RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16964
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 3 april 2024 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, ingaande op 5 maart 2024 (het bestreden besluit).
Eiser heeft op 17 april 2024 tegen dat besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.16965).
Eiser heeft op 26 april 2024 beroepsgronden ingediend.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft het verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 17 mei 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
Met toestemming van partijen doet de rechtbank op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en bezit de Turkmeense nationaliteit. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Richtlijn Tijdelijke Bescherming; RTB). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag heeft hij op 6 oktober 2023 ingetrokken. Op 3 april 2024 heeft eiser een nieuwe aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat verweerder de facultatieve bescherming niet per 4 september 2023 heeft kunnen beëindigen en heeft bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege eindigt op 4 maart 2024.
3. Bij beschikking van 3 april 2024 heeft verweerder eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024, vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en bepaald dat hij de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein binnen vier weken na 4 maart 2024 moet verlaten om terug te keren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft (Turkmenistan). Voorts is aangegeven dat eiser vanwege dit terugkeerbesluit in het Schengen Informatie Systeem (SIS) wordt gesignaleerd.
4. Verweerder heeft aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland aangezien zijn recht op tijdelijke bescherming onder de RTB op 4 maart 2024 is geëindigd. Volgens verweerder heeft eiser geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven tot het afzien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Hierbij merkt verweerder op dat naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 slechts de datum waarop de tijdelijke bescherming eindigt is gewijzigd en er geen andere wijzigingen zijn gebleken die relevant zijn voor het nu genomen terugkeerbesluit.
5. Eiser betoogt dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is genomen, omdat er ten aanzien van de kwestie of de tijdelijke bescherming beëindigd mocht worden nog prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) door deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en door de Afdeling. Ook is het terugkeerbesluit onrechtmatig opgelegd omdat de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat hij moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is totdat op het beroep is beslist. Verder voert eiser aan dat het terugkeerbesluit niet in stand kan blijven omdat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM.
Beoordeling door de rechtbank
Prematuur terugkeerbesluit?
Op het moment dat eiser het beroep tegen het terugkeerbesluit instelde en zijn beroepsgronden indiende had het Hof nog geen antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling en deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, hadden gesteld. Die vragen zijn inmiddels beantwoord door het hof in het arrest Kaduna. Het Hof heeft geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof dient te worden toegepast en heeft bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Eiser had dus op het moment dat het terugkeerbesluit werd uitgevaardigd geen legaal verblijf op grond van de RTB.
Ook de omstandigheid dat op het moment van het nemen van het terugkeerbesluit de bevriezingsmaatregel nog niet was geëindigd, betekent niet dat verweerder niet bevoegd was een terugkeerbesluit te nemen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2025 waarin is geoordeeld dat een derdelander door de bevriezingsmaatregel niet beschikt over een ‘verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot verblijf’, als vermeld in artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.
Eiser heeft gesteld dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 4 april 2024 uitspraak heeft gedaan in een zaak van hem en het verzoek om een voorlopige voorziening heeft toegewezen. De rechtbank is niet bekend met deze uitspraak. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft wel op 17 mei 2024 uitspraak gedaan en het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat ook in het geval dat er wel een voorziening was toegewezen, dit niet zou hebben betekend dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is op eiser. Volgens het Hof zou anders pas na de beslissing op het rechtsmiddel een terugkeerbesluit kunnen worden genomen, waardoor de inleiding van de terugkeerprocedure aanzienlijke vertraging zou kunnen oplopen en deze procedure complexer zou kunnen worden.
Verbod van refoulement geschonden?
Eiser voert verder aan dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst, omdat hij daar een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Het terugkeerbesluit is in strijd daarmee genomen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft kunnen overwegen dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding hadden moeten geven om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Verweerder heeft eiser de mogelijkheid geboden een zienswijze in te dienen naar aanleiding van het voornemen van 6 oktober 2023. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan. Ook ziet de rechtbank ambtshalve geen aanleiding om het besluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement. Ook in beroep heeft eiser geen concrete aanknopingspunten die wijzen op een mogelijke schending van het non-refoulementbeginsel naar voren gebracht. De enkele stelling dat het terugkeerbesluit niet in stand kan blijven vanwege een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM bij terugkeer naar het land van herkomst, is daartoe onvoldoende. Van dergelijke aanknopingspunten is de rechtbank ambtshalve ook niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.