RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54225
geboren op [datum] ,
van Somalische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. De rechtbank oordeelt dat de minister ten aanzien van Roemenië uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de Europese Unie.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 6 augustus 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. De minister heeft op 10 september 2026 besloten deze aanvraag niet in behandeling te nemen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL26.54226).
De rechtbank heeft het beroep op 26 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (Amb-verordening). Op grond van de Amb-verordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
In dit geval heeft Nederland op 24 augustus 2026 bij Roemenië een verzoek om overname gedaan op grond van artikel 29, vierde lid, van de Amb-verordening. Roemenië heeft dit verzoek om overname op 2 september 2026 aanvaard. Dat betekent dat Roemenië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres.
De minister heeft met het bestreden besluit de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000, omdat Roemenië hiervoor verantwoordelijk is.
Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?
4. Eiser voert, kort samengevat, aan dat niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Roemenië. Hij wijst erop dat uit het meest recente AIDA Country Report: Romania 2025-update, juni 2026 (het AIDA-rapport) volgt dat internationale organisaties nog steeds ernstige zorgen hebben over de feitelijke toegang tot bescherming in Roemenië. Volgens eiser volgt uit het AIDA-rapport dat er in Roemenië nog steeds structurele knelpunten bestaan ten aanzien van rechtsbijstand, toegang tot procedures, identificatie van kwetsbare personen, problemen met de beschikbaarheid van tolken en gebrekkige ondersteuning. Eiser heeft daarom angst dat hij na overdracht aan Roemenië geen daadwerkelijke toegang zal krijgen tot een effectieve asielprocedure en ook dat hij uiteindelijk zal worden verwijderd naar Somalië, al dan niet via Turkije. Er is volgens eiser in Roemenië sprake van situaties waarin personen zonder adequate beoordeling van hun beschermingsbehoefte werden teruggenomen of teruggeleid naar derde landen. Ook worden er volgens hem in het AIDA-rapport gevallen genoemd waarin Dublin-terugkeerders vervolgens opnieuw aan verwijderingsprocedures werden blootgesteld.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister ervan uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Roemenië een reëel risico lopen op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Deze tekortkomingen moeten dan een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Dit volgt uit het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019. Als dat niet het geval is, geldt dat over deze tekortkomingen moet worden geklaagd in de betreffende lidstaat. De rechtbank wijst daarbij op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 december 2008 in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 27 december 2023 en van 22 juli 2024 geoordeeld dat ten aanzien van Roemenië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het in deze procedure aangehaalde AIDA-rapport schetst naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk ander beeld dan hetgeen tot nu toe door de Afdeling is meegewogen. Eiser heeft onder andere gewezen op gerapporteerde ‘pushbacks’ en andere incidenten bij grensovergangen. De rechtbank wijst erop dat uit het AIDA-rapport volgt dat er in 2025 geen nieuwe ‘pushback’ incidenten werden gerapporteerd en dat er in 2025 ook geen publiek toegankelijke bronnen hebben gerapporteerd over systematisch slechte behandeling aan de grens. Eiser wijst er ook op dat in het AIDA-rapport over Dublinclaimanten wordt gerapporteerd die verder gedeporteerd werden naar Servië. Dat betreft de in 2023 gerapporteerde situatie. Over 2024 en 2025 werden op dat gebied geen nieuwe zaken gerapporteerd. Volgens eiser volgt uit het rapport ook dat er problemen zijn met de beschikbaarheid van tolken. Voor een deel citeert eiser ook daar oude informatie, namelijk uit 2023. Voor het overige stelt de rapportage dat er op dit gebied nog steeds uitdagingen zijn, maar wordt ook gerapporteerd dat UNHCR in zijn algemeenheid juist een verbetering in de kwaliteit van interviews en besluiten heeft geobserveerd. Ook de overige door eiser aangehaalde citaten uit het AIDA-rapport -waaronder ook die in het kader van het beroep op artikel 35 van de Amb-verordening zijn aangehaald- geven geen aanleiding te concluderen dat eiser in Roemenië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest, dan wel artikel 3 van het EVRM. Eiser is nog niet eerder aan Roemenië overgedragen als Dublinclaimant. Als eiser toch problemen ondervindt in Roemenië, mag van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Roemeense autoriteiten. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de Roemeense autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.
Voor zover eiser vreest voor indirect refoulement bij overdracht aan Roemenië, verwijst de rechtbank naar de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024. Daaruit volgt dat de beoordeling van een dergelijk gesteld risico op indirect refoulement niet plaats kan vinden binnen de kaders van een Dublinprocedure.
De minister kan daarom verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en stelt zich terecht op het standpunt dat ervan kan worden uitgegaan dat Roemenië de internationale verplichtingen nakomt.
De toepassing van artikel 35 Amb-verordening
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 35 van de Amb-verordening. Eiser heeft ook in dit kader gewezen op informatie uit het AIDA-rapport. Volgens eiser volgt uit het AIDA-rapport dat er in Roemenië nog steeds structurele knelpunten bestaan ten aanzien van rechtsbijstand, toegang tot procedures, identificatie van kwetsbare personen, problemen met de beschikbaarheid van tolken en gebrekkige ondersteuning.
In het door de minister gevoerde beleid over de toepassing van zijn discretionaire bevoegdheid is het volgende vermeld:
Een lidstaat kan besluiten een verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is de lidstaat er niet toe verplicht. Dit is de discretionaire bevoegdheid die staat in artikel 35, eerste lid, Asiel- en migratiebeheerverordening. De IND maakt in de regel geen gebruik van deze discretionaire bevoegdheid, tenzij dit naar het oordeel van de IND vanwege proceseconomische redenen aangewezen is.
In artikel 43, eerste lid van de Amb-verordening staat dat de verzoeker het recht heeft tegen het overdrachtsbesluit bij een rechtelijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen en is de draagwijdte van een dergelijk rechtsmiddel vermeld. Artikel 35 van de Amb-verordening, waarin de discretionaire bevoegdheid is opgenomen om een verzoek om internationale bescherming zelf te behandelen, is niet in dit artikel opgenomen. Artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening brengt daarom met zich mee dat de toepassing van artikel 35 van de Amb-verordening geen deel uitmaakt van de rechterlijke toetsing van het overdrachtsbesluit.
Eiser heeft nog aangevoerd dat artikel 43 van de Amb-verordening niet in de weg staat aan toetsing van artikel 35 van die verordening in onderhavige procedure, omdat er een rechtsmiddel open moet staan tegen een besluit geen gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid. Eiser heeft zijn beroep op artikel 35 van de Amb-verordening onderbouwd door te betogen dat er in Roemenië structurele knelpunten zijn bij de uitvoering van asielprocedures. De rechtbank begrijpt het door eiser aangevoerde aldus, dat hij hiermee niet betoogt dat de minister de aanvraag in behandeling had moeten nemen vanwege proceseconomische redenen. In ieder geval heeft hij daar geen argumenten voor gegeven. De rechtbank leest hetgeen door eiser op dit punt is aangevoerd als aanvulling op zijn betoog dat de minister niet uit kon gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft het op dit punt door eiser aangevoerde reeds onder 4.2. besproken en geoordeeld dat dit niet afdoet aan het bestreden besluit. De door eiser betrokken stelling op dit punt kan reeds daarom niet leiden tot het door hem beoogde doel. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat eiser mag worden overgedragen aan Roemenië. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. de Calonne, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.