ECLI:NL:RBDHA:2026:32204

ECLI:NL:RBDHA:2026:32204

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-10-2026
Datum publicatie 02-11-2026
Zaaknummer NL25.12819 en NL25.57814
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Beroep – TKB – afwijzing asielaanvraag – Quotal en Ebilum – motiveringsgebrek – gegrond – pkv.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.12819 en NL25.57814

(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),

en

(gemachtigde: mr. van der Vegt).

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2025 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Ook wordt er geen verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen verleend.

Op 30 oktober 2025 heeft verweerder een terugkeerbesluit opgelegd (het bestreden besluit 2).

Eiser heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de beroepen op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank behandelt de bestreden besluiten gevoegd op grond van artikel 8:14 Awb.

Overwegingen

Het asielrelaas

Het bestreden besluit 1 (NL25.12819)

3. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Ook de aankondiging om mee te vechten in de Koranschool door Al Shabaab wordt geloofwaardig geacht. De vrees voor rekrutering door Al Shabaab is door eiser niet aannemelijk gemaakt. Verweerder gaat er verder vanuit dat eiser niet afkomstig is uit een gebied dat onder controle staat van Al Shabaab en dat eiser bij terugkeer naar Somalië niet hoeft te reizen door gebied dat onder controle staat van Al Shabaab. De mogelijkheid dat eiser een enkele controlepost van Al Shabaab moet passeren is onvoldoende om een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest aan te nemen. Het bestreden besluit 2 (NL25.57814)

4. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder stelt dat hij afdoende voortvarend aan het onderzoek naar adequate opvang heeft gewerkt en dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan dit onderzoek. Verweerder heeft daarbij de belangen van het kind voldoende meegewogen.

De beroepsgronden

5. Eiser is het niet eens met de bestreden besluiten en voert daartoe het volgende aan. Eiser begrijpt niet waarom, ondanks zijn geloofwaardig geachte verklaringen, door verweerder geen gegronde vrees voor vervolging wordt aangenomen. Verweerder bestrijdt niet dat eiser uit een gebied komt waar Al-Shabaab aan de macht was, dat Al Shabaab meerdere keren naar eisers school is gekomen en dat is gedreigd dat eiser gedwongen met Al Shabaab mee moest vechten. Weliswaar heeft de Somalische regering de macht in de woonplaats van eiser daarna overgenomen, maar er is sprake van een onzekere situatie met machtsverschuivingen. [plaats] , waar eiser vandaan komt, ligt in een gebied dat wordt gekwalificeerd als “mixed/unclear” gebied. Volgens de Guidance note van EUAA van oktober 2025 is hier sprake van een hoger niveau van willekeurig geweld. Eiser stelt zich op het standpunt dat de hoogste gradatie van algemeen geweld in Somalië hier van toepassing is. Eiser voert verder aan dat hij bij terugkeer naar Somalië moet reizen door gebieden die gecontroleerd worden door Al Shabaab, ofwel waar Al Shabaab aanwezig is en dat hij reeds hierom een reëel en voorzienbaar risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM of artikel 4 EU Handvest. Inmiddels is eiser 18 jaar en loopt hij nog altijd het risico gerekruteerd te worden door Al Shabaab.

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten onrechte een terugkeerbesluit is genomen. Eiser heeft zich gehouden aan de samenwerkingsverplichting in het onderzoek naar adequate opvang, Verweerder heeft onvoldoende voortvarend aan dit onderzoek gewerkt. Daarnaast zijn de belangen van het kind onvoldoende kenbaar meegewogen, aldus eiser.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Gevolgen van de arresten Quotal en Ebilum voor de beoordeling

7. Op 4 juni 2026 heeft het Hof een tweetal arresten gewezen over de beoordeling door de rechtbank van een ingesteld beroep op een afwijzing van een asielaanvraag door de nationale autoriteiten. Deze arresten zijn ook voor deze zaak van belang.

8. De rechtbank stelt voorop dat het besluit van verweerder nog steeds het startpunt is voor de beoordeling van een door eiser ingesteld beroep. Het is immers ook op grond van de Procedurerichtlijn nog steeds het afwijzende besluit waartegen beroep wordt ingesteld, daarin brengen de arresten Quotal en Ebilum geen verandering. Deze arresten hebben wel tot gevolg dat de rechtbank verplicht is om in voorkomend geval ambtshalve zowel de feitelijke als de juridische gronden van die beslissing volledig en ex nunc te onderzoeken op basis van de haar ter kennis gebrachte elementen van de zaak. Een dergelijk onderzoek moet een beoordeling omvatten van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig het toepasselijke Unierecht en van de eerbiediging van het beginsel van non refoulement. De rechtbank is in haar onderzoek dus ook niet beperkt tot de door de verzoeker aangevoerde beroepsgronden.

9. Uit de arresten Quotal en Ebilum volgt verder dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, dan heeft de rechtbank de bevoegdheid om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek.

10. Uit het gegeven dat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek moet verrichten volgt ook dat de rechtbank zelfstandig hangende de procedure en zonder dat de zaak daartoe wordt terugverwezen naar verweerder, eigen onderzoek mag verrichten naar feiten die in de besluitvormingsprocedure onderbelicht zijn gebleven. De rechtbank kan er ook voor kiezen om daar waar het besluit blijk geeft van onvolledig onderzoek, op dat onderdeel terug te verwijzen, mits de rechtbank duidelijk aangeeft in welk opzicht het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest en welke onderzoekshandelingen verweerder dan nog dient te verrichten. De rechtbank zal in haar beoordeling van de feiten verder landeninformatie moeten betrekken waarvan zij niet onkundig mag zijn. Aangezien ook verweerder geacht mag worden van die landeninformatie op de hoogte te zijn, dient het gegeven dat verweerder zich over dergelijke landeninformatie in een concreet besluit of elders in de procedure niet volledig heeft uitgelaten voor diens rekening en risico te blijven, indien en voor zover het gaat om landeninformatie die ten tijde van het bestreden besluit al bekend was. Het gaat in die gevallen immers niet om nieuwe elementen die pas in beroep naar voren zijn gekomen, als bedoeld in onder meer punten 47, 48 en 52 van het arrest Ebilum maar om elementen waarmee de beslissingsautoriteit rekening had kunnen houden, als bedoeld in punt 44 van dat arrest. Indien de rechtbank de motivering van verweerder in het aangevochten besluit niet volgt en een eigen oordeel over de geloofwaardigheid dan wel over de behoefte aan internationale bescherming geeft, dan zal – gelet op de rechterlijke motiveringsplicht zoals deze voortvloeit uit artikel 47 van het Handvest – uit de uitspraak duidelijk naar voren moeten komen dat en waarom de motivering van de verweerder in het aangevochten besluit door de rechtbank wordt verworpen.

Gevolgen van de arresten voor deze zaak

11. De geloofwaardigheid van de in het bestreden besluit 1 genoemde asielmotieven staat niet ter discussie. Het geschil spits zich allereerst toe op de vraag wie de macht heeft in het gebied van herkomst van eiser en vervolgens of eiser zich veilig naar dit gebied kan begeven. In paragraaf C9/30.5.2. van de Vc staat het volgende: “In gebieden in Somalië waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert, is de mensen rechtensituatie zodanig dat voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw. Dit risico op ernstige schade wordt ook aangenomen voor vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is of het gebied controleert, maar over land moeten reizen door een gebied waar Al-Shabaab wel de macht heeft of het gebied controleert. [..]”.

12. Verweerder geeft ter zitting aan dat de bewijslast voor de aanwezigheid van Al Shabaab in het dorp [plaats] niet volledig bij eiser kan liggen. Verweerder meent dat hij heeft voldaan aan zijn bewijslast door te verwijzen naar een kaart van Somalië over de territoriale verdeling van 26 december 2025, waaruit volgt dat [plaats] in een gebied ligt waar niet duidelijk (unclear) is of Al Shabaab daar aan de macht is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hieruit niet volgt dat Al Shabaab hier de macht heeft, ook niet indien wordt aangenomen dat zij hier aanwezig zijn. Ter zitting is vastgesteld dat door partijen niet wordt betwist dat [plaats] (op de aangehaalde kaart) in “mixed/unclear” gebied ligt. De rechtbank interpreteert de kaart zo dat mixed/unclear gebieden ook kan betekenen dat Al Shabaab daar aan de macht is, maar dat dit niet duidelijk is vast te stellen of dat het gebied aan constante (machts)wisselingen onderhevig is. Eiser heeft in beroep een bericht overgelegd van Baidoa Online van 26 december 2025 waaruit volgt dat Al Shabaab de volledige controle heeft overgenomen in drie dorpen, waaronder [plaats] . De machtsverhoudingen in deze gebieden lijken aan verandering onderhevig te zijn, waardoor niet met zekerheid kan worden vastgesteld of het bericht van Baidoa Online nog actueel en juist is. Wel stelt de rechtbank vast dat het door eiser overgelegde bericht van een recentere datum dateert dan de territoriale landkaart van Somalië die door verweerder is gebruikt en dat eiser hiermee begin van bewijs heeft geleverd voor de mogelijkheid dat Al Shabaab in [plaats] wel de macht heeft. Verweerder heeft hier ter zitting geen gemotiveerd standpunt over ingenomen. Dit wordt ook bevestigd doordat de kaarten aangeven dat deze gebieden vallen onder “mixed/unclear zone”. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit en ter zitting daarom onvoldoende gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat eiser dient terug te keren naar een gebied waar Al Shabaab de macht heeft. Met de huidige informatie en het beleid van verweerder kan niet zonder meer worden gesteld dat er geen redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat eiser naar een dergelijk gebied dient terug te keren.

13. De rechtbank zal in deze zaak geen uitspraak doen over het reële risico op ernstige schade bij terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek om bescherming. De rechtbank beschikt namelijk niet over alle noodzakelijke feitelijke gegevens om een dergelijke uitspraak te doen. De rechtbank vindt dat nader onderzoek moet plaatsvinden. Er is nog onvoldoende duidelijk wie aan de macht is in het dorp [plaats] , in hoeverre de macht wisselt en wie de controle heeft over de gebieden rondom [plaats] . Daarnaast dient nader onderzocht te worden of eiser zijn dorp kan bereiken zonder daarvoor door gebieden te hoeven reizen waar Al-Shabaab de macht heeft en daarmee een reëel risico te lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 EU Handvest en artikel 3 EVRM. De enkele verwijzing naar een landkaart merkt de rechtbank niet aan als een volledig onderzoek. Verweerder dient zich meer specifiek te concentreren op het dorp van eiser en het gebied daar rondom. Ook dient verweerder de voor eiser mogelijke routes naar zijn dorp nader te onderzoeken en in kaart te brengen alvorens kan worden geconstateerd dat hij bij terugkeer naar Somalië niet door Al-Shabaab gebied hoeft te reizen.

14. De rechtbank geeft daarbij verweerder het volgende mee: Uit het meest recente EUAA country guidance rapport volgt dat de invloed van Al-Shabaab in de omgeving van [plaats] onverminderd groot is en in een zogenoemde mixed/unclear zone ligt. Ook blijkt uit het meest recente ambtsbericht dat Al-Shabaab in deze mixed zones controleposten bemant en dat personen die terugkeren naar gebied onder controle van Al-Shabaab bij deze controleposten het risico lopen als spion te worden aangemerkt, gearresteerd en geëxecuteerd te worden. Verder wijst de rechtbank op het ambtsbericht waaruit ook blijkt dat het niet mogelijk was om een concrete afbakening te geven van de exacte controlegebieden van Al-Shabaab. Ook wijst de rechtbank erop dat ter zitting verweerder heeft erkend dat er een risico is dat eiser een controlepost van Al Shabaab zal moeten passeren.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is gegrond. Wat eiser verder heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Het bestreden besluit wordt vernietigd vanwege een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Het besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, een bestuurlijke lus toe te passen, of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan verweerder om deugdelijk te onderzoeken en te motiveren of alsnog een verblijfsvergunning aan eiser moet worden verleend. Verweerder moet daarom binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

15. Door de vernietiging van het bestreden besluit 1 staat de asielaanvraag van eiser opnieuw open. Daarom kan geen sprake zijn van een terugkeerbesluit. Eiser is namelijk geen illegaal verblijvende derdelander. Bestreden besluit 2 dient dan ook te worden vernietigd. De rechtbank komt niet toe aan de overige beroepsgronden over het onderzoek naar de adequate opvang en de voortvarendheid van dit onderzoek.

15. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen besluit 1, 1 punt voor het indienen van een beroepschrift tegen besluit 2 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 19 februari 2025 en 30 oktober 2025;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.

Deze uitspraak is gedaan op 29 oktober 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand