwe pet, en hij de jas alleen als een soort onderpand onder zich hield totdat hij een nieuwe pet zou krijgen, maakt niet dat er geen sprake is geweest van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.

Ook het feit dat die jas een dag later aan aangever is teruggegeven, maakt dat niet anders. Onder bevoordeling als bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet elke verbetering van positie worden verstaan, mits deze verbetering (dit voordeel) economische waarde heeft. Hiervan is in dit geval sprake. Verder is de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de geweldshandelingen ondersteunend zijn geweest aan de afgifte van de jas. Immers, aangever wilde de jas niet afstaan en deed dat pas nadat hij was geschopt en geslagen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing in vereniging.

De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in bijlage II bij dit vonnis.

Feit 3

De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 15 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 12 mei 2024 (p. 221-224).

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

2hij op 30 maart 2024 te Oegstgeest, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas (met inhoud), die geheel aan die [aangever] toebehoorde, door- de sleutel uit het fietsslot (van de fiets van [aangever] ) te pakken, en- te duwen en tegen het hoofd te slaan, en- te trappen tegen een knie, en- te zeggen: 'Als jij je jas geeft, dan krijg jij je sleutels terug';

3hij op 30 maart 2024 te Oegstgeest, op de openbare weg (Aert van der Neslaan), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- het omsingelen en insluiten van die [aangever] (bij een muur), en - het slaan tegen het hoofd van die [aangever] , en- het trappen tegen een knie van die [aangever] , en- het met telefoons opnemen (en op sociale media plaatsen) van voornoemde handelingen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de feiten 2 en 3 sprake is van een voortgezette handeling. Het betreffen gelijksoortige feiten, waarbinnen de gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachten elkaar in tijd zodanig kort hebben opgevolgd dat gezegd kan worden dat er bij de verdachte tijdens die handelingen sprake was van één en hetzelfde wilsbesluit.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De op te leggen straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde taakstraf gematigd moet worden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten Op 30 maart 2024 heeft de verdachte, samen met anderen, openlijk geweld gepleegd tegen [aangever] . In een zeer korte tijd heeft aangever meerdere klappen en schoppen gekregen. Dat het niet erger is afgelopen, is niet aan het handelen van de verdachte te danken, maar aan het optreden van een omstander die de verdachte en zijn medeverdachte sommeerde te stoppen met het geweld. Het geweld is door de groep ook gefilmd en dit filmpje is daarna verspreid via social media. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort filmpjes lang op het internet kunnen blijven rondgaan en dat dit grote impact heeft op de slachtoffers. Nadat aangever klappen en schoppen had gekregen, heeft de verdachte, samen met anderen, aangever ook nog gedwongen om zijn jas met inhoud af te geven. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij volledig voorbij is gegaan aan de gevolgen van zijn daden voor aangever. Naast persoonlijk leed voor het slachtoffer leidt dit soort delicten ook tot maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Dat geldt temeer nu het onderhavige delict plaatsvond op klaarlichte dag, omstanders daar getuige van kunnen zijn en daar in dit geval ook daadwerkelijk getuige van waren.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 augustus 2026 waaruit volgt dat hij op 22 mei 2024 onherroepelijk veroordeeld is voor een soortgelijk feit, dat hij op 21 oktober 2024 onherroepelijk is veroordeeld voor onder meer (schuld)witwassen en dat hij in 2025 een strafbeschikking (geldboete) heeft gekregen voor een overtreding. De rechtbank zal daarom rekening houden met het bepaalde in artikel 63 Sr.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 30 juni 2026 en de mondelinge toelichting die door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt - kort samengevat - dat de Raad zich zorgen maakt over het middelengebruik, de beïnvloedbaarheid en de impulsiviteit van de verdachte.

Daar tegenover staat volgens de Raad dat de verdachte inmiddels is veranderd en een andere toekomst wil. Hij heeft samen met zijn ouders vrijwillig hulp gezocht en pakt die ook aan. Hij gaat momenteel naar school, heeft begeleiding van een jongerencoach en krijgt hulp van Brijder.

Redelijke termijn

De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn ruim overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen.

De rechtbank heeft deze overschrijding daarom in strafmatigende zin meegewogen.

Strafmodaliteit en strafmaat

Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het belangrijk is dat de verdachte ervaart dat zijn gedrag niet toelaatbaar is en dat hij hiervan een gevolg moet ondervinden. Een taakstraf is een passende straf om dit te bewerkstelligen. Volgens de door de rechtbank gehanteerde oriëntatiepunten vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud strafrecht (LOVS) voor de straftoemeting voor minderjarigen, is in soortgelijke zaken een hogere taakstraf op zijn plaats dan door de officier van justitie is geëist. Bij de oplegging van de straf houdt de rechtbank echter ook rekening met eerdergenoemde forse overschrijding van de redelijke termijn en met het feit dat het bepaalde in artikel 63 Sr van toepassing is. Ook houdt de rechtbank rekening met de positieve ontwikkeling die de verdachte heeft doorgemaakt en met het feit dat hij meewerkt aan hulp in het vrijwillig kader. Alles afwegende, acht de rechtbank daarom oplegging van de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 47, 56, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 141 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard, en kwalificeert dit als:

ten aanzien van feit 2 en 3

de voortgezette handeling van

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straf

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 40 (VEERTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 (TWINTIG) DAGEN;

bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter, voorzitter,

mr. E.E. Schotte, kinderrechter,

en mr. J.E. Bierling, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Wouters, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. Wouters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand