ECLI:NL:RBDHA:2026:32184

ECLI:NL:RBDHA:2026:32184

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 02-11-2026
Zaaknummer 09-288340-25, 09-286495-22 (tul) en 09-181700-23 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

jeugdstrafrecht, onderzoek gemaal, veroordeling voor afpersing, overschrijding redelijke termijn, afwijzingen tullen want niet opportuun, rechtbank ziet aanleiding om vordering tot schadevergoeding niet hoofdelijk op te leggen maar in ongelijke delen aan iedere dader afzonderlijk afgestemd op ieders rol

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 09-288340-25, 09-286495-22 (tul) en 09-181700-23 (tul)

Datum uitspraak: 13 oktober 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] (hierna: de verdachte),

geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,

op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in Forensisch Centrum [naam] te [plaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 14 september 2026 (inhoudelijke behandeling) en 29 september 2026 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting).

De officier van justitie in deze zaak is mr. K. van Diemen en de raadsman van de verdachte is mr. E.R. Schenkhuizen. De verdachte is op de terechtzitting van 14 september 2026 verschenen.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 4 augustus 2024 te Oegstgeest, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een bankpas (en pincode) en/of een geldbedrag van 50 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n) door

- tegen die [aangever] te zeggen: 'Als je iets probeert steek ik je neer, dus beter werk je mee', althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking, en/of

- te zeggen dat die [aangever] zijn pinpas en pincode moet afgeven, en/of

- die [aangever] een betaallink (Tikkie) toe te sturen en/of te tonen (voor 50 euro).

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.

Gebruikte bewijsmiddelen en bewijsoverweging

De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.

Aangever heeft verklaard dat de verdachte degene is geweest die hem heeft bedreigd door te zeggen: “Als je iets probeert dan steek ik je neer, dus beter werk je mee” en “Loop mee en dan gaan we pinnen en dan gebeurt er niks”. De rechtbank acht deze verklaring van aangever betrouwbaar, nu die op meerdere punten wordt ondersteund door de verklaring van de verdachte zelf, de verklaringen van medeverdachten en de beelden. Tevens volgt uit de bewijsmiddelen, waaronder uit de ter zitting afgespeelde beelden, dat aangever in het water moest springen onder druk van de groep jongeren, waartoe de verdachte behoorde. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat dit te maken had met het feit dat aangever de verdachte geld moest terugbetalen en dat hij daarom zijn pinpas en pincode moest afgeven. Een vriend van de verdachte zou daarmee geld gaan pinnen en toen bleek dat dat niet mogelijk was, heeft aangever via die vriend een Tikkie van € 50,- ten behoeve van de verdachte moeten betalen. De rechtbank is van oordeel dat, gezien deze gang van zaken, sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, onder wie [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De verdachte en zijn medeverdachten hebben gedurende de gehele afpersing als groep geopereerd. Zo heeft de verdachte de afpersing geïnitieerd en aangever bedreigd, terwijl medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gefilmd en de groep getalsmatig heeft versterkt. [medeverdachte 1] heeft meegewerkt aan de afpersing door met de pinpas en pincode van aangever naar de pinautomaat te gaan en aangever een Tikkie te sturen.

De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde, te weten een afpersing in vereniging.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op 4 augustus 2024 te Oegstgeest, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een bankpas (en pincode) en een geldbedrag van 50 euro, die geheel aan die [aangever] toebehoorden door- tegen die [aangever] te zeggen: 'Als je iets probeert steek ik je neer, dus beter werk je mee', en- te zeggen dat die [aangever] zijn pinpas en pincode moet afgeven, en - die [aangever] een betaallink (Tikkie) toe te sturen (voor 50 euro).

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. Voorzover de verdediging heeft verzocht om de verdachte vanwege zijn problematiek te ontslaan van alle rechtsvervolging, strandt dat verzoek bij gebrek aan voldoende onderbouwing daarvoor.

6. De op te leggen straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van vier weken met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat in geval van bewezenverklaring aan de verdachte een geheel voorwaardelijke jeugddetentie moet worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit De verdachte heeft samen met anderen aangever afgeperst. Hierin heeft de verdachte een belangrijke, initiërende, rol gehad. Aangever werd bedreigd en moest zijn pinpas en pincode afgeven, waarbij iedereen kon horen wat zijn pincode was. Hij moest in het koude water springen en werd toen uitgelachen door de groep. Daarna moest aangever, omdat het pinnen niet lukte, nog een Tikkie betalen. Dit is een angstige en vernederende ervaring voor aangever geweest. Dit alles is ook nog gefilmd door de groep en op social media geplaatst. Zowel uit de aangifte als uit de onderbouwing van zijn schadevergoedingsvordering blijkt dat onder andere dit feit een enorme impact op aangever heeft gehad. Zo heeft aangever zich gedurende een langere periode zeer onveilig gevoeld, durfde hij niet naar buiten en had hij last van slaapproblemen en flashbacks.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 augustus 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte voorafgaande aan het huidige feit onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat hij ten tijde van het plegen van het huidige feit in twee proeftijden liep. Ook houdt de rechtbank rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, nu de verdachte op 13 juli 2026 onherroepelijk is veroordeeld voor feiten die hij begin dit jaar heeft gepleegd.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 6 juli 2026 en de mondelinge toelichting die door de deskundigen ter zitting is gegeven. Daaruit volgt - kort samengevat - dat de Raad zich al langere tijd zorgen maakt over de ontwikkeling en de houding van de verdachte. Het algemeen recidiverisico komt uit op heel hoog. In de strafzaak, waarvoor de verdachte thans in voorlopige hechtenis zit, is een NIFP-rapportage omtrent de persoon van de verdachte aangevraagd. De Raad is van mening dat het in het kader van een voorwaardelijk strafdeel opleggen van specifieke bijzondere voorwaarden, waaronder toezicht door de jeugdreclassering, meer passend is in die zaak. Op basis van de uitkomst van het persoonlijkheidsonderzoek van de verdachte in die zaak kan namelijk beter beoordeeld worden welke bijzondere voorwaarden passend zijn. Gelet hierop adviseert de Raad in het rapport van 6 juli 2026 in de huidige zaak een geheel voorwaardelijke jeugddetentie zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Ter terechtzitting heeft de Raad zich in verband met die andere strafzaak en die NIFP-rapportage ten slotte - kort gezegd - gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Redelijke termijn

De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn ruim overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen.

De rechtbank heeft deze overschrijding daarom in strafmatigende zin meegewogen.

Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank kan zich vinden in de eis van de officier van justitie. De rechtbank is van oordeel dat het, gezien de ruime overschrijding van de redelijke termijn, niet langer passend is om aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, een straf die in soortgelijke zaken wel wordt opgelegd. Wel moet de verdachte er, gezien de ernst van het feit, van doordrongen worden dat zijn gedrag niet toelaatbaar is. Ter zitting is gebleken dat eerder opgelegde werkstraffen door de verdachte (nog) niet zijn uitgevoerd en dat het daarbij om een substantieel aantal uren gaat die hij nog moet verrichten. Dit weegt mee bij het oordeel van de rechtbank om nu niet opnieuw een werkstraf op te leggen aan de verdachte. De rechtbank acht daarom passend en geboden om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van vier weken op te leggen onder de algemene voorwaarde dat de verdachte binnen de proeftijd van twee jaren niet opnieuw een strafbaar feit pleegt.

7. De vordering van de benadeelde partij [aangever]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft verzocht om de verplichting tot schadevergoeding hoofdelijk op te leggen aan de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Ook is een proceskostenveroordeling verzocht en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gezien de verzochte vrijspraak, primair niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij bepleit. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat er geen sprake is van causaal verband tussen het aandeel dat de verdachte heeft gehad in de gebeurtenissen en de gestelde schade. De verdachte is immers niet aanwezig geweest bij het latere openlijk geweld tegen dan wel de bedreiging van aangever.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt en dat de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gezamenlijk deze schade moeten vergoeden. De rechtbank neemt hierbij overigens in aanmerking dat verdachte niet aanwezig is geweest bij het openlijke geweld dat later tegen aangever is gepleegd en de bedreiging die later tegen hem is geuit en dat verdachte en zijn medeverdachten bij de gebeurtenissen elk een andere rol hebben gespeeld. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om de verplichting tot betaling niet hoofdelijk op te leggen, maar in ongelijke delen aan iedere verdachte afzonderlijk. Bij het vaststellen van de hoogte van het te betalen bedrag per verdachte heeft de rechtbank gekeken naar de rol die de verdachte heeft gehad in het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de rol van de verdachte bij de afpersing in vereniging maakt dat hij verantwoordelijk kan worden gehouden voor de aan aangever toegebrachte schade ten bedrage van € 200,- en dat hij dat bedrag aan aangever moet betalen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 4 augustus 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.

De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 200,- vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8. De vorderingen tot tenuitvoerlegging

De vorderingen van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen omdat het niet opportuun is die ten uitvoer te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft afwijzing van de vorderingen verzocht.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, net als de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging moeten worden afgewezen. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de strafoplegging in de huidige zaak en met de ouderdom van deze zaak en de zaken waarop de vorderingen betrekking hebben. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte in oktober 2026 opnieuw voor de meervoudige kamer van de rechtbank moet verschijnen voor de feiten waarvoor hij thans in voorlopige hechtenis zit. Daarnaast moet de verdachte nog een substantieel aantal uren werken in verband met eerder opgelegde werkstraffen. Gelet op al die omstandigheden acht de rechtbank volledige dan wel gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde werkstraffen nu niet opportuun.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard, en kwalificeert dit als:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straf

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 4 (VIER) WEKEN;

bepaalt, dat die straf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (TWEE) JAREN vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever] , een bedrag van € 200,- bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 200,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

de vordering tenuitvoerlegging 09-286495-22

wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, opgelegd bij vonnis van 23 februari 2023 in de zaak met parketnummer 09-286495-22 af;

de vordering tenuitvoerlegging 09-181700-23

wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, opgelegd bij vonnis van 8 december 2023 in de zaak met parketnummer 09-181700-23 af.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter, voorzitter,

mr. E.E. Schotte, kinderrechter,

en mr. J.E. Bierling, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Wouters, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. Wouters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand