ECLI:NL:RBDHA:2026:32201

ECLI:NL:RBDHA:2026:32201

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-11-2026
Datum publicatie 02-11-2026
Zaaknummer NL26.63392
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

bewaring, eerste beroep, 59a, artikel 7.3. Vb, de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel wordt niet aangetast door het toekennen van schorsende werking aan het overdrachtsbesluit, gronden maatregel niet betwist, onderduikrisico, geen lichter middel, voldoende voortvarend en zicht op overdracht, vlucht geboekt, refoulementbeoordeling heeft plaatsgevonden, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.63392

geboren op [geboortedatum] ,

van Soedanese nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),

en

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 20 oktober 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan de vreemdeling op wie de AMbV van toepassing is in bewaring stellen met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat. Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wanneer er sprake is van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMbV en een onderduikrisico bestaat.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Voortraject

5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

6. Eiser voert aan dat op 24 juni 2026 een overdrachtsbesluit is genomen waartegen een beroep en een voorlopige voorziening is ingediend. Volgens eiser is in het overdrachtsbesluit ten onrechte opgenomen dat het verzoek om een voorlopige voorziening geen schorsende werking heeft. Er is namelijk sprake van een eerste verzoek om voorlopige voorziening. Eiser wijst op artikel 7.3. van het Vb. Dit betekent dat eiser de procedure mocht afwachten en niet in vreemdelingenbewaring gesteld had mogen worden.

De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van schorsende werking, omdat sprake is van een opvolgende aanvraag waarbij Spanje al een akkoord heeft gegeven en dat eiser eerder al een overdrachtsbesluit heeft gekregen waartegen hij beroep heeft ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend.

De rechtbank overweegt dat het enige vereiste van artikel 59a van de Vw 2000 is dat artikel 44 van de AMbV in acht wordt genomen. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister, voor hij de vreemdeling in bewaring stelt, een onderzoek moet verrichten naar de voor de bewaring relevante feiten en aan de hand van deze feiten moet beoordelen of een concreet aanknopingspunt bestaat en of een voor een overdracht vastgestelde termijn niet is verstreken. Deze rechtspraak had betrekking op de Dublinverordening, maar geldt naar het oordeel van de rechtbank ook nu de AMbV van toepassing is. De rechtbank overweegt verder dat een overdrachtsbesluit volgens de Afdeling geen voorwaarde is voor de bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid van de Vw. Nog daargelaten de vraag of er in het geval van eiser sprake zou zijn van schorsende werking, oordeelt de rechtbank op grond van het voorgaande dat de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel niet wordt aangetast door het toekennen van schorsende werking aan het overdrachtsbesluit.

De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Op 2 mei 2025 is er een claimverzoek verzonden naar de Spaanse autoriteiten. Vervolgens is op 28 mei 2025 een claimakkoord ontvangen en de overdrachtstermijn is verlengd op 17 november 2025.

De beroepsgrond slaagt niet.

Gronden

7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden ten onrechte aan eiser zijn tegengeworpen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gronden in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een onderduikrisico bestaat.

Lichter middel

8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond derhalve niet om de overdracht van eiser te verzekeren. De minister heeft in de enkele verklaring van eiser dat hij wil meewerken geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen. Zo blijkt uit de maatregel van bewaring dat eiser eerder ook al heeft aangegeven zijn medewerking te zullen verlenen aan gecontroleerde overdracht, maar dat een geplande overdracht op 27 november 2025 niet is doorgegaan, omdat hij niet is verschenen. Ook tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser aangegeven niet naar Spanje te willen vertrekken.

Ook is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg beschikbaar is. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.

Voortvarendheid en zicht op overdracht

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Zo blijkt uit het dossier dat op 22 oktober 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden en dat eiser op 29 oktober 2026 via een vlucht zal worden overgedragen naar Spanje.

Refoulementbeoordeling

10. In de uitspraak van 12 februari 2026 gaat de Afdeling in op de gevolgen van het Adrar-arrest voor de minister en de bewaringsrechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit die uitspraak volgt dat de minister voordat de bewaringsmaatregel wordt opgelegd, moet nagaan of het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting verzet. Tijdens het gehoor moeten de vreemdeling daarom vragen worden gesteld hierover en het resultaat van het onderzoek en de voorbereiding moeten in de motivering van de maatregel worden vastgesteld. In de uitspraak van 12 juni 2026 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister bij een bewaringsmaatregel op grond van artikel 59a van de Vw geen refoulementbeoordeling hoefde te maken, omdat nog geen overdrachtsbesluit was genomen. De Afdeling heeft erop gewezen dat haar uitspraak van 12 februari 2026 en het Adrar-arrest gaan over de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement in de situatie dat de minister een vreemdeling in bewaring stelt om een terugkeerbesluit uit te voeren (artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn). De Afdeling heeft zich niet uitgelaten over de vraag of een refoulementsbeoordeling moet worden gemaakt in gevallen waarin de minister al een overdrachtsbesluit heeft genomen.

Los van de vraag of de minister daartoe verplicht is, oordeelt de rechtbank dat in dit geval wel een refoulementsbeoordeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat de minister op 24 juni 2026 een overdrachtsbesluit heeft genomen. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling desgevraagd verklaard dat hij zal terugkeren naar Spanje als hem dat wordt opgelegd door een rechterlijke uitspraak. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat Spanje partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag en dat gelet hierop op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag worden uitgegaan dat de Spaanse autoriteiten zich zullen houden aan verdragen. Ook heeft de minister overwogen dat ten tijde van de oplegging van de maatregel zicht op overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat bestond, omdat uit aanknopingspunten is gebleken dat eiser kan worden overgedragen op grond van de AMbV. Met deze overwegingen in samenhang met de hiervoor weergegeven verklaring van eiser, heeft de minister derhalve gemotiveerd aangegeven dat niet is gebleken dat vanwege het beginsel van non-refoulement moet worden afgezien van de overdracht van eiser. Dat de minister in het bestreden besluit niet expliciet heeft verwezen naar het beginsel van non-refoulement, doet daar niet aan af.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank stelt vast dat eiser in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit.

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand