RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam 1] , eiser,
[naam 2] , eiser 1,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.63543 en NL26.63587
geboren op [geboortedatum 1] ,
V-nummer: [nummer 1] ,
en
geboren op [geboortedatum 2] ,
V-nummer: [nummer 2] ,
beiden van Pakistaanse nationaliteit,
hierna: eisers,
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
Procesverloop
1. Bij besluiten van 20 oktober 2026 (de bestreden besluiten) is aan eisers met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de besluiten tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgevingen worden gelijkgesteld met een ingesteld beroep. De beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 oktober 2026 op zitting behandeld. Eisers en hun gemachtigde zijn verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het opleggen en voortduren van de aan eisers opgelegde vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. De beroepen zijn ongegrond. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Eisers zijn op 19 oktober 2026 op Schiphol aangekomen en hebben daar te kennen gegeven een asielaanvraag te willen indienen. De minister heeft op 20 oktober 2026 het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eisers een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.
4. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de Screeningsverordening.
Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Lichter middel
5. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte standaard overgaat tot grensdetentie. Volgens hen blijkt dit ook uit het gehoor. Eisers wijzen erop dat er uitspraken zijn waaruit blijkt dat de werkwijze van de minister onrechtmatig is. Ook betogen eisers dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat grensdetentie noodzakelijk en evenredig is. Er is namelijk sprake van bijzondere, individuele medische omstandigheden. De standaardoverweging van de minister volstaat daartoe niet.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 2 september 2026, volgt dat de minister in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Die noodzaak hoeft niet nader te worden gemotiveerd, bijvoorbeeld door toe te lichten dat er een onderduikrisico bestaat. Dat is alleen anders in gevallen waarin een vreemdeling in grensdetentie wordt geplaatst om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Verder heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat de beoordeling of de minister in grensdetentiezaken met een lichter middel had moeten volstaan niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is, waardoor de minister van grensdetentie moet afzien.
De rechtbank is van oordeel dat de minister, met de aan eisers gestelde vragen, voldoende heeft onderzocht of grensdetentie voor hen onevenredig bezwarend is. Uit het verslag van het gehoor tot het uitstellen van de toegangsweigering blijkt dat aan eisers is medegedeeld dat het voornemen bestaat dat zij gedurende de behandeling van hun asielaanvraag in de asielgrensprocedure zullen verblijven in een gesloten detentiecentrum. Vervolgens zijn eisers in de gelegenheid gesteld om bijzondere of persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen die ertoe kunnen leiden dat wordt afgezien van het behandelen van hun asielaanvraag in een detentiecentrum. Er is onder andere gevraagd naar de medische omstandigheden van eisers. Eiser heeft desgevraagd verklaard dat hij doof is en eiser 1 heeft aangegeven dat hij autisme heeft. Ook is aan eisers gevraagd of zij medicijnen gebruiken. In antwoord hierop heeft eiser met nee geantwoord. Eiser 1 heeft aangegeven dat hij medicatie gebruikt voor een knobbel bij zijn blaas. In de bestreden besluiten heeft de minister wat dit betreft overwogen dat medische behandeling in het detentie- en uitzetcentrum beschikbaar is en dat deze medische zorg gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verder zijn eisers gevraagd of ze familieleden in Nederland of in de Europese Unie hebben die hier rechtmatig verblijven en zijn zij in de gelegenheid gesteld andere omstandigheden aan te voeren. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om eisers erin te volgen dat de minister onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de vraag of grensdetentie onevenredig bezwarend is. De minister heeft daarom in de bestreden besluiten terecht overwogen dat eisers geen feiten en omstandigheden hebben aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de maatregel onevenredig bezwarend is.
Verplichte grensprocedure
6. De minister heeft ter zitting aangegeven dat sprake is van een verplichte grensprocedure. Eisers hebben immers de Pakistaanse nationaliteit en daarbij geldt een Europees inwilligingspercentage van minder dan 20%.
De rechtbank stelt vast dat uit de bestreden besluiten niet is gebleken dat de minister een verplichte grensprocedure op grond van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening heeft toegepast. Dit laat echter onverlet dat grensdetentie ook kan worden toegepast in gevallen waarin de minister daartoe niet verplicht is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de bestreden besluiten goed gemotiveerd dat grensdetentie noodzakelijk en evenredig is.
Conclusie en gevolgen
7. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de aan eisers opgelegde vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.
8. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.