ECLI:NL:RBDHA:2026:32223

ECLI:NL:RBDHA:2026:32223

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-11-2026
Datum publicatie 02-11-2026
Zaaknummer LEE 26-3671
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

vovo / beëindiging opvang / artikel 7 RooO

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 november 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit Midwolde, verzoekster

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerkwartier

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/3355

mede namens haar minderjarige dochter

[naam 2] en

(gemachtigde: mr. R. Tellinga).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college van 20 oktober 2026 om de noodopvang van verzoekster in de opvanglocatie in Midwolde te beëindigen. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijk kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 20 oktober 2026 heeft het college de noodopvang in Midwolde van verzoekster, een ontheemde uit Oekraïne, beëindigd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 29 oktober 2026 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de voorlopige voorziening getroffen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 20 oktober 2026 worden geschorst tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Het college heeft op 30 oktober 2026 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is er spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening?

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. De voorzieningenrechter overweegt dat het college de noodopvang van verzoekster op

20 oktober 2026 heeft beëindigd. Verzoekster heeft hierdoor geen opvang meer. Zij heeft aangegeven met haar dochter momenteel in een auto te slapen. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de beslissing op haar verzoek. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.

Heeft het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen?

4. De voorzieningenrechter kan in afwachting van een beslissing op bezwaar een voorlopige voorziening treffen als het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Het college heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat verzoekster, sinds zij op 3 april 2024 in de opvanglocatie te Marum verbleef waardoor zij akkoord is gegaan met de ‘Huisregels opvanglocaties voor ontheemden uit Oekraïne’ van de gemeente Westerkwartier, vaker en langere tijd (met tussenpozen) afwezig is geweest zonder geldige toestemming. In 2026 is verzoekster in totaal 43 dagen afwezig geweest, waarvan slechts 28 dagen op de daarvoor aangewezen wijze zijn aangevraagd en toegekend. Verzoekster is hier meerdere keren op aangesproken echter zonder resultaat. Dit heeft tot gevolg gehad dat het recht op verblijf op de locatie Marum per 1 september 2026 is beëindigd. Op 28 september 2026 heeft verzoekster zich met haar dochter gemeld in Utrecht met het verzoek om opvang. Nadat op 30 september 2026 van de coördinatie voor opvang van ontheemden uit Oekraïne was vernomen dat er landelijk geen plek beschikbaar is, is verzoekster geïnformeerd dat zij en haar dochter vanaf 7 oktober 2026 gebruik kunnen maken van de noodkamer te Midwolde. Op 8 oktober 2026 heeft een gesprek met verzoekster plaatsgevonden waarin de voorwaarden van het gebruik van de noodkamer zijn uitgelegd en is aangegeven hoe verzoekster kan voorkomen dat de opvang opnieuw beëindigd wordt. Desondanks is verzoekster op 16 oktober 2026 zonder toestemming of kennisgeving vertrokken en niet meer teruggekeerd. Daarop heeft het college de noodopvang beëindigd.

Het college mag op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (hierna: de Regeling) verstrekkingen, waaronder opvang, beperken of intrekken, indien een betrokkene de opvang definitief verlaat of langer dan 28 dagen per kalenderjaar niet in de opvang is verschenen zonder het college van burgemeester en wethouders hiervan op de hoogte te stellen. Het college heeft ter onderbouwing van het besluit de volgende stukken overgelegd: de huisregels; een brief over afwezigheid van 17 oktober 2026 met notities van 21 oktober 2026; het besluit van

20 oktober 2026; de brief over afwezigheid van 17 oktober 2017; het besluit van

1 september 2026; informatie uit het logboek. Het college heeft in deze stukken voldoende aanleiding gezien een besluit op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling te nemen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling vermelde bevoegdheid niet zo ver reikt dat het college de opvang van verzoekster kan beëindigen zonder in enig alternatief te voorzien. In artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke regeling opvang ontheemden Oekraïne is immers dwingendrechtelijk geformuleerd dat het college zorgdraagt voor de opvang van ontheemden. Op het college rust dus een resultaatsverplichting om aan verzoekster opvang te bieden. Verder blijkt uit de toelichting op artikel 7 van de Regeling dat bedoeld is om het mogelijk te maken om de verstrekkingen zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling te beperken of te beëindigen, maar dat op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming, waaraan de Regeling moet voldoen, ontheemden ‘een fatsoenlijk onderkomen krijgen of, in voorkomend geval, middelen in hunner beschikking krijgen om huisvesting te vinden.’ In de toelichting wordt verder vermeld dat het in aansluiting bij artikel 10 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva) mogelijk is om de verstrekkingen te beperken of beëindigen in een aantal gevallen, waarbij altijd in de basisvoorzieningen moet worden voorzien. Dit in de toelichting van artikel 7 van de Regeling beschreven uitgangspunt volgt ook uit het door de minister van Justitie en Veiligheid opgestelde handelingsperspectief en maatregelenpakket.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het voorgaande dat het college niet bevoegd was het besluit te nemen zoals is gedaan, omdat het college de opvang van verzoekster heeft beëindigd zonder dat in een vervangende opvang is voorzien.

Zoals uit het voorgaande blijkt is er sprake van een resultaatsverplichting en niet van een enkele inspanningsverplichting.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter concludeert dat het college niet bevoegd was het besluit te nemen. Dit betekent dat het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter bepaalt dat het college voorziet in opvang als bedoeld in de Regeling aan verzoekster tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

6. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om de minister te veroordelen in de voor verzoekster gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van de Bpb voor de door een derde verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift me een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat het college voorziet in opvang als bedoeld in de Regeling aan verzoekster tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- veroordeelt het college in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 934,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. P.C.J. Lindeijer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand