ECLI:NL:RBDHA:2026:32187

ECLI:NL:RBDHA:2026:32187

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-10-2026
Datum publicatie 02-11-2026
Zaaknummer NL24.18377 en NL26.63670
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Terugkeerbesluit en zwaar inreisverbod, beroepen ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL24.18377 en NL26.63670

(gemachtigde: mr. D. van Elp),

en

(gemachtigde: mr. C. Wezenbeek).

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2024 (bestreden besluit I) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld (zaaknummer NL24.18377).

Op 3 mei 2024 en 1 juli 2024 heeft eiser (aanvullende) beroepsgronden ingediend.

Bij besluit van 11 maart 2025 (bestreden besluit II) heeft verweerder het inreisverbod van 19 april 2024 opgeheven en tegen eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van 10 jaar uitgevaardigd. Tevens is bepaald dat eiser zal worden gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS) voor de duur van 10 jaar.

Op 26 maart 2025 heeft eiser hiertegen nadere beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft die gronden aangemerkt en geregistreerd als een apart beroep (zaaknummer NL26.63670).

Op 29 april 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 25 maart 2026 heeft eiser aanvullende beroepsgronden ingediend.

De rechtbank heeft de beroepen op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. van Beek. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Inleiding

1. Eiser heeft de Moldavische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1982. Hij is omstreeks april 2023 Nederland ingereisd.

Op 20 februari 2024 is eiser in voorlopige hechtenis gesteld. Op 19 april 2024 heeft verweerder het bestreden besluit I genomen.

Eiser heeft op 1 mei 2024 asiel aangevraagd. Bij besluit van 4 augustus 2024 heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 21 november 2024 (NL24.31512) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is op 20 december 2024 (202407188/1/V2) door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevestigd.

Op 21 oktober 2024 is eiser door de strafrechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar wegens – kort gezegd – opiumdelicten. Vervolgens heeft verweerder op 11 maart 2025 het bestreden besluit II genomen.

De bestreden besluiten

Het bestreden besluit I

2. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd, inhoudende dat eiser Nederland en de Europese Unie (EU) onmiddellijk dient te verlaten en terug dient te keren naar zijn land van herkomst, Moldavië. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland of de EU heeft. Verweerder heeft aan eiser een vertrektermijn onthouden, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft in dit verband, met toepassing van artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) in verbinding met paragraaf A3/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en

nationaliteit;

3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste

documenten;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder verder tegen eiser, met toepassing van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in verbinding met artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb, een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.

Het bestreden besluit II

3. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het bij het bestreden besluit I tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod opgeheven en tegen eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van 10 jaar uitgevaardigd, met toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, van de Vw in verbinding met artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb. Volgens verweerder vormt eisers gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Daarbij heeft verweerder gewezen op eisers strafrechtelijke veroordeling van 21 oktober 2024 tot een gevangenisstraf van 6 jaar, wegens opiumdelicten. Daarnaast heeft verweerder erop gewezen dat de misdrijven recent zijn gepleegd, dat uit het vonnis naar voren komt dat er sprake is van een tekortschietend normbesef, dat niet is gebleken dat eiser zijn normbesef en de omstandigheden die hebben geleid tot het plegen van de misdrijven heeft verbeterd en dat eiser blijft volharden in zijn stelling dat hij onterecht is veroordeeld.

Het oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank toetst de bestreden besluiten aan de hand van de beroepsgronden die eiser daartegen heeft aangevoerd.

Toetsing bestreden besluit I (NL24.18377)

Terugkeerbesluit

5. Eiser heeft tegen het bij het bestreden besluit I uitgevaardigde terugkeerbesluit aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er een risico op onttrekking bestaat. In dit verband heeft eiser alle zware en lichte gronden bestreden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Uit eisers verklaringen blijkt namelijk dat hij Nederland is ingereisd zonder dat hij in het bezit was van een paspoort, aangezien dit was ingenomen door de autoriteiten in Donetsk. Reeds hieruit volgt dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank eveneens terecht op het standpunt gesteld dat zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Als gevolg van het inreizen zonder paspoort, had eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland. Daarom diende hij van zijn aanwezigheid onmiddellijk melding te maken bij de korpschef (artikel 4.39 van het Vb). Dit heeft eiser bij binnenkomst, en ook in de periode daarna, niet gedaan. Daarmee heeft hij zich, zoals verweerder terecht stelt, onttrokken aan het toezicht op vreemdelingen.

Voorts heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat zware grond 3g zich feitelijk voordoet. Bij zijn aanhouding op 31 juli 2023 op verdenking van winkeldiefstal heeft eiser zich namelijk geïdentificeerd met een vals Pools paspoort en een vals Pools rijbewijs. Hieruit volgt dat eiser in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse documenten.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder in ieder geval de zware gronden 3a, 3b, en 3g, voor welke gronden kan worden volstaan met een feitelijke toelichting, aan het terugkeerbesluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Deze gronden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank reeds het standpunt van verweerder dragen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken (zie paragraaf A3/3.2 van de Vc). Daarom heeft verweerder, gelet op artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw, terecht aan eiser een vertrektermijn onthouden. De overige zware en lichte gronden behoeven gelet hierop geen bespreking. De onder 5. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.

Inreisverbod

6. Het bij het bestreden besluit I uitgevaardigde inreisverbod voor de duur van twee jaar, dat nog niet in werking was getreden, is bij het bestreden besluit II opgeheven. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden die tegen dit inreisverbod zijn aangevoerd niet te worden beoordeeld.

Slotsom

7. Uit het vorenstaande volgt dat geen van de aangevoerde beroepsgronden doel treft. Het beroep tegen het bestreden besluit I zal daarom ongegrond worden verklaard.

Toetsing bestreden besluit II (NL26.63670) Geactualiseerde refoulementbeoordeling

8. Eiser voert, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat, aan dat verweerder een geactualiseerde refoulementbeoordeling dient te maken. Dat heeft verweerder volgens eiser in het bestreden besluit II niet gedaan, althans onvoldoende. Volgens eiser kon verweerder niet volstaan met een verwijzing naar de asielprocedure en de stelling dat eiser geen andere omstandigheden heeft aangevoerd. Verweerder kent de afkomst van eiser en kan ook op grond van landeninformatie een beoordeling maken.

De rechtbank overweegt dat verweerder in het bestreden besluit II, anders dan eiser stelt, een geactualiseerde refoulementbeoordeling heeft gemaakt (zie pagina 2, derde alinea onder het kopje ‘Onmiddellijk vertrek’). Deze beoordeling is weliswaar summier, maar naar het oordeel van de rechtbank in dit geval toereikend. Bij in rechte vaststaand besluit van 4 augustus 2024 heeft verweerder namelijk eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat er geen gronden waren voor asielverlening. Dat is relatief kort vóór het bestreden besluit II. Eiser heeft niet gesteld dat er zich in die relatief korte periode gewijzigde individuele omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat hij bij terugkeer naar Moldavië nu wel een risico loopt op refoulement, en verder is niet door eiser gesteld en ook niet gebleken dat de algemene veiligheidssituatie in Moldavië in die relatief korte periode substantieel is verslechterd. Gelet hierop heeft verweerder in het bestreden besluit II naar het oordeel van de rechtbank kunnen volstaan met een verwijzing naar het afwijzende asielbesluit van 4 augustus 2024 en de toelichting dat eiser geen andere/nieuwe omstandigheden heeft aangevoerd, en op basis daarvan terecht gesteld dat eiser kan terugkeren naar Moldavië.

De handhaving van het terugkeerbesluit in het bestreden besluit II is dan ook niet in strijd met het beginsel van non-refoulement. Dit terugkeerbesluit kon dan ook dienen als basis voor het zware inreisverbod. De beroepsgrond slaagt niet.

Zwaar inreisverbod

9. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte een zwaar inreisverbod heeft uitgevaardigd. Verweerder heeft volgens eiser namelijk ten onrechte gesteld, althans ondeugdelijk gemotiveerd, dat zijn persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3579, stelt eiser dat verweerder niet kan volstaan met een verwijzing naar een veroordeling. Dat is wel wat verweerder in het bestreden besluit II (hoofdzakelijk) heeft gedaan. Daarnaast wijst eiser erop dat de misdrijven ten tijde van het besluit meer dan een jaar geleden hadden plaatsgevonden en dat het gaat om eisers eerste veroordeling. Dit is van belang voor de beoordeling van zijn gedrag.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:377, in de zaak Z.Zh. en I.O., en de daarop gebaseerde uitspraken van de Afdeling van 20 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3579, 2 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1550, en 4 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1725, volgt dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar vereist is dat het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder dient bij de beoordeling of daarvan sprake is alle feitelijke en juridische gegevens te betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Verweerder moet het resultaat van dit onderzoek laten blijken uit de motivering van het besluit. Als een vreemdeling voorafgaand aan het opleggen van een inreisverbod omstandigheden aanvoert op grond waarvan volgens hem geen sprake is van een gevaar voor de openbare orde, moet verweerder motiveren waarom die omstandigheden niet tot een ander oordeel leiden.

Eiser is bij vonnis van 21 oktober 2024 door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren, omdat hij zich in de periode van 15 januari 2024 tot en met 17 februari 2024 schuldig heeft gemaakt aan opiumdelicten. Uit dit vonnis blijkt dat eiser zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de grootschalige productie van synthetische harddrugs (4-CMC) en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid daarvan. Blijkens het vonnis vormt dit een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid en voor de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eisers persoonlijke gedrag een ‘werkelijke’ en ‘voldoende ernstige’ bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving, meer specifiek de openbare orde, vormt. Dit is door eiser ook niet zo zeer bestreden.

De discussie spitst zich vooral toe op de vraag of de hiervoor vastgestelde bedreiging voor de openbare orde nog ‘actueel’ is. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

Anders dan eiser stelt, heeft verweerder zijn actualiteitsbeoordeling in het bestreden besluit II niet alleen of hoofdzakelijk gebaseerd op de strafrechtelijke veroordeling van eiser, maar ook op andere feiten en omstandigheden. Zo heeft verweerder, naast de veroordeling, het tijdsverloop sinds het plegen van de opiumdelicten betrokken, alsmede de factoren die hebben bijgedragen aan het plegen van de misdrijven en de vraag of die factoren zijn weggenomen en of er sprake is van gedragsverbetering. Verweerder heeft in dit verband terecht gesteld dat het tijdsverloop sinds het plegen van de misdrijven (15 januari 2024 tot en met 17 februari 2024) ten tijde van het bestreden besluit II (11 maart 2025) relatief beperkt was. Ook heeft verweerder terecht gesteld en bij zijn beoordeling betrokken dat uit het vonnis van de strafrechter volgt dat eiser bij het plegen van de misdrijven alleen aan zijn eigen financieel gewin heeft gedacht en zich niet heeft bekommerd om de risico’s voor omwonenden, personen die in de buurt werken en de schadelijke gevolgen van eisers handelen voor anderen en het milieu. Verweerder stelt terecht dat dit getuigt van een tekortschietend normbesef. Verweerder heeft voorts terecht gesteld en bij zijn beoordeling betrokken dat niet is gebleken dat eiser de omstandigheden die hebben bijgedragen aan het plegen van de misdrijven (het streven naar eigen financieel gewin) en zijn tekortschietend normbesef heeft aangepakt en verbeterd. Integendeel, verweerder stelt terecht dat in eisers volhardende ontkenning dat hij de misdrijven heeft gepleegd een indicatie is gelegen dat eiser zijn tekortschietend normbesef juist niet heeft aangepakt en dat er geen sprake is van een gedragsverbetering. Dat eiser in detentie goed gedrag zou vertonen, is op zichzelf en in het licht van het vorenstaande onvoldoende om aan te nemen dat er sprake zou zijn van een bestendige gedragsverbetering (vgl. de Afdelingsuitspraken van 18 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1328, en van 7 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:73).

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit II terecht op het standpunt gesteld dat van eisers gedrag een actuele bedreiging voor de openbare orde uitgaat. Dat er slechts sprake is van één veroordeling, leidt niet tot een ander oordeel. Hieraan komt namelijk beperkt gewicht toe in verhouding met de ernst van de misdrijven, de (ten tijde van het bestreden besluit II) betrekkelijk recente pleegdatum, de omstandigheid dat niet is gebleken dat eiser de factoren die hebben bijgedragen aan het plegen van de misdrijven heeft aangepakt en eisers volhardende ontkenning. Daarbij komt nog dat eiser ten tijde van het plegen van de misdrijven pas korte tijd in Nederland verbleef.

Uit wat er hiervoor is overwogen volgt dat verweerder zich in het bestreden besluit II terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. Gelet hierop, en op artikel 66a, vierde lid, en zevende lid, aanhef en onder c, van de Vw in verbinding met artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb, heeft verweerder in beginsel terecht aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. De onder 9. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 van het EVRM

10. Eiser voert verder aan dat het inreisverbod in strijd is met zijn recht op familieleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij heeft een relatie met een Roemeense vrouw, met wie hij een kind heeft. Hij heeft verder een dochter van 16 jaar in Polen met wie hij goed contact heeft. Ook heeft eiser een broer in Nederland. Verweerder heeft zich van die omstandigheden onvoldoende rekenschap gegeven, zo stelt eiser.

Uit artikel 66a, achtste lid, van de Vw volgt dat verweerder om humanitaire of andere redenen kan afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Volgens paragraaf A4/2.2 van de Vc vaardigt verweerder geen inreisverbod uit als dit een schending van artikel 8 van het EVRM betekent.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit II naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er sprake is van beschermenswaardig familieleven tussen eiser en zijn gestelde partner en kind. Eisers antwoorden tijdens het gehoor voorafgaande aan het bestreden besluit II geven er namelijk niet zonder meer blijk van dat er sprake is een daadwerkelijke, en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen, relatie (paragraaf B7/8.3.1 van de Vc). Zo heeft eiser verklaard dat zij samenwonend zijn, maar kan hij niet vertellen waar zij dan samengewoond zouden hebben. Ook met de (deels in beroep) overgelegde stukken – foto’s, een handgeschreven verklaring van de partner en een bellijst uit de gevangenis – heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een daadwerkelijke, met een huwelijk op een lijn te stellen, relatie. Weliswaar volgt daaruit dat er contact is tussen eiser en zijn gestelde partner, maar daaruit blijkt niet hoe lang zij al samen zouden zijn, hoe zij hun relatie zouden hebben vormgegeven, en waar en hoe lang zij zouden hebben samengeleefd en -gewoond. Eiser heeft daarnaast ook geen objectieve stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij de vader is van het kind. Kortom: een voldoende objectieve onderbouwing van het gestelde familieleven tussen eiser en zijn gestelde partner en kind ontbreekt. Maar ook als het gestelde familieleven wel zou worden aangenomen, geldt dat niet is gebleken dat het inreisverbod een schending oplevert van artikel 8 van het EVRM. De gestelde partner heeft weliswaar de Roemeense nationaliteit, maar uit de overgelegde stukken volgt dat zij in Moldavië is geboren en dat ook het kind in juni 2024 in Chisinau, Moldavië, is geboren. Hieruit kan worden afgeleid, en het tegendeel is door eiser ook niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat eiser niet in de EU hoeft te zijn om bij zijn gestelde partner en kind te kunnen zijn, maar dat het gestelde familieleven ook buiten de EU, in Moldavië, kan worden vormgegeven.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit II voorts terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er sprake is van beschermenswaardig familieleven tussen eiser en zijn (ten tijde van het bestreden besluit II) vijftienjarige dochter in Polen. Uit de overgelegde stukken, waaronder de verklaring van de moeder van de dochter, blijkt dat er sprake is van contact op afstand tussen eiser en zijn dochter en dat zij elkaar incidenteel hebben bezocht (in Nederland). Nu verder echter niet is gebleken dat eiser en zijn dochter ooit feitelijk hebben samengeleefd en -gewoond en de frequentie en aard van het contact op afstand nauwelijks is geconcretiseerd, is het vorenstaande op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van hechte persoonlijke banden (paragraaf B7/8.3.1 van de Vc) tussen eiser en zijn dochter in Polen. Maar ook als wel zou worden aangenomen dat er sprake zou zijn van beschermenswaardig familieleven tussen eiser en zijn dochter in Polen, geldt dat niet is gebleken dat het inreisverbod een schending oplevert van artikel 8 van het EVRM. Het contact tussen eiser en zijn dochter heeft hoofdzakelijk op afstand plaatsgevonden en het inreisverbod belet eiser niet om het contact op dezelfde wijze voort te zetten, maar dan vanuit Moldavië. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat het voor eisers dochter onmogelijk zou zijn om eiser te bezoeken in Moldavië.

Met betrekking tot eisers broer, die in Nederland zou wonen, geldt dat eiser geen omstandigheden heeft aangedragen waaruit blijkt dat er sprake is van beschermenswaardig familieleven met hem.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het zware inreisverbod geen schending oplevert van artikel 8 van het EVRM. In hetgeen eiser heeft aangevoerd is dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder had moeten afzien van het opleggen van het inreisverbod. De onder 10. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.

Slotsom

11. Uit het vorenstaande volgt dat geen van de aangevoerde beroepsgronden slaagt. Het beroep tegen het bestreden besluit II zal daarom ongegrond worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit I (voor zover niet opgeheven bij het bestreden besluit II) en het bestreden besluit II in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.A. Groeneveld

Griffier

  • mr. M.M. Mercelina

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand