RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.61804
(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en
Procesverloop
Met het besluit van 24 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Bij uitspraak van 7 oktober 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schade- en proceskostenvergoeding.
Verweerder heeft op 16 oktober 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft op 19 oktober 2026 beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft hier op 26 oktober 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft op 27 oktober 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Op 16 oktober 2026 is de maatregel opgeheven door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op grond van een toegewezen verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106, tweede lid, van de Vw kan de rechtbank aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen indien opheffing van de maatregel strekkende tot vrijheidsontneming of -beperking is bevolen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 oktober 2026 (in de zaak NL26.57051) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 1 oktober 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 1 oktober 2026 tot en met 16 oktober 2026 (de dag van opheffing van de bewaring).
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en ten onrechte de maatregel niet tijdig heeft omgezet. Verweerder heeft niet snel genoeg een claimverzoek ingediend bij de Italiaanse autoriteiten. Vervolgens heeft verweerder besloten geen claimverzoek meer in te dienen en eiser op te nemen in de nationale procedure. Daarna is enkel door toewijzing van de Afdeling van het verzoek een voorlopige voorziening te treffen de maatregel opgeheven. Verweerder had dit echter uit eigen beweging moeten doen.
Na de inbewaringstelling op 24 september 2026 heeft op 26 september 2026 een screening plaatsgevonden. Op 28 september 2026 heeft verweerder eiser gehoord over zijn bezwaren tegen overdracht aan Italië. Uit het dossier blijkt dat verweerder in eerste instantie de Italiaanse autoriteiten verantwoordelijk achtte voor de behandeling van eisers asielaanvraag en dat verweerder daarom een claimverzoek heeft opgesteld en ter verzending heeft aangeboden aan de Italiaanse autoriteiten. Door een storing van het systeem van de Italiaanse autoriteiten is dit verzoek niet aangekomen. Deze storing was niet verholpen voordat de claimtermijn verstreek. Daarom is Nederland op 9 oktober 2026 verantwoordelijk geworden voor de asielaanvraag. Verweerder heeft op 12 oktober 2026 aan eiser bericht dat zijn asielaanvraag behandeld zal worden in de nationale procedure. Vervolgens heeft op 13 oktober 2026 een nader gehoor plaatsgevonden. Gelet op deze handelingen overweegt de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Ten aanzien van de asielaanvraag is door verweerder vervolgens ook voldoende voortvarend gehandeld door - drie dagen nadat Nederland is vastgesteld als de verantwoordelijke lidstaat - voor de behandeling een nader gehoor te houden. Daarbij blijkt uit artikel 3, zesde lid, van de Vw dat verweerder binnen vijf weken dient te beslissen op de asielaanvraag die binnen de grensprocedure is behandeld. Ook deze termijn was ten tijde van de opheffing van de maatregel op 16 oktober 2026 nog niet verstreken.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder de maatregel eerder had moeten omzetten, dan wel opheffen. In de te toetsen periode was nog geen definitieve beslissing genomen op het verzoek van eiser om internationale bescherming. Daarnaast was de beslistermijn van vijf weken, zoals reeds overwogen in 3.1., en de maximale duur van de grensprocedure nog niet verstreken. Hierdoor kon de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw rechtmatig worden voortgezet. De omstandigheden dat eiser op 9 oktober 2026 werd opgenomen in de nationale procedure en dat eiser als gevolg van een toegewezen voorlopige voorziening in vrijheid is gesteld, doen daar niet aan af. Hieruit volgt niet dat de maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest.
De beroepsgronden slagen niet.
Ambtshalve toetsing
4. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Zanden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.