ECLI:NL:RBDHA:2026:32185

ECLI:NL:RBDHA:2026:32185

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 02-11-2026
Zaaknummer 09-162682-25 en 09-254677-24 (ttz. gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

jeugdstrafrecht, onderzoek gemaal, veroordeling voor meerdere openlijke geweldplegingen tegen personen en een mishandeling, overschrijding redelijke termijn, lange schorsing vh met avondklok, rechtbank ziet aanleiding om vordering tot schadevergoeding niet hoofdelijk op te leggen maar in ongelijke delen aan iedere dader afzonderlijk afgestemd op ieders rol

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 09-162682-25 en 09-254677-24 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 13 oktober 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:

[verdachte] (hierna: de verdachte),

geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 14 september 2026 (inhoudelijke behandeling) en 29 september 2026 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting).

De officier van justitie in deze zaak is mr. K. van Diemen en de raadsman van de verdachte is mr. J.W. Grift, als waarnemer van mr. A.T.C. Castermans. De verdachte is op de terechtzitting van 14 september 2026 verschenen.

2. De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

onder dagvaarding I met parketnummer 09-254677-24

poging tot zware mishandeling (primair) of mishandeling (subsidiair) van [aangever 1] op 27 juli 2024 te Leimuiden.

onder dagvaarding II met parketnummer 09-162682-25

3. De beoordeling van de tenlastegelegde feiten

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van de onder dagvaarding II onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en heeft zich met betrekking tot het onder dagvaarding II onder 3 en het onder dagvaarding I tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Op specifieke (bewijs)verweren zal hieronder - indien noodzakelijk - nader worden ingegaan.

Oordeel van de rechtbank

Dagvaarding I met parketnummer 09-254677-24

De rechtbank zal voor het (primaire) feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 14 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 1 augustus 2024 (p. 10-14);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 6 augustus 2024 (p. 26-37).

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van de verdachte, nu er met geschoeide voet en met kracht is geschopt tegen het achterhoofd van aangever, kwalificeert als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dit heeft ter terechtzitting ook niet ter discussie gestaan.

Dagvaarding II met parketnummer 09-162682-25

Feit 1

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte (een deel van) de gebeurtenissen weliswaar heeft gefilmd, maar dat het filmen alleen niet als een voldoende significante bijdrage aan het openlijk geweld kan worden aangemerkt.

De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien er een voldoende significante of wezenlijke bijdrage wordt geleverd aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

De verdachte heeft verklaard dat hij met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] naar aangever, [aangever 2] , is gegaan. Hij heeft de geweldshandelingen gefilmd in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 1] en heeft het filmpje vervolgens naar [medeverdachte 1] gestuurd.

In totaal zouden er volgens de verdachte ongeveer zeven personen aanwezig zijn geweest.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de verdachte er ook bij was, dat niemand wegrende en dat iedereen juist “wo, wo, wo” riep.

De rechtbank stelt vast dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2] . Het aanwezig zijn met meerdere personen en het, naar kan worden vastgesteld van korte afstand, filmen hebben echter wel bijgedragen aan de sfeer van ontremming waarin anderen dan de verdachte tot fysiek en vernederend geweld zijn overgegaan. Tevens is de verdachte steeds bij de groep gebleven en heeft hij, toen het geweld begon, geen afstand genomen. Daarmee heeft hij de groep continu getalsmatig versterkt. Ten slotte is hij het geweld blijven filmen en heeft hij het filmpje doorgestuurd. Gelet hierop moet de bijdrage van de verdachte aan het openlijk geweld als wezenlijk en daarmee voldoende significant worden aangemerkt. De rechtbank acht het feit daarom wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in bijlage II bij dit vonnis.

Feit 2

De raadsman heeft betoogd dat er, bij het afhandig maken van € 50,- van [aangever 3] , geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met de andere aanwezigen en dat daarom vrijspraak moet volgen. De verdachte was immers alleen op enige afstand aanwezig, heeft geen bedreigingen geuit en heeft zich ook niet beziggehouden met het pinnen, de pinpas, de pincode of het versturen van een Tikkie, aldus de raadsman.

Om tot een bewezenverklaring van afpersing te kunnen komen moet vastgesteld kunnen worden dat de verdachte zowel opzet had op de tenlastegelegde geuite bedreigingen als op afgifte van de pinpas (en pincode) en/of het geldbedrag (wederrechtelijke bevoordeling).

Aangever heeft verklaard dat de verdachte, samen met anderen, om hem heen kwam staan en dat hij werd omsingeld. Aangever werd vervolgens bedreigd door medeverdachte [medeverdachte 4] . Er werd gefilmd en aangever moest zijn pinpas en pincode afgeven. Medeverdachte [medeverdachte 5] is vervolgens met de pinpas naar een pinautomaat gefietst. Aangever moest vervolgens in het water springen van [medeverdachte 4] . Toen de pinautomaat dicht bleek te zijn, kreeg hij een Tikkie van medeverdachte [medeverdachte 5] dat hij moest betalen.

De verdachte heeft verklaard dat aangever problemen had met medeverdachte [medeverdachte 2] en dat ze daarom met zeven personen naar aangever toe zijn gegaan. Aangever is vervolgens, samen met [medeverdachte 4] , richting een brug gelopen en is daar, op commando van [medeverdachte 4] , in het water gesprongen. Aangever heeft dit volgens de verdachte mogelijk gedaan omdat hij bang was, nu ze met zoveel personen waren. Ten tijde van het in het water springen stond de verdachte, zo heeft hij verklaard, aan de andere kant van de brug.

Op de beelden die van het incident zijn gemaakt, is de verdachte niet te zien en op basis van de verklaringen in het dossier kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die op enig moment de pinpas van aangever in zijn handen heeft gehad. Evenmin volgt daaruit dat hij om de pinpas of de pincode of om een Tikkie heeft gevraagd.

De medeverdachten hebben niet verklaard over de rol die de verdachte heeft gehad ten tijde van het incident.

Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de druk die aangever heeft gevoeld en waardoor hij zich gedwongen voelde om in het water te springen. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat de verdachte ook een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het, met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, dwingen van aangever tot afgifte van de pinpas, de pincode en/of het geldbedrag. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van dit feit.

Feit 3

De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, Sv volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 14 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 31 maart 2024 (p. 367-372).

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Onder dagvaarding I met parketnummer 09-254677-24

primair

hij op 27 juli 2024 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] ( [geboortedatum 2] 2009), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever 1] (met kracht) van achteren tegen het hoofd heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Onder dagvaarding II met parketnummer 09-162682-25

1hij op 30 maart 2024 te Oegstgeest, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg (Aert van der Neslaan), in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- het omsingelen en insluiten van die [aangever 2] (bij een muur), en- het slaan tegen het hoofd van die [aangever 2] , en - het trappen tegen een knie van die [aangever 2] , en - het met telefoons opnemen (en op sociale media plaatsen) van voornoemde handelingen;

3hij op 4 augustus 2024 te Oegstgeest, op de openbare weg (Haarlemmerstraatweg), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 3] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- het op de knieën laten zitten van die [aangever 3] , en - het omsingelen van die [aangever 3] , en - het schoppen tegen de ribben van die [aangever 3] , en - het trappen tegen de nek van die [aangever 3] , en - het (meermalen) stompen/slaan tegen een jukbeen van die [aangever 3] , en

- het zeggen tegen die [aangever 3] : 'Als je het aan de Politie vertelt en ik kom erachter, dan schiet ik jou, je familie en je vrienden neer', en

- het met telefoons opnemen (en op sociale media plaatsen) van voornoemde handelingen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De op te leggen straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 80 uren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, in geval van bewezenverklaring van één of meerdere feiten, bij de strafbepaling rekening te houden met de ouderdom van de feiten, het succesvolle mediation-traject van de verdachte met aangever [aangever 3] en de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Oplegging van een forse onvoorwaardelijke taakstraf brengt volgens de verdediging meer schade toe dan dat het iets oplevert.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten De verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan drie ernstige strafbare feiten.

Op 30 maart 2024 heeft de verdachte zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen [aangever 2] . In een zeer korte tijd heeft aangever meerdere klappen en schoppen gekregen. De verdachte heeft de groep getalsmatig versterkt en hij heeft het door zijn medeverdachten gebruikte geweld gefilmd en het filmmateriaal vervolgens verspreid. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort filmpjes lang op het internet kunnen blijven rondgaan en dat dit grote impact heeft op slachtoffers.

Op 27 juli 2024 heeft de verdachte gepoogd [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem hard tegen zijn achterhoofd te trappen. Dat het fysieke letsel, dat aangever opliep, meeviel is niet aan het handelen van de verdachte te wijten, want het had - zoals volgt uit de verklaring van de huisarts - heel anders kunnen aflopen. Voordat de verdachte [aangever 1] hard trapte, had deze al op zijn knieën moeten zitten en ‘sorry’ moeten zeggen. Dit alles is ook door anderen uit de aanwezige groep gefilmd en verspreid via social media. Zowel uit het dossier als uit hetgeen de ouders van aangever ter terechtzitting naar voren hebben gebracht, blijkt dat dit feit een enorme impact op aangever heeft gehad en nog steeds heeft.

Vervolgens heeft de verdachte zich op 4 augustus 2024 schuldig gemaakt aan openlijk geweld jegens aangever [aangever 3] . Aangever is, nadat hij eerst was gedwongen om in het water te springen, terwijl hij nat en koud was, door de aanwezige groep op een andere plek op zijn knieën gezet, gedwongen om ‘sorry’ te zeggen en veelvuldig geslagen en getrapt. Tijdens dit geweld heeft de verdachte aangever ook nog hard tegen zijn nek getrapt.

Dit alles is ook gefilmd door de groep en op social media geplaatst. Op dit filmpje is de kwetsbare positie van en de angst bij aangever goed zichtbaar. Verder blijkt zowel uit het dossier als uit de slachtofferverklaring dat dit feit een enorme impact op aangever heeft gehad. Aangever heeft zich gedurende een langere periode zeer onveilig gevoeld. Zo durfde hij niet naar buiten en had hij last van slaapproblemen en flashbacks.

Naast persoonlijk leed voor de slachtoffers leidt dit soort delicten ook tot maatschappelijke

onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Dat geldt temeer nu de onderhavige delicten plaatsvonden op klaarlichte dag en ook omstanders daarvan getuige zijn geweest.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij volledig voorbijgegaan is aan de gevolgen van zijn daden voor de slachtoffers.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 augustus 2026, waaruit volgt dat de verdachte in 2025 tweemaal een strafbeschikking heeft gekregen, één keer voor een Wet Wapens en Munitie-feit en één keer voor een verkeersfeit.

De rechtbank zal daarom rekening houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en Jeugdbescherming west en van de mondelinge toelichting die daarop door de deskundigen ter terechtzitting is gegeven. Daaruit volgt - kort samengevat - dat de kans op herhaling op dit moment als laag wordt ingeschat. De verdachte volgt onderwijs, heeft zijn behandeltraject bij De Waag positief doorlopen, moet zich al ruim 2,5 jaar houden aan (bijzondere) voorwaarden die hem in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn opgelegd en heeft zich goed aan die voorwaarden - waaronder een avondklok - gehouden. Inmiddels heeft de verdachte een andere vriendengroep waarover geen zorgen zijn. De jeugdreclassering heeft aangegeven geen doelen meer te zien om aan te werken.

Redelijke termijn

De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaken is die termijn ruim overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen.

De rechtbank heeft deze overschrijding daarom in strafmatigende zin meegewogen.

Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en naar de oriëntatiepunten, vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor de straftoemeting voor minderjarigen.

Ondanks de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige geweldsfeiten, waarvoor in soortgelijke zaken onvoorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd, vindt de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie in dit geval niet passend. Er is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn, de situatie als bedoeld in artikel 63 Sr is aan de orde en de verdachte heeft zich ruim 2,5 jaar aan strenge voorwaarden, waaronder een avondklok, moeten houden. Daarnaast heeft de verdachte verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen, heeft hij een positief mediation-traject doorlopen met aangever [aangever 3] , heeft hij zijn behandeling met goed gevolg afgerond, heeft hij dagbesteding en heeft hij afstand genomen van zijn antisociale vriendengroep. Voorts heeft de verdachte zich niet opnieuw schuldig gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten. Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank om bovenstaande redenen ook geen aanleiding om een voorwaardelijke jeugddetentie aan de verdachte op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat het gewelddadige handelen van de verdachte wel maakt dat hem een forse taakstraf moet worden opgelegd. De verdachte moet ervaren dat zijn gedrag niet toelaatbaar is. De rechtbank zal daarom – mede gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten - aan de verdachte een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, opleggen voor de duur van 120 uren en de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht hierop in mindering brengen.

7. De vordering van de benadeelde partij [aangever 3] (dagvaarding II feit 3)

[aangever 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft verzocht om de vordering hoofdelijk op te leggen aan de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] . Ook is een proceskostenveroordeling en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en heeft de rechtbank in overweging gegeven rekening te houden met het bedrag van € 100,- dat de verdachte in het kader van het mediation-traject aan aangever heeft betaald.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair afwijzing van de vordering dan wel niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering bepleit. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om een lager bedrag dan gevorderd toe te wijzen en om af te zien van hoofdelijke veroordeling. Er kan immers geen onderscheid gemaakt worden tussen het gedeelte van de schade dat is ontstaan door de afpersing - waarvoor vrijspraak is verzocht - en het gedeelte dat is ontstaan door de openlijke geweldpleging. De raadsman heeft voorts gewezen op het in het kader van het mediation-traject betaalde bedrag van € 100,- en op het ontbreken van onderbouwing van het gestelde geestelijk letsel.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder dagvaarding II onder feit 3 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt en dat de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] deze schade samen moeten vergoeden. Nu de verdachte en zijn medeverdachten bij de gebeurtenissen ieder een eigen rol hebben vervuld, ziet de rechtbank aanleiding om de vordering niet hoofdelijk op te leggen, maar in ongelijke delen aan iedere verdachte afzonderlijk. Bij het vaststellen van de hoogte van het te betalen bedrag per verdachte heeft de rechtbank gekeken naar de rol die de verdachte heeft gehad bij de gebeurtenissen op 4 augustus 2024.

De rechtbank is van oordeel dat de rol van de verdachte in het toegepaste geweld maakt dat hij een bedrag van € 400,- aan de benadeelde partij moet betalen. Nu de verdachte geen betaalbewijs heeft overgelegd van de volgens hem reeds betaalde € 100,-, zal de rechtbank dit bedrag hierop niet (alvast) in mindering brengen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 4 augustus 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.

De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder dagvaarding II onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 400,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 3] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

36f, 45, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77gg, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder dagvaarding II met parketnummer 09-162682-25 onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder dagvaarding I met parketnummer 09-254677-24 primair en de onder dagvaarding II met parketnummer 09-162682-25 onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard, en kwalificeert dit als:

dagvaarding I met parketnummer 09-254677-24 primair

poging tot zware mishandeling;

dagvaarding II met parketnummer 09-162682-25

ten aanzien van feit 1: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

ten aanzien van feit 3: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straf

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 120 (HONDERDTWINTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 DAGEN;

bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag (totale aftrek 4 uren);

de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] (dagvaarding II - feit 3)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 3] , een bedrag van € 400,- bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 400,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

het bevel tot voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.E. Bierling, kinderrechter, voorzitter,

mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter,

en mr. E.E. Schotte, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Wouters, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. Wouters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand