Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-178961-25
Datum uitspraak: 13 oktober 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] (hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 14 september 2026 (inhoudelijke behandeling) en 29 september 2026 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting).
De officier van justitie in deze zaak is mr. K. van Diemen en de raadsvrouw van de verdachte is mr. L. Rijsdam. De verdachte is op de terechtzitting van 14 september 2026 verschenen.
2. De tenlastelegging
De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
1. afpersing in vereniging van [aangever] op 4 augustus 2024 te Oegstgeest;
2. openlijk geweld tegen [aangever] op 4 augustus 2024 te Oegstgeest.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde en zich daarbij op het standpunt gesteld dat sprake is van samenloop.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde feit bepleit en zich met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op specifieke (bewijs)verweren zal hieronder - indien noodzakelijk - nader worden ingegaan.
Vrijspraak
Feit 1
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat de verdachte er weliswaar bij was, maar dat hij niet heeft gehoord wat er precies gebeurde en dat hij ook niet heeft gehoord en gezien dat aangever zijn pinpas en pincode moest afgeven. De naam van de verdachte wordt door aangever ook niet genoemd in relatie tot het afgeven van de pinpas en de pincode. Zijn rol is beperkt gebleven tot het aanwezig zijn en dat is onvoldoende voor bewezenverklaring van dit feit, aldus de raadsvrouw.
Om tot een bewezenverklaring van afpersing te kunnen komen moet vastgesteld kunnen worden dat de verdachte zowel opzet had op het toegepaste geweld als op afgifte van de pincode en pinpas en/of het geldbedrag (wederrechtelijke bevoordeling).
Aangever heeft verklaard dat de verdachte, samen met anderen, om hem heen kwam staan en dat hij werd omsingeld. Aangever werd vervolgens bedreigd door medeverdachte [medeverdachte 1]. Er werd gefilmd en aangever moest zijn pinpas en pincode afgeven. Medeverdachte [medeverdachte 2] is vervolgens met de pinpas van aangever naar de pinautomaat gefietst. Aangever moest van [medeverdachte 1] vervolgens in het water springen. Toen de pinautomaat dicht bleek te zijn, kreeg aangever een Tikkie van medeverdachte [medeverdachte 2] dat hij moest betalen.
De verdachte heeft verklaard dat hij met vrienden naar de plek waar aangever was is gegaan en dat hij vervolgens met aangever en de anderen naar een brug is gelopen. De verdachte zou toen als grap tegen aangever hebben gezegd: “Heb je geen zin om te zwemmen?”
De verdachte heeft niet gehoord dat anderen tegen aangever zeiden dat hij in het water moest springen. Op enig moment deed aangever zijn kleren uit en hij gaf die aan de verdachte. De verdachte heeft de jas en telefoon voor aangever vastgehouden en deze aan hem teruggegeven toen hij uit het water kwam. De verdachte heeft niet gehoord dat er om de pinpas en pincode van aangever werd gevraagd en heeft ook niet gezien dat hij die heeft afgegeven.
Uit het dossier volgt ook niet dat de verdachte op enig moment de pinpas van aangever in zijn handen heeft gehad, dan wel dat hij om de pinpas of de pincode of om een Tikkie heeft gevraagd.
De medeverdachten hebben niet verklaard over de rol die de verdachte heeft gehad ten tijde van het incident.
Uit de verklaringen in het dossier blijkt dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de druk die aangever heeft gevoeld en waardoor hij zich gedwongen voelde om in het water te springen. De verdachte was immers onderdeel van de groep die aangever omsingelde. Verder had hij kort daarvoor tegen aangever een grap gemaakt over in het water springen. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat de verdachte ook een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het, met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, dwingen van aangever tot afgifte van de pinpas, de pincode en/of het geldbedrag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gebruikte bewijsmiddelen
Feit 2
De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 14 september 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 8 augustus 2024 (p. 367-372).
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
2.
hij op 4 augustus 2024 te Oegstgeest, op de openbare weg (Haarlemmerstraatweg), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- het op de knieën laten zitten van die [aangever], en - het omsingelen van die [aangever], en - het schoppen tegen de ribben van die [aangever], en - het trappen tegen de nek van die [aangever], en - het (meermalen) stompen/slaan tegen een jukbeen van die [aangever], en
- het zeggen tegen die [aangever]: 'Als je het aan de Politie vertelt en ik kom erachter, dan schiet ik jou, je familie en je vrienden neer', en
- het met telefoons opnemen (en op sociale media plaatsen) van voornoemde handelingen.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De op te leggen straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 50 uren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om een lagere werkstraf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd, gezien het aanzienlijke tijdsverloop sinds de tenlastegelegde feiten zijn gepleegd en de grote gevolgen die het feit dat deze strafzaak niet eerder is afgewikkeld voor de verdachte hebben gehad.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan openlijk geweld jegens aangever. Aangever is, nadat hij eerst was gedwongen om in het water te springen, terwijl hij nat en koud was, door de groep op een andere plek op zijn knieën gezet, gedwongen om ‘sorry’ te zeggen en veelvuldig geslagen en hard tegen zijn nek getrapt. Daarna heeft de verdachte nog handschoenen aangetrokken en aangever tweemaal in zijn gezicht geslagen. Dit alles is ook gefilmd door de verdachte en de groep en op social media geplaatst. Op dit filmpje is de kwetsbare positie van aangever duidelijk zichtbaar en ook is daarop te zien dat aangever bang was. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort feiten nog langdurig gevolgen daarvan kunnen ondervinden.
Naast persoonlijk leed voor de slachtoffers leidt dit soort delicten ook tot maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij, temeer nu het onderhavige delict plaatsvond op klaarlichte dag en ook omstanders daarvan getuige hadden kunnen zijn.
De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij volledig voorbijgegaan is aan de gevolgen van zijn daden voor het slachtoffer.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het blanco strafblad van de verdachte van 11 augustus 2026.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 29 juni 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt - kort samengevat - dat de verdachte een belaste jeugd heeft gehad en dat hij vanwege problemen met zijn verblijfsvergunning en paspoort - die mede zijn veroorzaakt door de lange looptijd van deze strafzaak - zijn werk is kwijtgeraakt. Ook heeft hij geen andere structurele dagbesteding en zijn er zorgen over zijn middelengebruik. Positief is dat de verdachte aan het minderen is met zijn middelengebruik, dat hij hulp heeft gezocht voor de traumatische ervaringen uit zijn jeugd en dat hij afstand heeft genomen van personen die een negatieve invloed op hem hadden. Verder is ter zitting gebleken dat de verdachte inmiddels weer een verblijfsvergunning heeft en dat hij zicht heeft op een baan bij zijn voormalige werkgever.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn ruim overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen.
De rechtbank heeft deze overschrijding daarom in strafmatigende zin meegewogen.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank kan zich vinden in het advies van de Raad. Nu de rechtbank minder feiten bewezen heeft verklaard dan de officier van justitie bewezen acht, ziet de rechtbank wel aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie.
De rechtbank acht het, gezien de ernst van het feit, passend en geboden om aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen voor de duur van 40 uren.
De verdachte moet ervaren dat zijn gedrag niet toelaatbaar is.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard, en kwalificeert dit als:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 40 (VEERTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 (TWINTIG) DAGEN;
bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.E. Schotte, kinderrechter, voorzitter,
mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter,
en mr. J.E. Bierling, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Wouters, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 oktober 2026.