Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-270832-24, 09-162688-25 (ttz. gev.), 09-239548-25 (ttz. gev.) en 09-203938-26 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 13 oktober 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte] (hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van
11 september 2026 (inhoudelijke behandeling) en 29 september 2026 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting).
De officier van justitie in deze zaak is mr. K. van Diemen en de raadsman van de verdachte is mr. M.J. de Jongh. De verdachte is op de terechtzitting van 11 september 2026 verschenen.
2. De tenlasteleggingen
De verdenkingen komen er, na wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 09-162688-25, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Onder dagvaarding I met parketnummer 09-270832-24
Onder dagvaarding II met parketnummer 09-162688-25
3. openlijk geweld tegen [aangever 2] op 30 maart 2024 te Oegstgeest;
4. het vervaardigen in vereniging van een afbeelding van seksuele aard van [aangever 3] in de periode van 16 tot en met 18 juni 2024 te Oegstgeest;
5. het in vereniging openbaar maken van een visuele weergave van seksuele aard van [aangever 3] in de periode van 1 tot en met 24 juli 2024 te Oegstgeest, in de wetenschap dat die openbaarmaking nadelig voor [aangever 3] kon zijn;
6. het bedreigen van [aangever 3] op 18 juli 2024 te Oegstgeest;
7. afpersing in vereniging van [aangever 4] op 4 augustus 2024 te Oegstgeest;
8. openlijk geweld tegen (primair) of het bedreigen van (subsidiair) [aangever 4] op 4 augustus 2024 te Oegstgeest;
9. openlijk geweld gepleegd tegen (primair) of vernieling van (subsidiair) een raam van een woning op 13 juni 2024 te Leiderdorp;
10. mishandeling van [aangever 5] op 27 juli 2024 te Leimuiden.
Onder dagvaarding III met parketnummer 09-239548-25
Onder dagvaarding IV met parketnummer 09-203938-26
Opzet- en dan wel schuldwitwassen van scooters en/of scooteronderdelen in de periode van 26 februari 2026 tot en met 16 april 2026 te Oegstgeest.
De volledige tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. De beoordeling van de tenlastegelegde feiten
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder dagvaarding I onder feit 2 primair, het onder dagvaarding II onder feit 1 en het onder dagvaarding III onder feit 1 primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van de overige onder die dagvaardingen tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde onder dagvaarding I: feit 2 primair en feit 3 primair, onder dagvaarding II: feiten 1, 2, 3 en 10 en onder dagvaarding III: feit 1 primair. Wat betreft de overige onder de dagvaardingen I, II, III en IV tenlastegelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op specifieke (bewijs)verweren zal hieronder - indien noodzakelijk - nader worden ingegaan.
Het oordeel van de rechtbank
Dagvaarding I met parketnummer 09-270832-24
Feit 1
De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 september 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 23 augustus 2024 (p. 10-14).
Feit 2
De rechtbank is, net als de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde diefstal met (bedreiging met) geweld in vereniging. De rechtbank spreekt de verdachte hiervan daarom vrij.
De rechtbank zal voor het subsidiair tenlastegelegde feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, Sv volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 september 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 23 augustus 2024 (p. 15-18);
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , opgemaakt op 23 augustus 2024 (p. 19-22).
Feit 3
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de primair tenlastegelegde poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld in vereniging moet worden vrijgesproken omdat er geen sprake was van een begin van uitvoering.
Om van een strafbare poging te kunnen spreken is ingevolge artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) vereist dat het voornemen om het strafbare feit te plegen zich heeft geopenbaard door een begin van uitvoering.
De verdachte heeft verklaard dat hij op 12 december 2024 samen met de medeverdachte naar Den Haag is gegaan met het doel om een overval te plegen. Na aankomst in Den Haag ontvingen de verdachte en de medeverdachte gezamenlijk uitleg over de te plegen overval op een winkel, een slijterij, en kreeg de verdachte een vuurwapen in zijn handen gedrukt. Vervolgens zijn de verdachte en zijn medeverdachte, met bivakmutsen op en volledig in het zwart gekleed, met dat vuurwapen op zak, richting de bewuste slijterij gegaan. Een medewerker van de slijterij zag dat twee personen de deur van de slijterij probeerden open te duwen, wat niet lukte. Toen de medewerker richting de deur liep en de personen aansprak, zag hij dat ze zich omdraaiden. Hij zag ook dat ze bivakmutsen droegen en volledig in het zwart gekleed waren. Net als de verdachte heeft de medeverdachte verklaard dat het hun intentie was om de winkel te overvallen. De medeverdachte heeft ook verklaard dat de deur van de slijterij niet open ging.
De verdachte heeft er ter zitting, tijdens het bekijken van de camerabeelden, op gewezen dat daarop te zien is dat hij zich, voordat de medeverdachte tegen de deur duwde, al had teruggetrokken. Het witte van zijn schoenen komt namelijk enige tijd in beeld en verdwijnt dan uit beeld en daaruit volgt volgens de verdachte dat hij, anders dan de medeverdachte, de deur van de winkel voorbij liep.
De rechtbank is echter van oordeel dat wel degelijk kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een overval, omdat sprake is geweest van een begin van uitvoering. Dat op de camerabeelden te zien is dat het witte van de schoenen van de verdachte korte tijd in beeld komt en daarna uit beeld verdwijnt, wil niet zeggen dat hij, zoals hij heeft verklaard, niets anders heeft gedaan dan, na aankomst bij de slijterij, (direct) door te lopen zonder aanstalten te maken om de deur van de slijterij te openen en naar binnen te gaan. Op de camerabeelden is namelijk ook te zien dat er twee personen voor de deur van de slijterij verschijnen. Bovendien volgt uit de verklaring van de medewerker van de slijterij dat de verdachte, net als de medeverdachte, pas vertrok toen zij door de medewerker werden aangesproken. De rechtbank weegt verder nog de intentie van de verdachte mee - het van plan zijn om de slijterij te overvallen - en ook het feit dat hij een wapen bij zich had en, net als de medeverdachte, een bivakmuts droeg.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld.
De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in bijlage II bij dit vonnis.
Dagvaarding II met parketnummer 09-162688-25
Feit 1
De rechtbank is, net als de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met (bedreiging met) geweld in vereniging. Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk dat de jas waar het hier om gaat, is afgegeven en niet weggenomen. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van dit feit.
Feit 2
Om tot een bewezenverklaring van afpersing te kunnen komen moet vastgesteld kunnen worden dat de verdachte zowel opzet had op het toegepaste geweld als op afgifte van de jas (wederrechtelijke bevoordeling).
Aangever heeft verklaard dat de verdachte tegen hem zei dat hij zijn jas moest afgeven.
De verdachte heeft ontkend dit te hebben gezegd. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij en medeverdachte [medeverdachte 2] hebben gezegd dat aangever zijn jas uit moest doen, nadat aangever door hen was geschopt en geslagen. Ook medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] degene is geweest die tegen aangever heeft gezegd dat hij zijn jas moest uitdoen. Uit het dossier volgt verder niet dat de verdachte de jas op enig moment in zijn bezit heeft gehad.
Nu ook verder het bewijs van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling ontbreekt, zal de rechtbank de verdachte vrij spreken van dit feit.
Feit 3
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van dit feit omdat hij geen significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld.
De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is indien er een voldoende significante of wezenlijke bijdrage wordt geleverd aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte geweld heeft gebruikt tegen aangever. Wel heeft hij, zo heeft hij zelf verklaard, meegewerkt aan de totstandkoming van een afspraak met aangever (door voor dat doel zijn telefoon aan medeverdachte [medeverdachte 1] af te staan) en is hij ook naar de afgesproken plek gegaan. Verdachte heeft verder verklaard dat zich daar een groep van tien mensen vormde. Zowel aangever als medeverdachte [medeverdachte 3] hebben verklaard dat de verdachte de gebeurtenissen waarover aangever heeft verklaard, heeft gefilmd. Op de telefoon van de verdachte werd ook een filmpje aangetroffen waarop een deel van die gebeurtenissen, waaronder in ieder geval het geweld, is te zien.
De rechtbank is van oordeel dat de handelingen van de verdachte hebben bijgedragen aan de sfeer van ontremming waarin anderen tot fysiek en vernederend geweld zijn overgegaan.
De verdachte is steeds bij de groep gebleven en heeft, toen het geweld begon, geen afstand genomen en daardoor de groep continu getalsmatig versterkt. Daarbij komt dat de verdachte degene is geweest die de afspraak met aangever heeft gearrangeerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de handelingen van de verdachte aangemerkt kunnen worden als een wezenlijke bijdrage aan het geweld en acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in bijlage II bij dit vonnis.
Feit 4
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, Sv volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 september 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 24 juli 2024 (p. 327-330);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 december 2024 (p. 351-356);
3. Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 2] , opgemaakt op 31 december 2024 (p. 149-155).
Feit 5
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, Sv volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 september 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 24 juli 2024 (p. 327-330);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 december 2024 (p. 351-356);
Feit 6
De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, Sv volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 september 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 september 2024 (p. 443-445).
Feit 7
De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, Sv volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 september 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 8 augustus 2024 (p. 367-372).
Feit 8 primair
De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, Sv volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 september 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 8 augustus 2024 (p. 367-372).
Feit 9 primair
De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, Sv volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 september 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 13 juni 2024 (p. 299-301).
Feit 10
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank oordeel dat wettig kan worden bewezen dat de verdachte dit feit heeft gepleegd. Het wettig bewijs volgt uit de navolgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 1 augustus 2024 (p. 471-475);
2. Het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 3] , opgemaakt op 8 augustus 2024 (p. 535-541).
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het wettig bewijs niet overtuigend is en dat de verdachte om die reden vrijgesproken moet worden van de tenlastegelegde mishandeling. Verdachte heeft ontkend aangever te hebben geslagen en ook op de in het dossier aanwezige beelden is dit niet te zien, aldus de raadsman.
Aangever heeft verklaard dat de verdachte hem heeft geslagen. Dat dit niet op de in het dossier aanwezige beelden te zien is, maakt niet dat de verklaring van aangever op dit punt als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt. Hetgeen aangever voor het overige heeft verklaard komt op essentiële onderdelen namelijk wel overeen met wat op die beelden te zien is. Het is ook zeer wel denkbaar dat de beelden, die door de verdachten zelf zijn gemaakt, niet alles wat er is gebeurd, laten zien. Daar komt bij dat ook medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de verdachte aangever heeft geslagen. Ook zijn verklaring acht de rechtbank betrouwbaar. Medeverdachte [medeverdachte 3] belast immers ook zichzelf in die verklaring en ook zijn verklaring komt overeen met hetgeen op de door de verdachten gemaakte beelden te zien is. Ten slotte is van belang dat vlak vóór het einde van het filmpje ook te zien is dat de verdachte zeer dicht voor aangever staat.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangever heeft mishandeld door hem tegen het gezicht te slaan.
Dagvaarding III met parketnummer 09-239548-25
Feit 1
De rechtbank is, net als de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot diefstal met braak en/of verbreking in vereniging.
De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van dit feit.
De rechtbank zal voor het subsidiair tenlastegelegde feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, Sv volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 september 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 13 juli 2025 (p. 8-14).
Feit 2
De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, Sv volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 september 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 juli 2025 (p. 37-46).
Dagvaarding IV met parketnummer 09-203938-26
De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, Sv volstaan. De verdachte heeft dit feit ter zitting bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak bepleit en de officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 september 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 april 2026 (p. 9-13);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 april 2026 (p. 14-15);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 april 2026 (p. 17-19);
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 april 2026 (p. 20-21);
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 april 2026 (p. 25-27).
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Onder dagvaarding I met parketnummer 09-270832-24
1hij op 21 augustus 2024 te Oegstgeest [aangever 1] heeft mishandeld door die [aangever 1] :- een stoot te geven tegen de rechterschouder,- te duwen,- ten val te brengen,- te trappen tegen de buik,- over de grond te trekken, en- met gebalde vuist tegen het hoofd te slaan;
2 subsidiairhij op 23 augustus 2024 te Oegstgeest openlijk, te weten aan de J.C. Bloemlaan, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 1] , door hem bij zijn armen, benen en hoofd vast te houden en ondertussen zijn telefoon af te pakken;
3 primairhij op 12 december 2024 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel aan een slijterij (gelegen aan de [adres 2] ), toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een persoon, te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en de andere deelnemer aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,- een voor be- en afdreiging geschikt veerdrukwapen voorhanden heeft gehad,- zich voor de winkeldeur heeft begeven, en
- ( vervolgens) tegen de winkeldeur heeft geduwd,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Onder dagvaarding II met parketnummer 09-162688-25
3hij op 30 maart 2024 te Oegstgeest, op de openbare weg (Aert van der Neslaan), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- het omsingelen en insluiten van die [aangever 2] (bij een muur), en - het slaan tegen het hoofd van die [aangever 2] , en- het trappen tegen een knie en/of been van die [aangever 2] , en- het met telefoons opnemen (en op sociale media plaatsen) van voornoemde handelingen;
4hij in de periode van 16 juni 2024 tot en met 18 juni 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, [aangever 3] , een afbeelding van seksuele aard, te weten een video en foto’s (screenshots), heeft vervaardigd waarop te zien is dat die [aangever 3] zichzelf aan het bevredigen is;
5hij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 24 juli 2024 te Oegstgeest, in elk geval in Nederland, een visuele weergave van seksuele aard, te weten een video en foto’s van een persoon, te weten [aangever 3] , waarop te zien was dat die [aangever 3] zichzelf aan het bevredigen is, openbaar heeft gemaakt, terwijl verdachte wist dat die openbaarmaking nadelig voor die [aangever 3] kon zijn;
6hij op 18 juli 2024 te Oegstgeest, in elk geval in Nederland, [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen "Ey, ik ga je echt doodslaan; Moedersdood als ik je zie";
7hij op 4 augustus 2024 te Oegstgeest, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een bankpas en pincode en een geldbedrag van 50 euro, die aan die [aangever 4] toebehoorden door- tegen die [aangever 4] te zeggen: 'Als je iets probeert steek ik je neer, dus beter werk je mee', en- te zeggen dat die [aangever 4] zijn pinpas en pincode moet afgeven, en - die [aangever 4] een betaallink (Tikkie) toe te sturen voor 50 euro;
8 primairhij op 4 augustus 2024 te Oegstgeest, op de openbare weg (Haarlemmerstraatweg), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 4] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- het op de knieën laten zitten van die [aangever 4] , en - het omsingelen van die [aangever 4] , en - het schoppen tegen de ribben van die [aangever 4] , en - het trappen tegen de nek van die [aangever 4] , en- het (meermalen) stompen/slaan tegen een jukbeen van die [aangever 4] , en- het zeggen tegen die [aangever 4] : 'Als je het aan de Politie vertelt en ik kom erachter, dan schiet ik jou, je familie en je vrienden neer', en- het met telefoons opnemen (en op sociale media plaatsen) van voornoemde handelingen;
9 primairhij op 13 juni 2024 te Leiderdorp, op de openbare weg (Hoofdstraat), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een raam van een woning, welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het meermalen gooien van stenen naar dat raam;
10hij op 27 juli 2024 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem, [aangever 5] heeft mishandeld door die [aangever 5] tegen het gezicht te slaan.
Onder dagvaarding III met parketnummer 09-239548-25
1. subsidiair[medeverdachte 4] op 13 juli 2025 te Oegstgeest ter uitvoering van het door die [medeverdachte 4] voorgenomen misdrijf om een scooter, die geheel aan [aangever 6] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenenen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van verbreking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 13 juli 2025 te Oegstgeest opzettelijk behulpzaam is geweest door- die [medeverdachte 4] met een (vlucht)scooter naar de scooter van die [aangever 6] te brengen en- in de nabije omgeving van de scooter van die [aangever 6] klaar te staan met die (vlucht)scooter en- op de uitkijk te staan teneinde die [medeverdachte 4] te kunnen waarschuwen ten tijde van onraad en betrapping en - die [medeverdachte 4] met behulp van die (vlucht)scooter vanaf de plaats delict, althans vanaf de omgeving van de plaats delict, weg te rijden;
2hij op 13 juli 2025 te Oegstgeest als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets) heeft gereden op de weg, de Lange Voort, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
Onder dagvaarding IV met parketnummer 09-203938-26
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 26 februari 2026 tot en met 16 april 2026 te Oegstgeest, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, één of meerdere scooters en scooteronderdelen, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De op te leggen straffen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 138 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en hieraan als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) te verbinden. De officier van justitie heeft daarnaast oplegging van een taakstraf, bestaande uit de leerstraf TACt Verlengd Plus, gevorderd. De officier van justitie heeft voorts voor het in feit 2 van parketnummer 09-239548-25 tenlastegelegde (een overtreding) gevorderd om toepassing te geven aan artikel 9a Sr (schuldigverklaring zonder oplegging van straf).
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde straf gematigd dient te worden gezien de bepleite vrijspraken.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten De verdachte heeft zich op veertien-, vijftien- en zestienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten.
Op 30 maart 2024 heeft de verdachte, samen met anderen, openlijk geweld gepleegd tegen [aangever 2] . In een zeer korte tijd heeft [aangever 2] meerdere klappen en schoppen gekregen en dit geweld is door de verdachte gefilmd. Dit filmpje is daarna verspreid via social media. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort filmpjes lang op het internet kunnen blijven rondgaan en dat dit grote impact heeft op de slachtoffers.
Op 13 juni 2024 heeft hij, samen met een ander, een steen door de ruit van een woning gegooid omdat hij ruzie had met een jongen die in die woning woonachtig is. Dit feit heeft er bij de bewoners voor gezorgd dat zij zich een tijdlang niet veilig voelden in hun eigen huis.
Vervolgens heeft de verdachte zich in juni en juli 2024 schuldig gemaakt aan het vervaardigen en openbaar maken van een filmpje en foto’s van seksuele aard van zijn toenmalige vriendin en heeft hij, in plaats van vervolgens verantwoordelijkheid te nemen voor zijn zeer schadelijke handelen, haar met de dood bedreigd. Door het vervaardigen en het vervolgens via social media openbaar maken van het filmpje en de foto’s heeft de verdachte niet alleen het vertrouwen van zijn toenmalige vriendin ernstig beschaamd, maar heeft hij ook een grove inbreuk gemaakt op haar privacy. Dit alles heeft grote gevolgen gehad voor het jonge slachtoffer. Het filmpje werd telkens opnieuw verspreid, ook onder klasgenoten van haar nieuwe school, en maakte dat zij haar vrienden kwijtraakte en dat ze veelvuldig op intimiderende wijze werd lastiggevallen door onbekende jongens.
Op 27 juli 2024 heeft de verdachte [aangever 5] mishandeld door hem tegen het gezicht te slaan. Dit heeft hij gedaan nadat [aangever 5] al op zijn knieën had moeten zitten, ‘sorry’ had moeten zeggen en heel hard tegen zijn achterhoofd was getrapt door een vriend van de verdachte, terwijl dit alles ook was gefilmd.
Vervolgens heeft de verdachte zich op 4 augustus 2024, samen met anderen, schuldig gemaakt aan afpersing van en openlijk geweld jegens [aangever 4] . [aangever 4] moest zijn spullen afstaan en bevelen van de groep opvolgen. Hij moest in het water springen, op zijn knieën gaan zitten, ‘sorry’ zeggen en werd veelvuldig geslagen en hard tegen zijn nek getrapt. Dit alles is ook nog gefilmd door de groep en op social media geplaatst. Zowel uit het dossier als uit de slachtofferverklaring blijkt dat deze feiten een enorme impact op [aangever 4] hebben gehad. [aangever 4] heeft zich gedurende een langere periode zeer onveilig gevoeld. Zo durfde hij niet naar buiten en had hij last van slaapproblemen en flashbacks.
Op 21 en 23 augustus 2024 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van en openlijk geweld tegen [aangever 1] . De verdachte en zijn medeverdachten hebben met hun handelen een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De gebeurtenis moet buitengewoon bedreigend zijn geweest voor het nog jonge slachtoffer. Door het handelen van de verdachte kon [aangever 1] een tijd niet naar school, heeft hij therapie moeten ondergaan en nog een lange tijd klachten ervaren.
Vervolgens heeft de verdachte op 12 december 2024 gepoogd om samen met een ander een slijterij te overvallen. De verdachte stond samen met de medeverdachte voor de deur van de slijterij. Zijn medeverdachte en hij waren geheel in het zwart gekleed en hadden een bivakmuts op. Tevens had de verdachte een op een echt vuurwapen gelijkend veerdrukwapen bij zich. Dat de overval niet gelukt is, kwam niet het door het handelen van de verdachte, maar enkel omdat zijn medeverdachte de deur van de slijterij niet open kreeg en zij werden gestoord door de medewerker van de slijterij die naar de deur toe liep.
Naast persoonlijk leed voor de slachtoffers leiden geweldsdelicten als die waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt ook tot maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij, temeer nu de delicten waar het in dit geval om gaat, meestal plaatsvinden op klaarlichte dag en omstanders daarvan getuige waren. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij volledig voorbijgegaan is aan de gevolgen van zijn daden voor de slachtoffers en de mogelijke impact daarvan op omstanders.
Bijna een half jaar later, op 13 juli 2025, is de verdachte medeplichtig geweest aan een poging tot scooterdiefstal en reed hij zonder rijbewijs op een scooter. Vervolgens heeft hij begin dit jaar, in de periode van 26 februari tot en met 16 april, scooters en (een grote hoeveelheid) scooteronderdelen voorhanden gehad waarvan hij wist dat deze van misdrijf afkomstig waren.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 augustus 2026 waaruit volgt dat de verdachte in 2025 en 2026 meermalen een strafbeschikking heeft gekregen voor Wegenverkeerswetfeiten en een Wet wapens en munitie-feit. De rechtbank zal daarom rekening houden met het bepaalde in artikel 63 Sr. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte zich in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis moest houden aan bijzondere voorwaarden, waaronder het niet plegen van nieuwe strafbare feiten, toen hij zich schuldig maakte aan de poging tot overval op de slijterij.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportages van de Raad en Jeugdbescherming west, de Pro Justitia-rapportage (betreffende een psychologisch onderzoek) en de mondelinge toelichting die door de deskundigen ter zitting is gegeven.
Het rapport van de psycholoog van 2 mei 2025 dateert van meer dan een jaar vóór de inhoudelijke behandeling van de strafzaken van de verdachte. Dit staat er echter niet aan in de weg dat de rechtbank hiervan gebruik maakt. Het gaat immers om de beantwoording van de vraag of verdachte op het moment waarop het tenlastegelegde is gepleegd leed aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van het geestvermogen en de eventuele oorzakelijke invloed daarvan op de bewezenverklaarde feiten. De informatie (geraadpleegde stukken en onderzoek van verdachte) op grond waarvan die vraag is beantwoord, is na het uitbrengen van de rapportage niet gewijzigd.
Uit de hiervoor genoemde rapporten volgt - kort samengevat - dat er risico’s zijn voor de verdere ontwikkeling van de verdachte. Er zijn zorgen over zijn opvoedsituatie, nu hij sinds kort bij zijn vader verblijft - die geen gezag meer over de verdachte heeft en over wie ook zorgen bestaan - en er een conflict is ontstaan tussen zijn moeder en de MDFT-therapeut, bij wie zijn moeder en hij al een tijd onder behandeling waren. Daarnaast lijdt de verdachte aan een oppositionele-opstandige gedragsstoornis, heeft hij antisociale contacten, is er sprake van middelengebruik en uitingen van agressie en is er sprake van schoolverzuim. Het recidiverisico wordt als matig tot hoog ingeschat. Positief is dat de verdachte momenteel naar school gaat, een stage heeft gevonden en een bijbaan heeft. De Raad heeft geadviseerd om aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen en daaraan meerdere bijzondere voorwaarden te verbinden, te weten het verplicht meewerken aan MDFT-therapie, verplichte begeleiding door een coach, een verplichting tot het volgen van onderwijs en een meldplicht bij de jeugdreclassering. Daarnaast heeft de Raad geadviseerd om de leerstraf TACt Verlengd Plus op te leggen.
Toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank volgt de conclusie van de psycholoog dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is als het gaat om de feiten die hij heeft gepleegd op 21 en 23 augustus 2024 en 12 december 2024.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan, is zestien maanden. In deze zaak is die termijn voor meerdere feiten ruim overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank heeft deze overschrijding daarom in strafmatigende zin meegewogen.
Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank kan zich vinden in de eis van de officier van justitie en in het advies van de Raad. Ondanks dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een grote hoeveelheid ernstige feiten, waarvoor in soortgelijke zaken een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd, vindt de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie langer dan het voorarrest van 42 dagen niet passend. Er is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn, de situatie als beschreven in artikel 63 Sr is aan de orde en het is van belang dat de verdachte intensieve begeleiding en hulpverlening krijgt.
De rechtbank acht het, gezien de aard en ernst van de feiten wel passend om aan de verdachte - naast een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het reeds ondergane voorarrest - een forse voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 138 dagen op te leggen met een proeftijd van twee jaren. De verdachte moet ervaren dat zijn gedrag niet toelaatbaar is. Aan die proeftijd verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd.
Daarnaast acht de rechtbank oplegging van een taakstraf passend, in de vorm van de leerstraf TACt Plus voor de duur van 35 uren. De rechtbank zal deze leerstraf opleggen en niet de door de officier van justitie, in navolging van de Raad, genoemde leerstraf, nu die leerstaf (TACt Verlengd Plus) niet op de Menukaart met leerstraffen wordt vermeld en het aantal uren van de leerstraf TACt Plus overeenkomt met het aantal uren dat in de rapportage van de Raad wordt vermeld.
Anders dan geëist door de officier van justitie, zal de rechtbank geen afzonderlijke straf opleggen voor de bewezenverklaarde overtreding, gezien het bepaalde in artikel 77a Sr.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van [aangever 1] (dagvaarding I, feiten 1 en 2)
[aangever 1] , wettelijk vertegenwoordigd door [naam 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van €1.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op immateriële schade. Ook is hoofdelijke veroordeling, een proceskostenveroordeling en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering volledig, te weten tot een bedrag van € 1.250,-, toewijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 21 augustus 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.
De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het onder 2, subsidiair, bewezenverklaarde strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
De benadeelde partij heeft in zijn vordering geen onderscheid gemaakt tussen de gevolgen die hij heeft ondervonden van de bewezenverklaarde mishandeling en de gevolgen die hij heeft ondervonden van de (ook) bewezenverklaarde afpersing. De rechtbank kan dat onderscheid ook niet maken. De rechtbank zal de verdachte daarom hoofdelijk veroordelen tot betaling van het gevorderde bedrag. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Dit brengt mee dat de benadeelde partij kan kiezen wie hij aanspreekt op betaling. Betaalt degene die is aangesproken, dan kan deze de anderen aanspreken voor hun aandeel, in welk kader zij onderling zullen moeten uitmaken wie voor welk deel van de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding verantwoordelijk is. Daarbij geldt ook dat de verdachte, voor zover de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft dan wel hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
De vordering van [naam 2] (dagvaarding II, feit 9)
[naam 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 2.694,84, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 1.194,84 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade. Ook is hoofdelijke veroordeling, een proceskostenveroordeling en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 150,- voor materiële schade en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 150,- voor materiële schade en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige. Volgens de verdediging is de immateriële schade onvoldoende onderbouwd en ontbreekt voor de overige onderbouwde opgegeven materiële schade het causaal verband.
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De grondslag van de vordering is gelegen in de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Bij de benadeelde partij zou sprake zijn van psychische schade. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van een zodanig ernstige normschending dat de nadelige gevolgen ook zonder onderbouwing met concrete gegevens kan worden aangenomen.
Dat betekent volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie ECLI:NL:HR:2020:1955) dat de benadeelde partij voldoende concrete gegevens dient over te leggen waaruit kan volgen dat naar aanleiding van het strafbare feit psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
De benadeelde partij heeft het geestelijk letsel niet onderbouwd met medische stukken.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd. Het is invoelbaar dat het strafbare feit heeft geleid tot gevoelens van angst bij de benadeelde partij. Dergelijke gevoelens vormen echter op zichzelf geen geestelijk letsel en kunnen niet zonder meer als grondslag dienen voor immateriële schadevergoeding.
De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, voor zover deze betrekking heeft op immateriële schade. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Materiële schade
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘nieuw raam spoed’, de vordering toewijzen tot een bedrag van € 150,-. Uit de onderbouwing van de vordering volgt immers dat de schade € 920,77 bedraagt en dat de benadeelde partij daarvan reeds een bedrag van € 770,77 van haar verzekeraar vergoed heeft gekregen.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten ‘boodschappen’ en ‘eufy-deurbel’, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘Weerterbergen’, de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte ook betwist en het causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en de opgevoerde kosten is door de benadeelde partij onvoldoende duidelijk uiteengezet.
De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing voor deze schadeposten zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 13 juni 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder dagvaarding II onder 9 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 150,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 juni 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [naam 2] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
De vordering van [aangever 4] (dagvaarding II, feiten 7 en 8 primair)
[aangever 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft verzocht om de verplichting tot schadevergoeding hoofdelijk op te leggen aan de verdachte en diens medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] . Ook is een proceskostenveroordeling en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt en dat de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] deze schade samen moeten vergoeden. Nu de verdachte en zijn medeverdachten bij de gebeurtenissen ieder een andere rol hebben vervuld, ziet de rechtbank aanleiding om de vordering niet hoofdelijk op te leggen, maar in ongelijke delen aan iedere verdachte afzonderlijk. Bij het vaststellen van de hoogte van het te betalen bedrag per verdachte heeft de rechtbank gekeken naar de rol die de verdachte heeft gehad in de bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank is van oordeel dat de rol van de verdachte maakt dat hij een bedrag van € 400,- aan de benadeelde partij moet betalen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 4 augustus 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.
De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder dagvaarding II onder 7 en 8 primair bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 400,- vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 4] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 36 f, 45, 47, 48, 49, 56, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 139h, 141, 254ba, 285, 300, 311, 312, 317 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
- 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder dagvaarding I met parketnummer 09-270832-24, onder feit 2 primair, het onder dagvaarding II met parketnummer 09-162688-25 onder feit 1 en feit 2 en het onder dagvaarding III met parketnummer 09-239548-25 onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder dagvaarding I met parketnummer 09-270832-24, onder 1, 2 subsidiair, 3 primair en de onder dagvaarding II met parketnummer 09-162688-25 onder 3, 4, 5, 6, 7, 8 primair, 9 primair, 10 en onder dagvaarding III met parketnummer 09-239548-25 onder 1 subsidiair en onder 2 en de onder dagvaarding IV met parketnummer 09-203938-26 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
dagvaarding I met parketnummer 09-270832-24
ten aanzien van feit 1: mishandeling;
ten aanzien van feit 2 subsidiair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
ten aanzien van feit 3 primair: poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
dagvaarding II met parketnummer 09-162688-25
ten aanzien van feit 3: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
ten aanzien van feit 4: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een afbeelding van seksuele aard van een persoon;
ten aanzien van feit 5: openbaar maken van een afbeelding van seksuele aard van een persoon, terwijl hij weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn;
ten aanzien van feit 6; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
ten aanzien van feit 7: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van feit 8 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
ten aanzien van feit 9 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;
ten aanzien van feit 10: mishandeling;
dagvaarding III met parketnummer 09-239548-25
ten aanzien van feit 1 subsidiair: medeplichtigheid aan een poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
ten aanzien van feit 2: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
dagvaarding IV met parketnummer 09-203938-26
medeplegen van witwassen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 180 (HONDERDTACHTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (42 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, 138 (HONDERDACHTENDERTIG) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (TWEE) JAREN vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Jeugdbescherming west te Den Haag op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
2. zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van Teylingereind of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde MDFT-therapie te volgen;
3. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door een coach, te bepalen door Jeugdbescherming west, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;
4. gedurende de proeftijd onderwijs volgt zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Jeugdbescherming west, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
5. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
6. zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf, bestaande uit een leerstraf, zijnde het volgen van een leerproject, te weten TACt Plus, voor de duur van 35 (VIJFENDERTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 17 (ZEVENTIEN) DAGEN;
bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] (dagvaarding I - feiten 1 en 2)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag van € 1.250,- bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 21 augustus 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.250,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
verstaat dat als de medeverdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
de vordering van de benadeelde partij [naam 2] (dagvaarding II - feit 9)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 150,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [naam 2] , een bedrag van € 150,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 juni 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 4] (dagvaarding II - feit 7)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 4] , een bedrag van € 400,- bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 400,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter, voorzitter,
mr. J.E. Bierling, kinderrechter,
en mr. E.E. Schotte, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Wouters, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 oktober 2026.