ECLI:NL:RBDHA:2026:32234

ECLI:NL:RBDHA:2026:32234

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-11-2026
Datum publicatie 03-11-2026
Zaaknummer NL26.63593 en NL26.63595
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Prejudiciële vragen over screening aan de buitengrens, het op grond van één maatregel in grensdetentie plaatsen op twee Unierechtelijke grondslagen, verplichte behandeling in de asielgrensprocedure, de pre-toets en de praktijk “bewaring, tenzij….”. Verzoekers zijn een 18-jarige vrouw en een 19-jarige man uit Rusland die met elkaar zijn gehuwd en zichzelf beiden als transgender identificeren. Verzoekers hebben op 20 oktober 2026 op Luchthaven Schiphol te Amsterdam en daarmee aan de buitengrens van de Unie, een verzoek om internationale bescherming ingediend en hun genderidentiteit mede aan hun verzoek ten grondslag gelegd. Verzoekers voldoen niet aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden. Verweerder heeft een aantal screeningshandelingen verricht maar voordat verweerder de screening heeft voltooid, heeft verweerder aan verzoekers vrijheidsontnemende maatregelen opgelegd en hen doorverwezen naar de asielgrensprocedure. Verweerder heeft na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregelen de screening voortgezet en heeft gelijktijdig een aanvang met de toepassing van de asielgrensprocedure gemaakt. In de Nederlandse rechtspraktijk wordt thans aangenomen dat de screening en de toepassing van de asielgrensprocedure gelijktijdig als grondslag van één vrijheidsontnemende maatregel kunnen dienen. In de Nederlandse rechtspraktijk worden bij wijze van hoofdregel alle verzoeken die aan de buitengrens worden ingediend door verzoekers die niet aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden voldoen in de asielgrensprocedure behandeld en gaat de verwijzing naar de asielgrensprocedure bij wijze van hoofdregel gepaard met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank twijfelt of deze drie onderdelen van de Nederlandse rechtspraktijk verenigbaar zijn met het Unierecht en vraagt het Hof om dit te verduidelijken. De rechtbank verzoekt het Hof ook om te verduidelijken of uit het Unierecht voor de bewaringsrechter de bevoegdheid, danwel de verplichting, voortvloeit om, zo nodig ambtshalve, na te gaan of de asielgrensprocedure de passende procedure is omdat een maatregel die is gebaseerd op een onjuiste grondslag als onrechtmatig moet worden beschouwd. De rechtbank verzoekt het Hof tot slot om nader te verduidelijken of het Unierecht toestaat dat een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd bij wijze van hoofdregel in plaats van bij wijze van laatste redmiddel. De vrijheidsontnemende maatregelen zijn door verweerder op 30 oktober 2026 opgeheven omdat in de asielgrensprocedure geen inwilligende besluiten kunnen worden genomen en verweerder verzoekers als vluchtelingen heeft erkend. De rechtbank ziet hierin een bevestiging voor haar vragen. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en verzoekt het Hof om de vijf prejudiciële vragen in de versnelde procedure (PPA) te behandelen. De rechtbank is zich er terdege van bewust dat het grote aantal procedures waarvoor de nadere precisering van het Unierecht van belang is doorgaans geen reden voor het Hof is om toepassing te geven aan de versnelde procedure. Indien het Hof van Justitie de vragen echter beantwoordt op de door de rechtbank voorgestane wijze, zal dit tot gevolg hebben dat een einde komt aan het stelselmatig in bewaring stellen van verzoekers die aan de buitengrens hun verzoek om internationale bescherming indienen maar niet aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden voldoen.

Uitspraak

[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 2008 te Ryazan, Rusland,

verzoekster,

en

[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 2007 te Krasnoyarskiy Kray, Rusland,

verzoeker,

beiden van Russische nationaliteit,

tezamen: verzoekers,

(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van de navolgende vragen in de versnelde procedure (PPA) , conform artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

I Dienen artikel 3, artikel 8, lid 3, en artikel 18, lid 5, van Verordening 2024/1356, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat het niet is toegestaan om de screening te beëindigen en de betrokken derdelander in bewaring te stellen op grond van artikel 10, lid 4 onder d, van Richtlijn 2024/1346 indien niet alle controles binnen de in artikel 8 van Verordening 2024/1356 bedoelde termijn zijn voltooid, maar deze termijn hiervoor niet is verstreken?

II Sluiten artikel 6 en 18, lid 5, van Verordening 2024/1356 en artikel 10, lid 1 en lid 4 onder d, van Richtlijn 2024/1346 uit dat een lidstaat één wettelijke grondslag hanteert om een derdelander op grond van één vrijheidsontnemende maatregel gelijktijdig in bewaring te stellen voor zowel de screening als om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van Verordening 2024/1348 een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden ?

III Is een nationale wettelijke regeling waarin de asielgrensprocedure verplicht als passende procedure wordt aangemerkt behoudens enkele limitatief omschreven uitzonderingen, verenigbaar met artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening 2024/1348 en artikel 45, eerste lid, van deze verordening, of vereist het toepassen van de asielgrensprocedure een beoordeling van de individuele feiten en omstandigheden van het geval?

IV Dienen artikel 10, lid 1 en lid 4 onder d, van Richtlijn 2024/1346, gelezen in samenhang met artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat de rechter die de rechtmatigheid van de maatregel van grensdetentie controleert, bevoegd danwel verplicht is om, zo nodig ambtshalve, vast te stellen dat de asielgrensprocedure geen passende procedure is om het verzoek om internationale bescherming te behandelen en die vaststelling te betrekken bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel van grensdetentie?

V Is nationaal beleid waarbij het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel in verband met de screening en het toepassen van de asielgrensprocedure als hoofdregel wordt gehanteerd verenigbaar met overweging 11 en artikelen 3 en 6 van Verordening 2024/1356 en overwegingen 26 en 33 en artikelen 10 en 11 van Richtlijn 2024/1346, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?

Motivering van het verzoek om toepassing van de versnelde procedure (PPA ) conform het bepaalde in artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Verzoekers zijn een 18-jarige vrouw en een 19-jarige man uit Rusland die met elkaar zijn gehuwd en zichzelf beiden als transgender identificeren. Verzoekers hebben op 20 oktober 2026 op Luchthaven Schiphol te Amsterdam en daarmee aan de buitengrens van de Unie, een verzoek om internationale bescherming ingediend en hun genderidentiteit mede aan hun verzoek ten grondslag gelegd.

Verzoekers voldoen ten tijde van het uiten van hun asielwens niet aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden. Verzoekers vallen onder de werkingssfeer van Verordening 2024/1356 en vallen onder de werkingssfeer van Richtlijn 2024/1346. Verweerder heeft een aantal screeningshandelingen verricht maar voordat verweerder de screening heeft voltooid, heeft verweerder aan verzoekers vrijheidsontnemende maatregelen opgelegd en hen doorverwezen naar de asielgrensprocedure. Verweerder heeft na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregelen de screening voortgezet en heeft gelijktijdig een aanvang met de toepassing van de asielgrensprocedure gemaakt.

De rechtbank is aangezocht om de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregelen te controleren.

In de Nederlandse rechtspraktijk wordt thans aangenomen dat de screening en de toepassing van de asielgrensprocedure gelijktijdig als grondslag van één vrijheidsontnemende maatregel kunnen dienen. In de Nederlandse rechtspraktijk worden tevens bij wijze van hoofdregel alle verzoeken die aan de buitengrens worden ingediend door verzoekers die niet aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden voldoen in de asielgrensprocedure behandeld en gaat de verwijzing naar de asielgrensprocedure bij wijze van hoofdregel gepaard met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel.

De rechtbank vraag het Hof om te verduidelijken of deze drie onderdelen van de Nederlandse rechtspraktijk verenigbaar zijn met het Unierecht. De rechtbank verzoekt het Hof ook om te verduidelijken of uit het Unierecht voor de bewaringsrechter de bevoegdheid, danwel de verplichting, voortvloeit om, zo nodig ambtshalve, na te gaan of de asielgrensprocedure de passende procedure is omdat een maatregel die is gebaseerd op een onjuiste grondslag als onrechtmatig moet worden beschouwd. De rechtbank verzoekt het Hof tot slot om nader te verduidelijken of het Unierecht toestaat dat een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd bij wijze van hoofdregel in plaats van bij wijze van laatste redmiddel.

Verweerder heeft op 30 oktober 2026 de vrijheidsontnemende maatregelen opgeheven, verzoekers in vrijheid gesteld en besluiten genomen op de verzoeken op internationale bescherming en verzoekers als vluchteling erkend. De rechtbank acht evenwel de gevraagde nadere verduidelijking van het Unierecht noodzakelijk omdat de rechtbank uitspraak zal moeten doen over een mogelijke aanspraak op schadevergoeding en de hoogte hiervan.

De rechtbank acht de antwoorden van het Hof ook relevant voor alle andere verzoekers die in Nederland aan de buitengrens een verzoek om internationale bescherming omdat aan al deze verzoekers, indien zij niet aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden voldoen, bij wijze van hoofdregel een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd.

De rechtbank is zich er terdege van bewust dat het grote aantal procedures waarvoor de nadere precisering van het Unierecht van belang is doorgaans geen reden voor het Hof van Justitie is om toepassing te geven aan de versnelde procedure.

Indien het Hof van Justitie de vragen echter beantwoordt op de door de rechtbank voorgestane wijze, zal dit tot gevolg hebben dat een einde komt aan het stelselmatig in bewaring stellen van verzoekers die aan de buitengrens hun verzoek om internationale bescherming indienen maar niet de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden voldoen.

Het Hof van Justitie heeft in haar eerdere rechtspraak verduidelijkt dat iedere maatregel van bewaring een ernstige inmenging op het grondrecht op vrijheid dat is verankerd in artikel 6 van het Handvest vormt. De rechtbank meent dat het mogelijk stelselmatig in strijd met het Unierecht in bewaring stellen van verzoekers om internationale bescherming die aan de buitengrens hun verzoek om internationale bescherming indienen maar niet aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden voldoen, een zodanige bijzondere omstandigheid is dat de twijfel over fundamentele vragen in verband met de juiste toepassing van het Unierecht binnen zeer korte termijn moet wordt weggenomen en een behandeling in de versnelde procedure daarom is vereist.

De rechtbank wijst in dit verband op de negen prejudiciële vragen die de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam heeft gesteld op 15 september 2026 over de wijze waarop in Nederland toepassing wordt gegeven aan de asielgrensprocedure en het opleggen van vrijheidsontnemende maatregelen ten behoeve van die procedure. De rechtbank onderschrijft al die vragen en de onderbouwing die de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam daarvoor heeft gegeven, alsmede het verzoek om ook die vragen in een spoed- of versnelde procedure te behandelen. De rechtbank wijst er ook op dat EUAA uiteen heeft gezet dat de asielgrensprocedure niet met oplegging van de asielgrensprocedure gepaard hoeft te gaan en dat een systematische inbewaringstelling zonder individuele beoordeling niet in overeenstemming is met Unierecht en overigens ook niet verenigbaar is met internationale rechtsnormen.

De rechtbank stelt daarom vijf prejudiciële vragen en verzoekt het Hof om deze vragen te behandelen in de versnelde procedure (PPA).

Voorstel beantwoording

De rechtbank wil het Hof van Justitie in overweging geven om de gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:

I Artikel 3, artikel 8, lid 3, en artikel 18, lid 5, van Verordening 2024/1356, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dienen aldus te worden uitgelegd dat het niet is toegestaan om de screening te beëindigen en de betrokken derdelander in bewaring te stellen op grond van artikel 10, lid 4 onder d, van Richtlijn 2024/1346, indien niet alle controles binnen de in artikel 8 van Verordening 2024/1356 bedoelde termijn zijn voltooid terwijl deze termijn hiervoor niet is verstreken.

II Artikel 6 en 18, lid 5, van Verordening 2024/1356 en artikel 10, lid 1 en lid 4 onder d, van Richtlijn 2024/1346 sluiten uit dat een lidstaat één wettelijke grondslag hanteert om een derdelander op grond van één vrijheidsontnemende maatregel gelijktijdig in bewaring te kunnen stellen voor zowel de screening als om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van Verordening 2024/1348 een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden.

III Een nationale wettelijke regeling waarin de asielgrensprocedure verplicht als passende procedure wordt aangemerkt voor de behandeling van alle verzoeken om internationale bescherming die aan de buitengrens worden ingediend door verzoekers die niet aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden voldoen behoudens enkele limitatief omschreven uitzonderingen, is niet verenigbaar met artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening 2024/1348 en artikel 45, eerste lid, van deze verordening, omdat de beslissing om de asielgrensprocedure toe te passen een beoordeling van de individuele feiten en omstandigheden van het geval vereist.

IV Artikel 10, lid 1 en lid 4 onder d, van Richtlijn 2024/1346, gelezen in samenhang met artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient aldus te worden uitgelegd dat de rechter die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van de maatregel van grensdetentie te controleren, bevoegd danwel verplicht is om, zo nodig ambtshalve, vast te stellen dat de asielgrensprocedure geen passende procedure is om het verzoek om internationale bescherming te behandelen en die vaststelling moet betrekken bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel van grensdetentie.

V Nationaal beleid waarbij het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel in verband met de screening en het toepassen van de asielgrensprocedure als hoofdregel wordt gehanteerd is niet verenigbaar met overweging 11 en artikelen 3 en 6 van Verordening 2024/1356 en overwegingen 26 en 33 en artikelen 10 en 11 van Richtlijn 2024/1346, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Procesverloop

Verzoekers hebben op 20 oktober 2026 aan de buitengrens van de Unie, op luchthaven Schiphol in Amsterdam, Nederland, een verzoek om internationale bescherming ingediend.

Bij besluiten van 20 oktober 2026 is aan verzoekers met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 van de besluiten tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregelen in kennis gesteld. Deze kennisgevingen worden gelijkgesteld met door verzoekers ingestelde beroepen en worden tevens aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding voor zover de vrijheidsontnemende maatregelen door de rechtbank als onrechtmatig worden gekwalificeerd.

De rechtbank heeft de beroepen tegen de vrijheidsontnemende maatregelen op 27 oktober 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de beroepen ter zitting heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat zij zich beraadt op het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en heeft dit voornemen toegelicht en partijen in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. De rechtbank heeft het onderzoek in beide procedures niet gesloten en heeft verweerder verzocht om de besluiten op de verzoeken om internationale bescherming van verzoekers aan het dossier toe te voegen indien deze stukken beschikbaar zijn voordat de rechtbank uitspraak doet en indien verweerder de vrijheidsontnemende maatregelen uit eigen beweging opheft, de rechtbank hierover onverwijld te informeren.

Verweerder heeft op 30 oktober 2026 de vrijheidsontnemende maatregelen opgeheven en daarbij als reden gegeven dat ‘de zaken zich niet lenen voor de asielgrensprocedure’. Op 30 oktober 2026 heeft verweerder vervolgens besluiten genomen op de verzoeken om internationale bescherming. Beide verzoekers zijn door verweerder erkend als vluchteling en aan beide verzoekers worden verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd verleend en verblijfspassen die geldig zijn van 31 oktober 2026 tot 31 oktober 2029 verstrekt.

Overwegingen

Inzet van het hoofdgeding en standpunten van partijen

1. Verzoekers zijn een 18-jarige vrouw en een 19-jarige man uit Rusland die op 5 augustus 2026 met elkaar zijn gehuwd. Verzoekster identificeert zichzelf als transgender man die op vrouwen valt. Verzoeker heeft verklaard dat zijn seksuele oriëntatie biseksueel is en zijn genderidentiteit transvrouw is. Verzoekers identificeren zichzelf dus beiden als transgender. Verzoeker is reeds in Rusland gestart met zijn transitieproces waarvoor hij medicatie gebruikt bestaande uit hormoontherapie. Verzoekster heeft verklaard dat zij medicatie gebruikt om haar menstruatie te stoppen, maar dat een ‘mannelijke hormoontherapie’ in tegenstelling tot een ‘vrouwelijke hormoontherapie’ ook de stem verandert in ‘een mannelijke stem’. Verzoekster is nog niet begonnen met deze hormoontherapie omdat zij in Rusland in een koffiebar als leidinggevende werkzaam was en bang was om haar inkomsten te verliezen. Verzoekers willen beiden een geslachtsveranderende genderbevestigende operatie ondergaan.

2. Verzoekers zijn op 19 oktober 2026 per vliegtuig op de internationale luchthaven Schiphol te Amsterdam aangekomen. Omdat verzoekers laat in de avond arriveerden hebben zij van de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) een aanwijzing gekregen om zich tot 20 oktober 2026 om 07:00 uur op te houden in de internationale lounge van de luchthaven. Verzoekers hebben deze aanwijzing opgevolgd en hebben zich op 20 oktober 2026 gemeld.

3. Verzoekers hebben paspoorten overgelegd die zijn afgegeven door de Russische autoriteiten en die na documentonderzoek door de KMar, afdeling Falsificaten, echt zijn bevonden. Verzoekers hebben verklaard dat zij vanuit Rusland naar Peking zijn gevlogen en vanuit Peking naar Shanghai hebben gereisd voordat ze aansluitend naar Amsterdam zijn vertrokken en dat Belgrado, Servië, hun eindbestemming was. Verzoekers zijn in het bezit van vliegtickets die deze verklaringen staven en hebben deze vliegtickets bij de aanmelding getoond.

4. Verzoekers hebben geen toestemming gekregen om hun geplande reis naar Belgrado te vervolgen. Verweerder heeft removal orders tegen de luchtvaartmaatschappij die hen vervoerde uitgevaardigd om verzoekers, indien zij niet tot Nederland worden toegelaten, te kunnen verwijderen naar China.

5. Verzoekers hebben -vervolgens- op 20 oktober 2026 ten overstaan van de KMar een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verzoekers hebben meteen verklaard dat hun genderidentiteit mede ten grondslag ligt aan hun verzoeken om internationale bescherming. Verzoeker heeft tevens meteen verklaard in transitie te zijn van man naar vrouw en daarvoor medicatie te gebruiken. Beide verzoekers hebben verklaard te beschikken over medische stukken en hebben verklaard welke medicatie zij gebruiken en hebben hiervan bij het indienen van hun verzoek om internationale bescherming bewijzen getoond.

6. Verzoekers waren aanvankelijk niet van plan om het grondgebied van de Unie in te reizen en verzoekers voldoen niet aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden. Dit is niet in geschil.

7. Omdat verzoekers zich aan de buitengrens hebben gemeld, zijn zij op grond van Verordening 2024/1356 onderworpen aan een screening. De KMar is aangewezen als de screeningsautoriteit in Nederland. De KMar heeft een aantal screeningshandelingen verricht, verzoekers kort gehoord en op 20 oktober 2026 aan verzoekers de vrijheidsontnemende maatregelen opgelegd die in het hoofdgeding voorwerp van geding zijn. Tevens heeft de Kmar op 20 oktober 2026 de beschikkingen tot het uitstellen van het nemen van een besluit over de toegang uitgevaardigd, verzoekers naar de asielgrensprocedure verwezen en in grensdetentie geplaatst.

8. Op grond van het beleid dat verweerder voert is de voorlopige medische controle, welke controle een verplicht element van de screening is, niet uitgevoerd voordat verzoekers zijn doorverwezen naar de asielgrensprocedure. De screening is op het moment van het verwijzen naar de asielgrensprocedure niet beëindigd, maar voortgezet tijdens het toepassen van de asielgrensprocedure.

9. Verweerder voert het beleid dat als de asielgrensprocedure wordt toegepast, aan de verzoekers -bij wijze van hoofdregel- de vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie wordt opgelegd. De rechtvaardiging om de vrijheidsontneming als hoofdregel en niet als uitzondering en ultimum remedium toe te passen, ziet verweerder gelegen in het grensbewakingsbelang. Verweerder meent dat het grensbewakingsbelang een standaardmatige inbreuk op het recht op vrijheid rechtvaardigt omdat verweerder aanneemt dat de toepassing van een lichter middel niet mogelijk is zonder het grensbewakingsbelang prijs te geven.

10. Verweerder zet op grond van dit beleid de screening voort gedurende de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

11. Omdat verweerder na oplegging van de grensdetentiemaatregel zowel screeningshandelingen verricht als de asielgrensprocedure uitvoert, ligt aan de vrijheidsontnemende maatregel in wezen zowel Verordening 2024/1356 als Richtlijn 2024/1346 ten grondslag. In het hoofdgeding heeft verweerder niet kenbaar gemaakt wanneer de screening is beëindigd. Beide grondslagen zijn tot aan de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregelen door verweerder toegepast.

12. De Nederlandse wetgever heeft in de Vreemdelingenwet 2000 één wettelijke bepaling opgenomen die verweerder aan een vrijheidsontnemende maatregel ten grondslag kan leggen zowel ten behoeve van de screening, als het ten behoeve van een grensprocedure nemen van een beslissing over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. Verweerder meent dat de screening en de asielgrensprocedure gelijktijdig kunnen plaatsvinden en meent daarom dat het opleggen van één maatregel volstaat die tegelijkertijd als grondslag voor de screening en als grondslag voor het toepassen van de asielgrensprocedure kan dienen.

13. De rechtbank overweegt dat dit beleid op meerdere onderdelen onverenigbaar met het Unierecht lijkt. Een vrijheidsontnemende maatregel mag immers uitsluitend worden opgelegd als na een beoordeling op grond van individuele feiten en omstandigheden die de verzoeker om internationale bescherming betreffen, kan worden vastgesteld dat een vrijheidsontnemende maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig is. De rechtbank vraagt zich verder af of het beleid om de screening voort te zetten tijdens het toepassen van de asielgrensprocedure en het in bewaring stellen op twee Unierechtelijke grondslagen die gelijktijdig de inbreuk op het recht op vrijheid moeten rechtvaardigen is toegestaan. Thans is de nationale wettelijke grondslag in één en dezelfde bepaling neergelegd. De rechtbank vraagt zich echter af of bewaring uit hoofde van Verordening 2024/1356 en uit hoofde van Richtlijn 2024/1346 twee zelfstandige en elkaar opvolgende vrijheidsontnemende maatregelen vereist. Verordening 2024/1356 en Richtlijn 2024/1346 zijn immers zelfstandige regelingen en de bewaring uit hoofde van deze regelingen kent een ander doel en moet aan andere vereisten voldoen.

14. De rechtbank vraagt zich ook af de bewaringsrechter, indien zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens en hieruit blijkt dat het evident is dat het verzoek om internationale bescherming een grondig inhoudelijk onderzoek naar de beschermingsbehoefte vereist, bevoegd danwel verplicht is om, zo nodig ambtshalve, vast te stellen dat de asielgrensprocedure niet als passende procedure kan worden beschouwd en deze vaststelling mag betrekken bij de rechterlijke controle van de vrijheidsontnemende maatregel. Partijen zijn het er over eens dat verweerder de asielgrensprocedure als ‘passende procedure’ heeft aangemerkt zoals bedoeld in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening 2024/1348, zonder daartoe verplicht te zijn op grond van artikel 45, eerste lid, van deze verordening. De Nederlandse wetgever ziet in de bevoegdheid die Verordening 2024/1348 de lidstaten biedt om een verzoek om internationale bescherming in de asielgrensprocedure te behandelen als dit niet verplicht is, een bevoegdheid om in de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat alle verzoeken om internationale bescherming die aan de buitengrens worden ingediend, behoudens enkele limitatief opgesomde uitzonderingen, verplicht in de asielgrensprocedure moeten worden behandeld indien de verzoekers niet voldoen aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden. De rechtbank vraagt zich af of dit verenigbaar is met het Unierecht, dan wel dat de Uniewetgever heeft beoogd dat het bepalen van de passende procedure moet worden gebaseerd op de individuele feiten en omstandigheden van het geval. De rechtbank meent bovendien dat de Uniewetgever de bevoegdheid om de passende procedure te bepalen aan de beslissingsautoriteit heeft willen verlenen en niet aan de nationale wetgever.

15. Aan verzoekers is de toegang tot Nederland geweigerd. Verzoekers hebben echter verklaard dat zij Nederland niet als eindbestemming van hun vlucht en vliegreis hadden. Tijdens de tussenlanding op luchthaven Schiphol is hen geweigerd om hun reis naar Belgrado voort te zetten. Indien verzoekers geen verzoek om internationale bescherming in Nederland zouden indienen nadat duidelijk was dat zij geen toestemming kregen om hun reis naar Belgrado voort te zetten, zouden zij aanstonds met gebruikmaking van de removal orders zijn verwijderd naar China. Verzoekers hebben meteen bij het indienen van hun verzoek om internationale bescherming verklaard dat zij hun genderidentiteit mede aan hun verzoek om internationale bescherming ten grondslag leggen en verzoeker heeft bewijzen van medicatie overgelegd waaruit blijkt dat hij hormoonbehandeling krijgt en zich in een transitie van man naar vrouw bevindt. Verweerder voert ten aanzien van Rusland landgebonden beleid waarin hij het behoren tot de LHBTIQ+-gemeenschap aanmerkt als risicoprofiel. Verweerder heeft aan deze omstandigheden geen gewicht toegekend bij het bepalen dat de asielgrensprocedure, die standaardmatig gepaard gaat met het opleggen van de maatregel van grensdetentie, de passende procedure is om de verzoeken om internationale bescherming te behandelen. De rechtbank acht het evident dat de behandeling in de asielgrensprocedure niet passend is voor de behandeling van de

verzoeken om internationale bescherming van verzoekers en overweegt dat dit duidelijk is geweest voordat verzoekers zijn doorverwezen naar de asielgrensprocedure.

16. De rechtbank ziet hiervoor bevestiging in de omstandigheid dat verweerder bij besluiten van 30 oktober 2026 beide verzoekers heeft erkend als vluchteling en aan hen internationale bescherming heeft verleend. In de “M113” van verzoekers, welk document het standaardformulier is om een besluit tot opheffing van een vrijheidsontnemende maatregel vast te leggen, is ook vermeld dat de reden voor de opheffing is dat ‘de zaak zich niet leent voor GP’ (bedoeld is de asielgrensprocedure). Dit ziet alleen op de omstandigheid dat gedurende de asielgrensprocedure de verzoeken om internationale bescherming niet mogen worden ingewilligd. Omdat de asielgrensprocedure niet is bedoeld om verzoeken om internationale bescherming gegrond te verklaren, voert verweerder het beleid dat in een dergelijke situatie eerst de asielgrensprocedure moet worden beëindigd en de vrijheidsontnemende maatregel moet worden opgeheven voordat het besluit op de verzoeken om internationale bescherming kan worden genomen en de internationalebeschermingsstatus kan worden verleend. Uit de omstandigheid dat verweerder voor deze situatie beleid heeft vastgesteld, blijkt reeds dat dit niet incidenteel aan de orde is.

17. De rechtbank is voorts verplicht om een doeltreffende voorziening in rechte te bieden en overweegt dat dit zou moeten meebrengen dat de rechtbank in de onderhavige procedure moet kunnen vaststellen dat de asielgrensprocedure niet als passende procedure kon worden aangemerkt en deze vaststelling moet kunnen betrekken bij de rechterlijke controle van de vrijheidsontnemende maatregelen.

18. In het hoofdgeding rijzen de bovenstaande vragen ten aanzien van de wettelijke regelgeving en het beleid dat thans wordt gevoerd en de rechtbank heeft dit ter zitting besproken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de betreffende wettelijke regeling en zijn beleid volledig verenigbaar zijn met het Unierecht en heeft daarbij gewezen op de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Verzoekers stellen zich op het standpunt dat het niet verrichten van een voorlopige medische controle alvorens de passende procedure te bepalen en het standaardmatig en gelijktijdig in bewaring houden ten behoeve van de screening en ten behoeve van de asielgrensprocedure niet verenigbaar is met het Unierecht. In de nationale rechtspraak bestaat in de lagere rechtspraak divergentie over al deze punten.

19. De vrijheidsontnemende maatregelen die voorwerp van geding zijn, zijn op 30 oktober 2026 opgeheven en verzoekers zijn in vrijheid gesteld alvorens de beslissingen op hun verzoeken om internationale bescherming zijn genomen. De rechtbank acht het stellen van prejudiciële vragen en het verkrijgen van een nadere precisering evenwel noodzakelijk om het hoofdgeding te beslissen. De rechtbank moet de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregelen controleren en, indien zij tot de conclusie komt dat deze maatregelen onrechtmatig zijn opgelegd, de aanspraak op schadevergoeding en de hoogte hiervan bepalen. Het Hof heeft in haar arrest van 4 oktober 2024 in de zaak Bouskoura reeds gewezen op de mogelijkheid voor de bewaringsrechter om een hoger bedrag aan schadevergoeding vast te stellen dan verweerder (mogelijk) aanbiedt indien de vrijheidsontnemende maatregel als onrechtmatig moeten worden beschouwd.

20. De rechtbank stelt daarom de navolgende prejudiciële vragen en verzoekt het Hof om deze vragen in de versnelde procedure (PPA) te behandelen:

I Dienen artikel 3, artikel 8, lid 3, en artikel 18, lid 5, van Verordening 2024/1356, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat het niet is toegestaan om de screening te beëindigen en de betrokken derdelander in bewaring te stellen op grond van artikel 10, lid 4 onder d, van Richtlijn 2024/1346 indien niet alle controles binnen de in artikel 8 van Verordening 2024/1356 bedoelde termijn zijn voltooid, maar deze termijn hiervoor niet is verstreken?

II Sluiten artikel 6 en 18, lid 5, van Verordening 2024/1356 en artikel 10, lid 1 en lid 4 onder d, van Richtlijn 2024/1346 uit dat een lidstaat één wettelijke grondslag hanteert om een derdelander op grond van één vrijheidsontnemende maatregel gelijktijdig in bewaring te stellen voor zowel de screening als om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van Verordening 2024/1348 een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden ?

III Is een nationale wettelijke regeling waarin de asielgrensprocedure verplicht als passende procedure wordt aangemerkt behoudens enkele limitatief omschreven uitzonderingen, verenigbaar met artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening 2024/1348 en artikel 45, eerste lid, van deze verordening, of vereist het toepassen van de asielgrensprocedure een beoordeling van de individuele feiten en omstandigheden van het geval?

IV Dienen artikel 10, lid 1 en lid 4 onder d, van Richtlijn 2024/1346, gelezen in samenhang met artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat de rechter die de rechtmatigheid van de maatregel van grensdetentie controleert, bevoegd danwel verplicht is om, zo nodig ambtshalve, vast te stellen dat de asielgrensprocedure geen passende procedure is om het verzoek om internationale bescherming te behandelen en die vaststelling te betrekken bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel van grensdetentie?

V Is nationaal beleid waarbij het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel in verband met de screening en het toepassen van de asielgrensprocedure als hoofdregel wordt gehanteerd verenigbaar met overweging 11 en artikelen 3 en 6 van Verordening 2024/1356 en overwegingen 26 en 33 en artikelen 10 en 11 van Richtlijn 2024/1346, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?

Toepasselijke bepalingen

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Artikel 6 - Het recht op vrijheid en veiligheid

Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon

Artikel 47 - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht

Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

(…)

Verordening 2016/399

Artikel 6 Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen

1.Voor een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de 180 voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen, gelden voor onderdanen van derde landen de volgende toegangsvoorwaarden:

(…)

c) het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;

(…)

Verordening 2024/1356

Overwegingen

6. De screening van onderdanen van derde landen moet er met name toe bijdragen dat zij in een zo vroeg mogelijk stadium naar de passende procedures worden doorverwezen en dat zij die procedures zonder onderbreking of vertraging doorlopen. Tegelijkertijd moet de screening een einde helpen maken aan de praktijk dat sommige verzoekers om internationale bescherming, nadat zij op basis van hun verzoek om internationale bescherming toestemming hebben gekregen om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen, onderduiken met de bedoeling hun verzoek in een andere lidstaat in te dienen of geen verzoek in te dienen.

7. De screening van onderdanen van derde landen die om internationale bescherming verzoeken, moet worden gevolgd door een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming. Daarbij moet alle informatie die voor de voor dat onderzoek bevoegde autoriteiten van belang is om te bepalen welke de passende procedure is voor de

behandeling van het verzoek, zonder vooruit te lopen op het soort procedure, worden verzameld en met deze autoriteiten gedeeld, zodat dat onderzoek wordt bespoedigd. De screening moet tevens helpen bij de identificatie van kwetsbare personen, zodat bij de bepaling en toepassing van de toepasselijke procedure ten volle rekening wordt

gehouden met eventuele bijzondere behoeften.

11. Onderdanen van derde landen die aan de screening worden onderworpen, moeten tijdens de screening ter beschikking van de screeningsautoriteiten blijven. De lidstaten moeten in hun nationale recht bepalingen opnemen om de aanwezigheid van die onderdanen van derde landen tijdens de screening te garanderen, teneinde onderduiken te voorkomen. In de gevallen waarin zulks nodig blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, mogen de lidstaten een persoon die aan screening wordt onderworpen in bewaring houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Er mag alleen tot bewaring worden overgegaan als laatste redmiddel en in overeenstemming met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, waarbij, in

overeenstemming met het nationale, Unie- en internationale recht, moet worden voorzien in een doeltreffende voorziening in rechte. De toepasselijke bepalingen van Richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad () voor personen die om internationale bescherming verzoeken, en de toepasselijke regels inzake bewaring van Richtlijn 2008/115/EG (de “terugkeerrichtlijn”) voor onderdanen van derde landen die geen verzoek om internationale bescherming hebben ingediend, moeten tijdens de screening van toepassing zijn.

15. Na afloop van de screening moeten de betrokken onderdanen van derde landen naar de autoriteiten worden doorverwezen die bevoegd zijn voor de registratie van het verzoek om internationale bescherming, of moeten zij worden onderworpen aan procedures die in overeenstemming zijn met Richtlijn 2008/115/EG, naargelang het geval. De tijdens de screening verkregen informatie moet aan de bevoegde autoriteiten worden verstrekt om te worden meegenomen in de verdere beoordeling van elk individueel geval, met volledige inachtneming van de grondrechten. Indien nodig moeten de in deze verordening vastgestelde controles door de respectieve bevoegde autoriteiten worden voortgezet in het kader van de daaropvolgende procedure. De procedures van Richtlijn 2008/115/EG

mogen pas van toepassing worden nadat de screening is beëindigd. De bepalingen inzake de registratie van verzoeken om internationale bescherming van Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad () mogen pas van toepassing zijn nadat de screening is beëindigd. Dat moet onverlet laten dat onderdanen van derde landen die om internationale bescherming verzoeken op het moment van aanhouding, tijdens de grenscontrole aan de grensdoorlaatpost of tijdens de screening, als verzoekers van internationale bescherming

moeten worden beschouwd en dat Verordening (EU) 2024/1348 en Richtlijn (EU) 2024/1346 op hen van toepassing moeten zijn.

22. De screening aan de buitengrens moet zo spoedig mogelijk worden voltooid en mag niet langer dan zeven dagen duren. De screening op het grondgebied moet zo spoedig mogelijk worden voltooid en mag niet langer dan drie dagen duren. De lidstaten mag niet worden belet de screening aan de buitengrens en de screening op het grondgebied binnen een kortere termijn te voltooien, mits de in deze verordening voorgeschreven controles worden uitgevoerd.

36. Onderdanen van derde landen die aan de screening worden onderworpen, moeten een voorlopige medische controle door gekwalificeerd medisch personeel ondergaan om vast te stellen of zij gezondheidszorg behoeven of geïsoleerd moeten worden omwille van de volksgezondheid. Gekwalificeerd medisch personeel moet, op basis van de medische

omstandigheden betreffende de algemene toestand van elke individuele onderdaan van een derde land, kunnen besluiten dat tijdens de screening geen verdere medische controle nodig is. Die voorlopige medische controle moet worden uitgevoerd door gekwalificeerd medisch personeel dat tot een van de volgende categorieën van de ISCO-08-classificatie van de internationale standaardclassificatie van beroepen onder de verantwoordelijkheid van de

Internationale Arbeidsorganisatie behoort: 221 artsen, 2221 verpleegkundigen, of 2240 paramedici.

37. Er moet een voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid worden uitgevoerd om personen te identificeren waarvoor er aanwijzingen zijn dat zij kwetsbaar zijn, slachtoffer zijn van foltering of andere onmenselijke of onterende behandeling, of staatloos zijn, dan wel bijzondere opvang- of procedurele behoeften hebben in de zin van respectievelijk Richtlijn (EU) 2024/1346 en Verordening (EU) 2024/1348. Dit moet de verdere beoordeling in het kader van volgende procedures na voltooiing van de screening onverlet laten. De beoordeling van de kwetsbaarheid moet worden uitgevoerd door daartoe opgeleid gespecialiseerd personeel van de screeningsautoriteiten.

Artikel 1 – Onderwerp

Bij deze verordening wordt bepaald dat:

a. a) onderdanen van derde landen aan de buitengrenzen van de lidstaten die, zonder aan de toegangsvoorwaarden die zijn bepaald in artikel 6 van Verordening (EU) 2016/399, te voldoen, de buitengrens onrechtmatig hebben overschreden, tijdens grenscontroles om internationale bescherming hebben verzocht, of na een opsporings- en reddingsoperatie zijn ontscheept, gescreend worden alvorens zij naar de passende procedure worden doorverwezen, en(…)

Artikel 3 – Grondrechten

Bij de toepassing van deze verordening handelen de lidstaten met volledige naleving van het toepasselijke Unierecht, waaronder het Handvest, van het toepasselijke internationale recht, waaronder het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals aangevuld bij het Protocol van New York van 31 januari 1967, van de

verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement, en van de grondrechten.

Artikel 5 - Screening aan de buitengrens

(…)

2.De in deze verordening bepaalde screening is van toepassing op alle onderdanen van derde landen die aan buitengrensdoorlaatposten of in transitzones een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend en die niet voldoen aan de in artikel 6 van Verordening (EU) 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden.

(…)

Artikel 6 – Toelating tot het grondgebied van een lidstaat

Tijdens de screening mogen de in artikel 5, leden 1 en 2, bedoelde personen niet tot het grondgebied van een lidstaat worden toegelaten. De lidstaten leggen in hun nationale recht bepalingen vast om ervoor te zorgen dat de in artikel 5, leden 1 en 2, bedoelde personen voor de duur van de screening ter beschikking blijven van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de screening op de in artikel 8 bedoelde locaties, om elk risico op onderduiken, mogelijke bedreigingen voor de binnenlandse veiligheid als gevolg van dergelijk onderduiken of mogelijke gevaren voor de

volksgezondheid als gevolg van dergelijk onderduiken te voorkomen.

Artikel 8 – Voorschriften betreffende screening

(…)

3. In de in artikel 5 van deze verordening bedoelde gevallen wordt de screening onverwijld uitgevoerd en in elk geval voltooid binnen zeven dagen nadat de persoon in het buitengrensgebied is aangehouden, op het grondgebied van de betrokken lidstaat is ontscheept of zich bij de grensdoorlaatpost heeft gemeld.(…)

(…)

5. De screening bestaat uit de volgende elementen:

a. a) een voorlopige medische controle overeenkomstig artikel 12;

b) een voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid overeenkomstig artikel 12;

(…)

g) doorverwijzing naar de passende procedure overeenkomstig artikel 18.

(…)

9.(…)

De lidstaten zorgen ervoor dat gekwalificeerd medisch personeel de in artikel 12 bedoelde voorlopige medische controle uitvoert en dat daartoe opgeleid gespecialiseerd personeel van de screeningsautoriteiten de in dat artikel bedoelde voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid verricht.(…)

Artikel 12 – Voorlopige medische controles en beoordeling van de kwetsbaarheid

1.Onderdanen van derde landen die aan de in de artikelen 5 en 7 bedoelde screening worden onderworpen, ondergaan een voorlopige medische controle uitgevoerd door gekwalificeerd medisch personeel om vast te stellen of zij gezondheidszorg behoeven of geïsoleerd moeten worden omwille van de volksgezondheid. Gekwalificeerd medisch personeel kan op basis van de medische omstandigheden betreffende de algemene toestand van een individuele onderdaan van een derde land besluiten dat tijdens de screening geen verdere medische controle nodig is. Onderdanen van derde landen die aan de in de artikelen 5 en 7 bedoelde screening worden onderworpen, hebben toegang tot spoedeisende gezondheidszorg en essentiële behandeling van ziekten.

(…)

3. Ten aanzien van onderdanen van derde landen die aan de in de artikelen 5 en 7 bedoelde screening worden onderworpen, wordt een voorlopige beoordeling van hun kwetsbaarheid verricht door gespecialiseerd, daartoe opgeleid personeel van de screeningsautoriteiten om na te gaan of een onderdaan van een derde land mogelijk een staatloze, kwetsbaar of een slachtoffer is van foltering of andere onmenselijke of onterende behandeling, dan wel speciale behoeften heeft in de zin van Richtlijn 2008/115/EG, artikel 25 van Richtlijn (EU) 2024/1346 en artikel 20 van Verordening (EU) 2024/1348. Voor het beoordelen van die kwetsbaarheid kunnen de screeningsautoriteiten worden bijgestaan door niet-gouvernementele organisaties en, in voorkomend geval, door gekwalificeerd medisch personeel.

(…)

Artikel 18 – Voltooiing van de screening

2. Onderdanen van derde landen bedoeld in de artikelen 5 en 7 die een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend, worden doorverwezen naar de autoriteiten die bevoegd zijn voor de registratie van het verzoek om internationale bescherming.

(…)

5. Indien onderdanen van derde landen als bedoeld in artikel 5, leden 1 en 2, en artikel 7 van deze verordening worden doorverwezen naar de passende procedure voor internationale bescherming, een procedure die in overeenstemming is met Richtlijn 2008/115/EG of naar de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat in verband met te herplaatsen onderdanen

van derde landen, wordt de screening beëindigd. Indien niet alle controles binnen de in artikel 8 van deze verordening bedoelde termijnen zijn voltooid, wordt de screening van die persoon toch beëindigd en wordt de betrokkene naar de passende procedure doorverwezen.

Verordening 2024/1348

Artikel 42 - Versnelde behandelingsprocedure

1.Onverminderd artikel 21, lid 2, versnelt de beslissingsautoriteit, overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, de behandeling ten gronde van een verzoek om internationale bescherming, wanneer:

(…)

j) de verzoeker de nationaliteit heeft van of, in het geval van een staatloze, zijn gewone verblijfplaats had in een derde land waarvoor, volgens de meest recente beschikbare jaargemiddelden van Eurostat voor de gehele Unie, de beslissingsautoriteit in 20 % of minder van de gevallen internationale bescherming heeft verleend, tenzij de beslissingsautoriteit oordeelt dat zich sinds de publicatie van de desbetreffende Eurostat-gegevens in het betrokken derde land een belangrijke wijziging heeft voorgedaan of dat de verzoeker behoort tot een categorie van personen voor wie het erkenningspercentage van 20 % of minder niet als representatief voor hun beschermingsbehoeften kan worden beschouwd, rekening houdend met onder meer de aanzienlijke verschillen tussen beslissingen in eerste aanleg en eindbeslissingen.

Artikel 43 - Voorwaarden voor de toepassing van de asielgrensprocedure

1. Na afloop van de overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1356 uitgevoerde screening, indien van toepassing en op voorwaarde dat de verzoeker nog geen toegang heeft gekregen tot het grondgebied van de lidstaten, kan een lidstaat, in overeenstemming met de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, een verzoek behandelen in een grensprocedure indien dat verzoek is ingediend door een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van een lidstaat als vastgesteld in artikel 6 van Verordening (EU) 2016/399. De grensprocedure kan worden toegepast:

a)na de indiening van een verzoek aan een doorlaatpost aan de buitengrens of in een transitzone;

(…)

Artikel 44 - Beslissingen in het kader van de asielgrensprocedure

1.Wanneer een grensprocedure wordt toegepast, kan een beslissing worden genomen over:

a)de ontvankelijkheid van een verzoek overeenkomstig artikel 38;

b)de gegrondheid van een verzoek indien een van de in artikel 42, lid 1, punten a) tot en met g) en punt j), en artikel 42, lid 3, punt b), genoemde omstandigheden zich voordoen.

(…)

Artikel 45 - Verplichte toepassing van de asielgrensprocedure

1. In de in artikel 43, lid 1, bedoelde gevallen behandelt een lidstaat een verzoek in een grensprocedure indien een van de in artikel 42, lid 1, punt c), f) of j), bedoelde omstandigheden zich voordoet.

Artikel 53 - Uitzonderingen op de asielgrensprocedure

(…)

2. De lidstaten passen de grensprocedure niet toe of zetten die procedure stop indien in enige fase van de procedure:

a. a) de beslissingsautoriteit van oordeel is dat de gronden voor het afwijzen van een verzoek als niet-ontvankelijk of voor het toepassen van de versnelde behandelingsprocedure niet of niet langer van toepassing zijn;

b)verzoekers met bijzondere opvangbehoeften, waaronder minderjarigen, overeenkomstig hoofdstuk IV van Richtlijn (EU) 2024/1346 niet de nodige ondersteuning kan worden verleend op de in artikel 54 bedoelde locaties;

c)verzoekers die bijzondere procedurele waarborgen behoeven, niet de nodige ondersteuning kan worden geboden op de in artikel 54 bedoelde locaties;

d)er relevante medische redenen zijn om de grensprocedure niet toe te passen, waaronder redenen in verband met geestelijke gezondheid;

(…)

Richtlijn 2024/1346

Overwegingen

26. De bewaring van verzoekers moet worden toegepast in overeenstemming met het onderliggende beginsel dat personen niet in bewaring mogen worden gehouden om de enkele reden dat zij om internationale bescherming verzoeken, met name overeenkomstig de internationale wettelijke verplichtingen van de lidstaten en in het bijzonder overeenkomstig artikel 31 van het Verdrag van Genève. Het mag alleen mogelijk zijn verzoekers in bewaring te nemen onder de in deze richtlijn vastgestelde, zeer duidelijk omschreven uitzonderlijke omstandigheden en alleen indien dit beantwoordt aan de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, zowel wat de wijze als wat het doel van de bewaring betreft. De bewaring van verzoekers uit hoofde van deze richtlijn moet schriftelijk worden

bevolen door de gerechtelijke of administratieve autoriteiten met vermelding van de redenen ervan, ook in gevallen waarin de betrokkene reeds in bewaring wordt gehouden wanneer het verzoek om internationale bescherming wordt gedaan. Verzoekers die in bewaring worden gehouden, dienen daadwerkelijk de noodzakelijke procedurele waarborgen te kunnen genieten, zoals een beroep op rechterlijke toetsing en het recht op gratis juridische bijstand en vertegenwoordiging, indien van toepassing uit hoofde van deze richtlijn.

33. Teneinde de fysieke en psychische integriteit van verzoekers beter te waarborgen, moet hun bewaring een maatregel zijn die pas in laatste instantie wordt genomen, en mag het enkel mogelijk zijn verzoekers in bewaring te nemen nadat alle niet-vrijheidsberovende maatregelen als alternatief voor bewaring naar behoren zijn onderzocht. De verplichting om die alternatieve maatregelen te onderzoeken moet het gebruik van bewaring onverlet laten indien dergelijke alternatieve maatregelen, met inbegrip van een verplichte verblijfplaats en meldingsplicht, niet doeltreffend kunnen worden toegepast. In elk besluit tot oplegging van bewaring moet worden vermeld waarom minder dwingende alternatieve maatregelen niet doeltreffend konden worden toegepast. Bij elke alternatieve maatregel voor bewaring moeten de fundamentele mensenrechten van verzoekers worden geëerbiedigd.

Artikel 2 - Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

(…)

9. “ bewaring”: het vasthouden van een verzoeker door een lidstaat op een bepaalde plaats, waar de verzoeker geen bewegingsvrijheid geniet;

(…)

Artikel 3 - Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is van toepassing op alle onderdanen van derde landen en staatlozen die een verzoek om internationale bescherming doen op het grondgebied, waaronder aan de buitengrens, in de territoriale zee of in de transitzones, van de lidstaten op voorwaarde dat deze onderdanen van derde landen en staatlozen als verzoeker op het grondgebied mogen

verblijven. Deze richtlijn is ook van toepassing op gezinsleden van een verzoeker, mits die gezinsleden overeenkomstig het nationale recht onder een dergelijk verzoek om internationale bescherming vallen.

(…)

Artikel 10 – Bewaring

1. De lidstaten houden een persoon niet in bewaring om de enkele reden dat die persoon een verzoeker is of op basis van de nationaliteit van die verzoeker. De bewaring mag enkel worden gebaseerd op een of meer van de in lid 4 uiteengezette bewaringsredenen. De bewaring mag niet bestraffend van aard zijn.

2. In de gevallen waarin zulks noodzakelijk blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, mogen de lidstaten een verzoeker in bewaring houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

(…)

4. Een verzoeker mag alleen op een of meer van de volgende gronden in bewaring worden gehouden:

(…)

d. om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van Verordening (EU) 2024/1348 een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden;

(…)

Artikel 11 – Waarborgen voor verzoekers in bewaring

1. Een verzoeker wordt slechts in bewaring gehouden voor een zo kort mogelijke termijn en slechts zo lang de in artikel 10, lid 4, genoemde redenen van toepassing zijn.(…)

(…)

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 2ff

(…)

2. Ten aanzien van de in artikel 5 van de Screeningsverordening bedoelde screening aan de buitengrens, voert de Koninklijke Marechaussee de taken van de Screeningsautoriteiten overeenkomstig de Screeningsverordening uit, voor zover het de toepassing van artikel 14 en 15 van de Screeningverordening betreft, met inbegrip van de afname van biometrische gegevens van een aan de screening onderworpen onderdaan van een derde land voor de identificatie of verificatie van de identiteit van die persoon, de veiligheidscontrole van die persoon en de registratie in Eurodac van die persoon, overeenkomstig artikel 15, eerste lid, onderdeel b, en de artikelen 22, 23 en 24 van Verordening (EU) 2024/1358, naargelang het geval.

(…)

Artikel 2gg

1.Onze Minister voorziet in de uitvoering van de in artikel 12, eerste lid, van de Screeningsverordening bedoelde voorlopige medische controle door gekwalificeerd medisch personeel en in de aanstelling van personen als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Screeningsverordening.

2. Het in het eerste lid bedoelde gekwalificeerde medische personeel en de in het eerste lid bedoelde personen verstrekken de Screeningsautoriteiten die gegevens die noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan de verplichting opgenomen in artikel 17, eerste lid, onderdeel d, respectievelijk artikel 17, eerste lid, onderdeel e, van de Screeningsverordening.

Artikel 3

(…)

3. Indien een vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, wordt de aanvraag op de locaties waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd getoetst aan:

a. de grond voor het niet in behandeling nemen als bedoeld in artikel 30;

b. de gronden voor niet-ontvankelijkverklaring, bedoeld in artikel 30a; en

c. de gronden voor afwijzing wegens kennelijke ongegrondheid, genoemd in artikel 30b, met dien verstande dat een van de in artikel 42, eerste lid, onderdelen a tot en met g, en j, en artikel 42, derde lid, onderdeel b, van de Procedureverordening genoemde gevallen van toepassing is.

4. Indien de aanvraag wordt behandeld op de locaties waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd, wordt een besluit omtrent de weigering van toegang tot Nederland uitgesteld. Een reeds genomen besluit tot weigering van toegang tot Nederland vervalt met ingang van het tijdstip waarop de vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag als bedoeld in het derde lid te willen indienen.

(…)

Artikel 6

1. De vreemdeling aan wie toegang is geweigerd, onderscheidenlijk de vreemdeling op wie artikel 5 van de Screeningsverordening van toepassing is, kan worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, met dien verstande dat indien de Screeningsverordening van toepassing is, dit overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening plaatsvindt.

2. Een ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

3. De vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, met inbegrip van de vreemdeling op wie artikel 5, tweede lid, van de Screeningsverordening van toepassing is, kan, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder 2, van de Opvangrichtlijn, eveneens worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, onderscheidenlijk in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening. Artikel 59b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Vreemdelingencirculaire 2000 (A)

Paragraaf A6/2.1 Algemeen

De KMar is aangewezen als screeningsautoriteit aan de buitengrens voor de identificatie, registratie en het uitvoeren van een veiligheidscontrole en voorlopige kwetsbaarheidsbeoordeling bij vreemdelingen die zich aan de buitengrens melden en voldoen aan de criteria onder paragraaf A6/1 Vc.

De locatie Schiphol luchthaven wordt aangewezen als screeningslocatie voor screening aan de buitengrens ingevolge artikel 8 van de Screeningsverordening. Onderdelen van de screening kunnen echter ook op andere locaties plaatsvinden.

De vreemdeling wordt doorverwezen naar de relevante vervolgprocedure door de functionaris van de KMar. Als de vreemdeling een asielwens heeft geuit, wordt de beslissing om toegangsweigering uitgesteld conform het bepaalde in paragraaf A6/7.3 Vc en wordt een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

De vreemdeling wordt voor het voortzetten van de screening overgebracht naar het aanmeldcentrum Schiphol. De voorlopige medische controle wordt uitgevoerd door gekwalificeerd medisch personeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Na afronding van de screening wordt de vreemdeling in beginsel doorverwezen naar de asielgrensprocedure (paragraaf C1/3.3 Vc).

Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

Paragraaf C1/3.3 Asielgrensprocedure

Als een vreemdeling de screeningsfase volledig heeft doorlopen aan de buitengrens, wordt in beginsel de asielgrensprocedure toegepast, indien de aanvraag conform artikel 3, derde lid Vw binnen de asielgrensprocedure kan worden behandeld.

Zo spoedig mogelijk nadat de vreemdeling de asielgrensprocedure is ingestroomd, wordt de triage uitgevoerd. De triage na screening aan de grens is hetzelfde als de triage na de OVA-fase. De IND bepaalt tijdens de triage van de vreemdeling die de asielgrensprocedure doorloopt of de detentiemaatregel proportioneel is en of de aanvraag op basis van artikel 30a of 30b Vw binnen vijf weken niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond kan worden verklaard. Tijdens de triage bepaalt de IND vervolgens de prioritering en welke vervolgonderzoeken nodig zijn.

Artikel 5.5 Vreemdelingenbesluit 2000

(…)

2. Een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

Paragraaf C3/2.4 - Risicoprofielen

(…) De minister kan een groep als risicoprofiel aanwijzen, als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden.

(…)

Voor de vreemdeling die behoort tot een groep, waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling (zie paragraaf C3/2.3 Vc).

Het behoren tot een groep, aangemerkt als risicoprofiel, is op zichzelf dan ook niet voldoende voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, dan beoordeelt de IND de individuele omstandigheden van het geval, afgezet tegen de positie van de groep en de algemene (veiligheids-)situatie in het land van herkomst. Aan de hand van de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten, eventuele eerdere gebeurtenissen en eerdere blootstelling aan daden van vervolging of ernstige schade, beoordeelt de IND of de vreemdeling een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt.

Paragraaf C9/29.3.2 – Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4

De IND merkt voor de Russische Federatie de volgende groepen aan als risicoprofiel:

-LHBTIQ+ afkomstig uit alle delen van de Russische Federatie, met uitzondering van Tsjetsjenië;

(…)

Paragraaf C9/29.5.1 - Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:

- LHBTIQ+

(…)

Paragraaf C9/29.5.2 - Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor de volgende categorieën in het algemeen aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is in de Russische Federatie:

(…)

LHBTIQ+.

(…)

Rechtsvragen en overwegingen

I voortzetten van de screening na het aanvangen met de asielgrensprocedure in grensdetentie omdat de screeningsautoriteit geen voorlopige medische controle kan verrichten

21. Verzoekers hebben een verzoek om internationale bescherming ingediend en vallen dus onder de werkingssfeer van Richtlijn 2024/1346. Omdat verzoekers hun verzoeken om internationale bescherming bij aankomst op luchthaven Schiphol in Amsterdam en dus aan de buitengrens van de Unie hebben ingediend en niet voldoen aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden, vallen zij tevens onder Verordening 2024/1356.

22. De Uniewetgever heeft in artikel 8 van Verordening 2024/1356 bepaald dat de screening onverwijld moet worden uitgevoerd en in elk geval moet worden voltooid binnen zeven dagen nadat de persoon in het buitengrensgebied is aangehouden, op het grondgebied van de betrokken lidstaat is ontscheept of zich bij de grensdoorlaatpost heeft gemeld. Tevens zijn de elementen opgesomd waaruit de screening moet bestaan.

23. De rechtbank leidt uit de formulering van artikel 8, lid 5 van Verordening 2024/1356 af dat de lidstaten verplicht zijn om zich in te spannen om alle elementen van de screening binnen de daartoe bepaalde termijnen te verrichten en dat het dus niet aan de lidstaten is om hierin zelf keuzes te maken en te bepalen dat de screening standaardmatig niet alle elementen omvat.

24. Artikel 18, lid 5, van 2024/1356 bepaalt dat indien de in die bepaling bedoelde onderdanen van derde landen worden doorverwezen naar de naar de passende procedure voor internationale bescherming, een procedure die in overeenstemming is met Richtlijn 2008/115/EG of naar de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat in verband met te herplaatsen onderdanen van derde landen, de screening wordt beëindigd. Tevens is bepaald dat indien niet alle controles binnen de in artikel 8 van deze verordening bedoelde termijnen zijn voltooid, de screening van die persoon toch wordt beëindigd en de betrokkene naar de passende procedure wordt doorverwezen.

25. De rechtbank leidt uit de formulering van deze bepaling af dat de termijnen voor screening maximumtermijnen zijn en ongeacht welke screeningselementen al dan niet zijn verricht, de screening moet worden beëindigd als de uiterste termijn om te screenen is verstreken. De rechtbank leidt uit de formulering van deze bepaling ook af dat de screening voorafgaat aan de doorverwijzing naar de passende procedure en dat de screening en de toepassing van de passende procedure daarom opvolgende procedures zijn die niet gelijktijdig kunnen plaatsvinden. De rechtbank wijst in dit verband ook op ‘De richtsnoeren inzake alternatieven voor bewaring’ van EUAA, waarin EUAA vermeldt dat de screening voorafgaat aan de asielgrensprocedure en hier geen deel van uitmaakt en de verwijzing naar de passende procedure geschiedt als de screening is voltooid of wanneer de uiterste termijn is verstreken.

26. Het verrichten van een voorlopige medische controle door gekwalificeerd medisch personeel is een verplichte controle die dus gedurende de screening van verzoekers had moeten plaatsvinden.

27. Verweerder heeft beleid vastgesteld om uitvoering te geven aan deze verplichtingen uit Verordening 2024/1356.

28. Artikel 8, lid 9, van Verordening 2024/1356 bepaalt dat de lidstaten screeningsautoriteiten aanwijzen en ervoor zorgen dat het personeel van die autoriteiten dat de screening zal uitvoeren, over de nodige kennis beschikt en de nodige opleiding heeft genoten overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) 2016/399. In het beleid van verweerder is echter bepaald dat de screeningsautoriteit geen voorlopige medische controle verricht omdat de KMar, die is aangewezen als de screeningsautoriteit in Nederland, niet kan worden beschouwd als gekwalificeerd medisch personeel.

29. Uit artikel 3, lid 3, van de Vreemdelingenwet 2000 volgt dat verzoeken om internationale bescherming die door verzoekers die niet voldoen aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden aan de buitengrens worden ingediend, verplicht in de asielgrensprocedure worden behandeld.

30. De Uniewetgever heeft in artikel 8, lid 5 onder g, van Verordening 2024/1356 bepaald dat de screening ook bestaat uit de doorverwijzing naar de passende procedure. De rechtbank gaat er van uit dat de Uniewetgever heeft beoogd dat de resultaten van de controles die tijdens de screening worden uitgevoerd betrokken dienen te worden bij het bepalen van de passende procedure. De rechtbank wijst in dit verband op overwegingen 6, 7 en 15 van Verordening 2024/1356. In overweging 15 van Verordening 2024/1356 is weliswaar ook bepaald dat indien nodig de in deze verordening vastgestelde controles door de respectieve bevoegde autoriteiten moeten worden voortgezet in het kader van de daaropvolgende procedure. De rechtbank meent echter dat dit niet betekent dat verweerder bevoegd is om bij wijze van hoofdregel niet alle elementen aanstonds tijdens de screening te verrichten maar voort te zetten tijdens de volgende procedure en zodoende de in de screening verkregen informatie niet te betrekken bij het verwijzen naar de passende procedure.

31. Uit deze bepalingen leidt de rechtbank af dat de Uniewetgever heeft willen regelen dat de screening volledig moet worden afgerond en uitsluitend indien niet alle controles binnen de in artikel 8 van deze verordening bedoelde termijnen kunnen worden voltooid, de screening van die persoon toch wordt beëindigd en de betrokkene naar de passende procedure wordt doorverwezen.

32. Dit lijkt ook logisch. Artikel 8, lid 5 onder g, van Verordening 2024/1356 bepaalt immers dat de doorverwijzing naar de passende procedure een van de elementen van de screening moet zijn. Indien dit element geen onderdeel van de screening uitmaakt is het dan ook niet goed mogelijk om te bepalen welke procedure passend is. Het komt de rechtbank echter ook voor, nu de Uniewetgever de elementen van de screening niet alleen dwingend heeft voorgeschreven maar de voorschriften van de screening ook nader heeft uitgewerkt, dat de doorverwijzing naar de passende procedure pas kan plaatsvinden nadat de overige handelingen van de screening zijn afgerond.

33. In het beleid van verweerder is bepaald dat de vreemdeling voor het voortzetten van de screening wordt overgebracht naar het aanmeldcentrum Schiphol en dat de voorlopige medische controle wordt uitgevoerd door gekwalificeerd medisch personeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen en dat na afronding van de screening de vreemdeling in beginsel wordt doorverwezen naar de asielgrensprocedure. Verweerder heeft de screening van verzoekers echter niet beëindigd, maar heeft de screening voortgezet en heeft gelijktijdig een aanvang met de asielgrensprocedure gemaakt. Ten tijde van het doen van deze verwijzingsuitspraak heeft verweerder niet kenbaar gemaakt of de screening van verzoekers is beëindigd en wanneer dat mogelijk is geschied. Indien verweerder een maatregel van vreemdelingenbewaring oplegt, ook indien dit de maatregel van grensdetentie is, vindt na plaatsing in het detentiecentrum een zogenoemde ‘medische intake’ plaats. Deze medische intake wordt door verweerder evenwel niet aangemerkt als ‘voorlopige medische controle’ als bedoeld in artikel 12 van Verordening 2024/1356. Deze medische intake is bedoeld om na te gaan of de verzoeker die in bewaring wordt gesteld medische behandeling en medicatie gedurende de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel behoeft. Het lijkt er dus op dat verweerder in het hoofdgeding in het geheel geen voorlopige medische controle heeft uitgevoerd. Het lijkt er ook op dat, voordat de vreemdeling naar het aanmeldcentrum Schiphol wordt gebracht, reeds een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Verweerder heeft immers in de maatregel vermeld dat de vrijheidsontnemende maatregel mede is opgelegd in verband met de screening.

34. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken of het hiervoor beschreven beleid verenigbaar is met het Unierecht en indien dat niet het geval is, of de rechtbank deze vaststelling dient te betrekken bij de rechterlijke controle van de vrijheidsontnemende maatregelen. De rechtbank wijst er hierbij op dat de asielgrensprocedure op grond van het beleid van verweerder bij wijze van hoofdregel gepaard gaat met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank meent dan ook dat eerst alle elementen van de screening moeten worden uitgevoerd, vervolgens de passende procedure moet wordt bepaald en die bepaling van de passende procedure moet plaatsvinden op grond van feiten en omstandigheden van het individuele geval, met inbegrip van de uit de screening verkregen informatie. Indien dit beleid van verweerder als onverenigbaar met het Unierecht moeten worden beschouwd, kan dat mogelijk meebrengen dat de vrijheidsontnemende maatregel ten onrechte is gegrond op Verordening 2024/1356.

II Het op grond van één vrijheidsontnemende maatregel in bewaring stellen om zowel de screening voort te zetten als gelijktijdig de asielgrensprocedure toe te passen.

35. Indien de KMar aan de buitengrens de screeningshandelingen heeft verricht die aan de KMar zijn toegewezen, wordt de verzoeker om internationale bescherming die niet voldoet aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden op grond van artikel 3, lid 3, van de Vreemdelingewet 2000 doorverwezen naar de asielgrensprocedure. Voorafgaand aan de aanvang van de asielgrensprocedure wordt bij wijze van hoofdregel een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd omdat verweerder meent dat het grensbewakingsbelang rechtvaardigt dat bewaring het uitgangspunt en niet een laatste redmiddel is.

36. Uit artikel 1, aanhef en onder a, van Verordening 2024/1356 volgt dat de screening en ‘de passende procedure’ opvolgende procedures zijn. Zoals de rechtbank hiervoor heeft toegelicht beëindigt verweerder de screening echter niet voordat verweerder aanvangt met het toepassen van de asielgrensprocedure. De vrijheidsontnemende maatregel wordt dus opgelegd terwijl de screening voortduurt en reeds een aanvang wordt gemaakt met toepassing van de asielgrensprocedure. Dat dit beleid in de praktijk ook zo wordt toegepast blijkt uit de omstandigheid dat uit de vrijheidsontnemende maatregelen van verzoekers volgt dat de vrijheidsontneming ten behoeve van de screening plaatsvindt en plaatsvindt omdat de asielgrensprocedure van toepassing is.

37. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 september 2026 hierover het navolgende overwogen:

(…)

7. De Afdeling constateert ambtshalve dat in de vrijheidsontnemende maatregel zowel is aangekruist dat de asielaanvraag van betrokkene wordt behandeld in de asielgrensprocedure als dat het gaat om vrijheidsontneming in verband met de screening. Deze omstandigheden kunnen echter niet naast elkaar bestaan. Uit artikel 1, aanhef en onder a, van de Screeningsverordening volgt namelijk dat verzoekers die aan de buitengrens om internationale bescherming verzoeken, worden gescreend voordat zij naar een passende procedure worden doorverwezen.

De Afdeling ziet hierin echter geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 voorziet namelijk zowel in een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure.

Geen prejudiciële vragen

8. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vragen. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

(…)

38. De rechtbank twijfelt, anders dan de Afdeling, of het in bewaring stellen op grond van één vrijheidsontnemende maatregel op grond van een bevoegdheid die uit verschillende Unierechtelijke instrumenten volgt moet leiden tot het onrechtmatig achten van de vrijheidsontneming.

39. De Nederlandse wetgever heeft in de Vreemdelingenwet 2000 één wettelijke bepaling opgenomen die verweerder aan een vrijheidsontnemende maatregel ten grondslag kan leggen zowel ten behoeve van de screening, als het ten behoeve van een grensprocedure nemen van een beslissing over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. De rechtbank overweegt dat, daargelaten dat de screening en het toepassen van de asielgrensprocedure niet op hetzelfde moment kunnen plaatsvinden, het opleggen van één vrijheidsontnemende maatregel ten behoeve van de screening en -gelijktijdig- ten behoeve van het toepassen van de asielgrensprocedure, niet verenigbaar lijkt met het Unierecht en de verduidelijking die het Hof reeds geeft gegeven in haar arrest van 4 oktober 2024 in de zaak Bouskoura.

40. Artikel 6 van Verordening 2024/1356 bepaalt dat de autoriteiten ervoor moeten zorgen dat de in artikel 5, leden 1 en 2, bedoelde personen, zoals verzoekers, voor de duur van de screening ter beschikking blijven van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de screening op de in artikel 8 bedoelde locaties, om elk risico op onderduiken, mogelijke bedreigingen voor de binnenlandse veiligheid als gevolg van dergelijk onderduiken of mogelijke gevaren voor de volksgezondheid als gevolg van dergelijk onderduiken te voorkomen. De rechtbank merkt hierbij op dat ‘het ter beschikking blijven’ niet vereist dat een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Dit heeft de Uniewetgever immers uitdrukkelijk opgenomen in overweging 11 van Verordening 2024/1356, waarin onder meer het navolgende is bepaald:

(…)

Onderdanen van derde landen die aan de screening worden onderworpen, moeten tijdens de screening ter beschikking van de screeningsautoriteiten blijven. De lidstaten moeten in hun nationale recht bepalingen opnemen om de aanwezigheid van die onderdanen van derde landen tijdens de screening te garanderen, teneinde onderduiken te voorkomen. In de gevallen waarin zulks nodig blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, mogen de lidstaten een persoon die aan screening wordt onderworpen in bewaring houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Er mag alleen tot bewaring worden overgegaan als laatste redmiddel en in overeenstemming met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, waarbij, in overeenstemming met het nationale, Unie- en internationale recht, moet worden voorzien in een doeltreffende voorziening in rechte.

(…)

41. Verordening 2024/1356 verschaft de autoriteiten de bevoegdheid in de gevallen waarin zulks nodig blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, om een persoon die aan screening wordt onderworpen in bewaring te houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

42. Artikel 10, lid 1 en lid 4 onder d, van Richtlijn 2024/1346 kunnen als grondslag dienen om een verzoeker in bewaring te houden om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van Verordening 2024/1348 een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. Artikel 10, lid 2, van Richtlijn 2024/1346 bepaalt dat bewaring alleen is toegestaan als dat noodzakelijk blijkt op grond van een individuele beoordeling van elk geval en wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Artikel 10, lid 5, van Richtlijn 2024/1346 bepaalt bovendien dwingend dat de lidstaten ervoor zorgen dat in het nationale recht regels worden vastgesteld over alternatieven voor bewaring, zoals het zich regelmatig melden bij de overheid, het stellen van een borgsom of een verplichting om op een toegewezen plaats te blijven. In overweging 26 van Richtlijn 2024/1346 heeft de Uniewetgever benoemd dat bewaring alleen mogelijk mag zijn onder de in deze richtlijn vastgestelde, zeer duidelijk omschreven uitzonderlijke omstandigheden en alleen indien dit beantwoordt aan de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, zowel wat de wijze als wat het doel van de bewaring betreft.

43. Verordening 2024/1356 en Richtlijn 2024/1346 bieden dus een grondslag voor een vrijheidsontnemende maatregel, maar zijn verschillende regelingen die op grond van andere feiten en omstandigheden een bevoegdheid tot bewaring geeft.

44. Het Hof heeft in het arrest van 4 oktober 2024 in de zaak Bouskoura onder meer verduidelijkt dat gelet op de ernst van de inmenging in het in artikel 6 van het Handvest van de grondrechten vastgelegde recht op vrijheid en rekening houdend met het belang van dat recht, de bevoegdheid van de bevoegde nationale autoriteiten om een derdelander in bewaring te stellen strikt is afgebakend en dat een bewaringsmaatregel dus alleen kan worden bevolen of verlengd met inachtneming van algemene en abstracte regels waarin de voorwaarden en de wijze van toepassing ervan zijn vastgelegd. Het Hof heeft vervolgens verduidelijkt dat Richtlijn 2008/115, Richtlijn 2013/33 en Verordening 604/2013 dergelijke algemene en abstracte regels waarin de voorwaarden en de wijze van toepassing ervan zijn vastgelegd bevatten en dat een verzoeker niet tegelijkertijd in bewaring kan worden gehouden op grondslag van richtlijn 2013/33 of de Dublin III-verordening en als illegaal verblijvende derdelander op grondslag van richtlijn 2008/115.

45. De rechtbank overweegt dat de bewaring ter fine van de screening en de bewaring ter fine van het nemen van een beslissing over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden onder afzonderlijke regelingen vallen. De screening is niet alleen een andere fase in de procedure, maar dient ook een ander doel dan de bewaring om in het kader van een grensprocedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden.

46. Verordening 2024/1356 biedt een grondslag voor een vrijheidsontnemende maatregel ten behoeve van de screening. Richtlijn 2024/1346 biedt een grondslag om verzoekers om internationale bescherming in bewaring te houden. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken of beide Unierechtelijke grondslagen gelijktijdig als grondslag voor één vrijheidsontnemende maatregel kunnen dienen of dat twee zelfstandige en elkaar opvolgende maatregelen zijn vereist indien verweerder meent bevoegd te zijn om verzoekers tijdens de screening en tijdens de toepassing van de asielgrensprocedure in bewaring te houden.

III vereist de beslissing om toepassing te geven aan de asielgrensprocedure, indien deze toepassing niet verplicht is, een beoordeling van de individuele feiten en omstandigheden?

47. Artikel 43, lid aanhef en onder a, van Verordening 2024/1348 bepaalt dat, na afloop van de screening, indien van toepassing en op voorwaarde dat de verzoeker nog geen toegang heeft gekregen tot het grondgebied van de lidstaten, een lidstaat een verzoek kan behandelen in een grensprocedure indien dat verzoek is ingediend door een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van een lidstaat als vastgesteld in artikel 6 van Verordening 2016/399. De grensprocedure kan worden toegepast na de indiening van een verzoek aan een doorlaatpost aan de buitengrens of in een transitzone.

48. Verzoekers hebben hun verzoek om internationale bescherming ingediend op luchthaven Schiphol in Amsterdam en dus aan de buitengrens. Verweerder heeft verzoekers, ondanks dat de screening niet volledig was verricht en niet was beëindigd, verwezen naar de asielgrensprocedure. Verweerder heeft ter zitting, op vragen van de rechtbank, aangegeven dat het behandelen van deze verzoeken in de asielgrensprocedure niet verplicht is op grond van artikel 45, lid 1, van Verordening 2024/1348. Verzoekers zijn weliswaar afkomstig uit Rusland en ten aanzien van verzoekers afkomstig uit Rusland geldt thans dat volgens de meest recente beschikbare jaargemiddelden van Eurostat voor de gehele Unie, de beslissingsautoriteit in 20 % of minder van de gevallen internationale bescherming heeft verleend. Verweerder voert evenwel landgebonden beleid ten aanzien van Rusland en daarin is onder meer bepaald dat verweerder ten aanzien van de Russische Federatie verzoekers die zich identificeren als LHBTIQ+ als risicoprofiel worden aangemerkt. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat verweerder het beleid voert dat indien een verzoeker behoort tot een categorie verzoekers waarvoor een risicoprofiel geldt, de verzoeker tevens behoort tot een categorie van personen voor wie het erkenningspercentage van 20 % of minder niet als representatief voor hun beschermingsbehoeften kan worden beschouwd.

49. Op grond van Verordening 2024/1348 is verweerder dus niet verplicht maar bevoegd om de verzoeken om internationale bescherming die verzoekers hebben ingediend in de asielgrensprocedure te behandelen.

50. De Nederlandse wetgever heeft evenwel in artikel 3, lid 3, van de Vreemdelingenwet 2000 bepaald dat indien een vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, deze aanvraag op de locaties waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd wordt getoetst aan de grond voor het niet in behandeling nemen, de gronden voor niet-ontvankelijkverklaring en de gronden voor afwijzing wegens kennelijke ongegrondheid, met dien verstande dat een van de in artikel 42, eerste lid, onderdelen a tot en met g, en j, en artikel 42, derde lid, onderdeel b, van de Verordening 2024/1348 genoemde gevallen van toepassing is.

51. De Afdeling heeft in de eerder genoemde uitspraak van 2 september 2026 hierover onder meer het navolgende bepaald:

(…)

In artikel 3, derde lid, van de Vw 2000 staat dat indien een vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, de aanvraag op de locaties waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd, wordt getoetst aan de grond voor het niet in behandeling nemen als bedoeld in artikel 30, de gronden voor niet-ontvankelijkverklaring, bedoeld in artikel 30a en de gronden voor afwijzing wegens kennelijke ongegrondheid, genoemd in artikel 30b, met dien verstande dat een van de in artikel 42, eerste lid, onderdelen a tot en met g, en j, en artikel 42, derde lid, onderdeel b, van de Procedureverordening genoemde gevallen van toepassing is. Artikel 3, derde lid, van de Vw 2000 is geen ‘kan-bepaling’. De wetgever heeft dus gebruikgemaakt van de door de Procedureverordening geboden bevoegdheid om de grensprocedure in alle mogelijke gevallen toe te passen. Dit is in lijn met de Procedureverordening en hoeft niet in een individueel geval te worden gemotiveerd. De Afdeling volgt dan ook het standpunt van de minister dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat lidstaten die besluiten de asielgrensprocedure toe te passen een afweging moeten maken die verder strekt dan de vraag of het mogelijk is om een beslissing op de aanvraag te nemen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Procedureverordening.

(…)

52. De rechtbank vraagt het Hof om te verduidelijken of de keuze om een verzoek om internationale bescherming waarvan de Uniewetgever de behandeling in de asielgrensprocedure niet verplicht, in de asielgrensprocedure te behandelen moet worden gebaseerd op een individuele beoordeling van de feiten en omstandigheden van het geval of dat de nationale wetgever eenvoudigweg kan bepalen dat ieder verzoek om internationale bescherming dat aan de buitengrens wordt ingediend door een verzoeker die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van een lidstaat als vastgesteld in artikel 6 van Verordening 2016/399 moet worden behandeld in de asielgrensprocedure.

53. Indien een dergelijke bevoegdheid bestaat lijkt weinig gewicht te worden toegekend aan de omstandigheid dat de Uniewetgever in drie uitdrukkelijk genoemde gevallen de toepassing van de asielgrensprocedure verplicht stelt. De door de Uniewetgever verplichte toepassing van de asielgrensprocedure lijkt als uitzondering te zijn geformuleerd en lijkt te beogen dat de verzoeken om internationale bescherming die weinig kansrijk lijken en geen inhoudelijke beoordeling behoeven verplicht worden afgedaan zonder toegang te verlenen.

54. De nationale wettelijke bepaling die verweerder verplicht om alle verzoeken die aan de buitengrens worden ingediend in de asielgrensprocedure te behandelen tenzij de verzoekers moeten worden toegelaten tot het grondgebied, leidt er toe dat al deze verzoekers in grensdetentie worden geplaatst behoudens enkele uitzonderingen. Het komt de rechtbank voor dat de asielgrensprocedure, gelet op de korte termijn die de lidstaten hebben om een verzoek in de asielgrensprocedure te behandelen, zich niet goed leent voor een grondige beoordeling van de beschermingsbehoefte.

55. In overweging 58 van Verordening 2024/1348 is bepaald dat de grensprocedure voor asiel en terugkeer erop gericht moet zijn snel, in beginsel aan de buitengrenzen, te beoordelen of een verzoek ongegrond of niet-ontvankelijk is en te zorgen voor een snelle terugkeer van wie geen recht heeft om te blijven, op zodanige wijze dat het beginsel van non-refoulement volledig in acht wordt genomen, terwijl er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat personen met een gegrond verzoek naar de gewone procedure worden geleid en snel toegang krijgen tot internationale bescherming. Indien de Uniewetgever evenwel zou hebben beoogd dat alle verzoeken die aan de buitengrens worden gedaan eerst in de asielgrensprocedure worden beoordeeld op de ontvankelijkheid of ongegrondheid alvorens ze naar de gewone procedure worden toegeleid, valt niet goed in te zien waarom de Uniewetgever de asielgrensprocedure alleen verplicht heeft in het geval dat de verzoeker de autoriteiten heeft misleid, een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde of de nationaliteit heeft van een derde land waarvoor het percentage erkende verzoeken om internationale bescherming niet meer dan 20 % bedraagt.

56. In overweging 64 van Verordening 2024/1348 is bepaald dat aangezien de grensprocedure onder meer tot doel heeft verzoeken die waarschijnlijk niet-ontvankelijk of ongegrond zullen zijn, snel te kunnen beoordelen, zodat personen zonder verblijfsrecht snel kunnen terugkeren, die procedure niet of niet langer mag worden toegepast indien de beslissingsautoriteit van oordeel is dat de gronden om een verzoek als niet-ontvankelijk af te wijzen of de versnelde behandelingsprocedure toe te passen, niet of niet langer van toepassing zijn.

57. De Afdeling heeft hierover in de eerder genoemde uitspraak van 2 september 2026 het navolgende overwogen:

(…)

De minister betoogt terecht dat onderzoek nodig is om te bepalen of het mogelijk is om een beslissing op de aanvraag te nemen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Procedureverordening, zodat de aanvraag in de asielgrensprocedure kan worden behandeld. Dat onderschrijft de Uniewetgever ook. In overweging 64 van de considerans van de Procedureverordening staat dat aangezien de grensprocedure onder meer tot doel heeft verzoeken die waarschijnlijk niet-ontvankelijk of ongegrond zullen zijn, snel te kunnen beoordelen, zodat personen zonder verblijfsrecht snel kunnen terugkeren, die procedure niet of niet langer mag worden toegepast indien de beslissingsautoriteit van oordeel is dat de gronden om een verzoek als niet-ontvankelijk af te wijzen of de versnelde behandelingsprocedure toe te passen, niet of niet langer van toepassing zijn. De onder 1.1 beschreven werkwijze van de minister dat hij de asielaanvraag van iedere vreemdeling die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode in beginsel in de asielgrensprocedure behandelt en de grensdetentie opheft wanneer hij concludeert dat de aanvraag niet verder kan worden behandeld in de asielgrensprocedure, is daarmee in overeenstemming.

De Afdeling volgt het standpunt van de minister dat hij door betrokkene op 6 juli 2026 in grensdetentie te plaatsen, op 13 juli 2026 een gehoor te houden en op 17 juli 2026 de asielaanvraag in te willigen en de grensdetentie op te heffen, de asielaanvraag voldoende voortvarend heeft behandeld. De minister heeft daarmee voldaan aan zijn verplichting de grensdetentie op te heffen wanneer blijkt dat de aanvraag zich niet leent voor de behandeling in de asielgrensprocedure en aan zijn verplichting uit artikel 11, eerste lid, van de Opvangrichtlijn om de grensdetentie zo kort mogelijk te laten duren.

(…)

58. Anders dan de Afdeling, overweegt de rechtbank dat overweging 64 van Verordening 2024/1348 impliceert dat de beslissingsautoriteit op grond van de feiten en omstandigheden van het individuele geval moet beoordelen of de gronden om een verzoek als niet-ontvankelijk af te wijzen of de versnelde behandelingsprocedure toe te passen van toepassing kunnen zijn en dit moet betrekken bij de verwijzing naar de passende procedure als element van de screening.

59. In artikel 53 van Verordening 2024/1348 heeft de Uniewetgever de uitzonderingen op de asielgrensprocedure benoemd. In artikel 53, lid 2, van Verordening 2024/1348 is dit als volgt geformuleerd:

(…)

De lidstaten passen de grensprocedure niet toe of zetten die procedure stop indien in enige fase van de procedure:

a. a) de beslissingsautoriteit van oordeel is dat de gronden voor het afwijzen van een verzoek als niet-ontvankelijk of voor het toepassen van de versnelde behandelingsprocedure niet of niet langer van toepassing zijn;

60. De rechtbank leidt uit deze formulering af dat, om vast te kunnen stellen dat de gronden voor het afwijzen van een verzoek als niet-ontvankelijk of voor het toepassen van de versnelde behandelingsprocedure niet van toepassing zijn, deze beoordeling ook moet worden verricht voorafgaand aan bepalen van de passende procedure. Indien voorafgaand aan de verwijzing naar de passende procedure duidelijk is dat de gronden voor het afwijzen van een verzoek als niet-ontvankelijk of voor het toepassen van de versnelde behandelingsprocedure niet van toepassing zijn, omdat evident is dat een inhoudelijke beoordeling van de beschermingsbehoefte is vereist om te kunnen beslissen op de verzoeken om internationale bescherming, schrijft de Uniewetgever in artikel 53, lid 2 onder a, naar het oordeel van de rechtbank, dwingend voor dat de asielgrensprocedure niet wordt toegepast. De rechtbank meent dan ook dat het bepalen dat de asielgrensprocedure de passende procedure is, een beoordeling vereist van de individuele feiten en omstandigheden van het geval. Indien daarentegen de uitleg van de Afdeling hierover wordt gevolgd, betekent dit dat iedere verzoeker om internationale bescherming die zijn verzoek aan de buitengrens indient en niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang in asielgrensdetentie wordt geplaatst, ook indien, zoals in het hoofdgeding aan de orde, de verzoeker moet worden erkend als vluchteling.

61. Verweerder heeft in het hoofdgeding de asielgrensprocedure voortvarend toegepast en heeft op 30 oktober 2026 beslist op de verzoeken om internationale bescherming die op 20 oktober 2026 zijn ingediend. Daargelaten dat verweerder na oplegging van iedere vrijheidsontnemende maatregel en ongeacht de grondslag voortvarend moet handelen, laat dit onverlet dat verzoekers, die zijn erkend als vluchteling, gedurende de beoordeling van hun verzoeken zijn onderworpen aan een vrijheidsontnemende maatregel. Dat verweerder heeft voldaan aan zijn verplichting om de grensdetentie op te heffen wanneer is gebleken dat de verzoeken zich niet leenden voor de behandeling in de asielgrensprocedure omdat hij de verzoeken om internationale bescherming niet mag inwilligen in de asielgrensprocedure, laat onverlet dat indien de beoordeling of deze verzoeken in het hoofdgeding zich leenden voor de behandeling in de asielgrensprocedure was verricht voordat de asielgrensprocedure als passend was aangemerkt, het naar het oordeel van de rechtbank aanstonds duidelijk zou zijn geweest dat er geen gronden voor het afwijzen van de verzoeken als niet-ontvankelijk of voor het toepassen van de versnelde behandelingsprocedure hebben bestaan. Overigens bestaat ‘de verdere behandeling na opheffing van de maatregel omdat de verzoeken zich niet lenen voor toepassing in de asielgrensprocedure’ uitsluitend uit het nemen van de besluiten waarin verzoekers als vluchteling worden erkend. De gehele beoordeling van de verzoeken om internationale bescherming heeft namelijk gedurende de asielgrensprocedure plaatsgevonden. De rechtbank is het er dus niet mee eens dat ieder verzoek dat aan de buitengrens wordt ingediend in de asielgrensprocedure mag worden behandeld om na te gaan of er gronden voor het afwijzen van een verzoek als niet-ontvankelijk of voor het toepassen van de versnelde behandelingsprocedure bestaan. De rechtbank acht het evident dat de behandeling in de asielgrensprocedure niet passend is voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming van verzoekers en overweegt dat dit duidelijk is geweest voordat verzoekers zijn doorverwezen naar de asielgrensprocedure. De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder ook als beleid voert dat indien de derdelander behoort tot een risicoprofiel, een mogelijk inwilligingspercentage lager dan 20% niet tot een verplichte behandeling in de asielgrensprocedure leidt. Of een gestelde seksuele gerichtheid geloofwaardig kan worden geacht, zal doorgaans pas duidelijk zijn nadat de betrokken persoon is gehoord. Beide verzoekers hebben evenwel onmiddellijk kenbaar gemaakt dat zij zich als transgender identificeren en verzoeker heeft meteen medicatie getoond die zijn verklaring dat hij zich in een transitieproces van man naar vrouw bevindt staaft. Voordat de passende procedure is bepaald, was dus reeds duidelijk dat de verzoeken om internationale bescherming op grond van het Unierecht niet verplicht in de asielgrensprocedure hoefden te worden behandeld ondanks dat verzoekers de Russische nationaliteit hebben. Tegelijkertijd was reeds toen duidelijk dat verzoekers behoren tot een risicoprofiel. Weliswaar moet verweerder dan nog steeds beoordelen of de verzoeken om internationale bescherming kunnen ingewilligd, dat dit echter een grondige inhoudelijke beoordeling vereist is reeds dan duidelijk.

62. De Uniewetgever heeft bovendien nu juist niet bepaald dat ieder verzoek verplicht in de asielgrensprocedure moet worden behandeld, maar heeft een verplichte toepassing van de asielgrensprocedure gekoppeld aan drie specifieke situaties. De rechtbank meent dus dat het toepassen van de asielgrensprocedure een beoordeling vereist van de individuele feiten en omstandigheden van het geval voorafgaand aan de toepassing van de asielgrensprocedure en vraagt zich derhalve af of de nationale wetgever, anders dan de Uniewetgever heeft gedaan, een categoriale toepassing van de asielgrensprocedure kan verplichten. In het hoofdgeding is evident dat een beoordeling van de concrete feiten en omstandigheden nimmer tot de beslissing zou hebben geleid om de verzoeken in de asielgrensprocedure te behandelen. De nationale wetgever ontneemt de bevoegdheid van verweerder om zelf te beoordelen of hij in het hoofdgeding de asielgrensprocedure als de passende procedure zou aanmerken door de toepassing van de asielgrensprocedure te verplichten. Het komt de rechtbank echter voor dat de Uniewetgever het bepalen van de passende procedure na de screening als bevoegdheid aan de beslissingsautoriteiten heeft willen toekennen en niet aan de nationale wetgever heeft gelaten. De rechtbank verzoekt het Hof om dit te verduidelijken omdat het onterecht toepassen van de asielgrensprocedure mogelijk de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregelen regardeert.

IV bevoegdheid danwel verplichting voor de bewaringsrechter om, zo nodig ambtshalve, te controleren of de asielgrensprocedure de passende procedure is

63. Het Hof heeft in haar eerdere rechtspraak verduidelijkt dat iedere maatregel van bewaring een ernstige inmenging op het grondrecht op vrijheid dat is verankerd in artikel 6 van het Handvest vormt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de arresten van het Hof van 4 september 2025 in de zaak Adrar, van 4 oktober 2024 in de zaak Bouskoura en van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C, B en X.

64. De bewaringsrechter is op grond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten verplicht om een doeltreffende voorziening in rechte te bieden omdat de vrijheidsontnemende maatregelen zijn opgelegd op Unierechtelijke grondslagen. Het Hof heeft reeds gepreciseerd dat de rechter die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een vrijheidsontnemende maatregel te controleren moet kunnen beslissen over elk relevant feitelijk en juridisch element om de rechtmatigheid te beoordelen.

65. In het hoofdgeding heeft verweerder de vrijheidsontnemende maatregelen opgelegd in verband met de screening en omdat de verzoeken om internationale bescherming in de asielgrensprocedure zouden worden behandeld.

66. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen verricht de KMar een aantal screeningshandelingen maar beëindigt verweerder de screening niet voordat verweerder een aanvang maakt met de asielgrensprocedure. Op de dag dat verzoekers hun verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend worden de vrijheidsontnemende maatregelen opgelegd. Op dat moment resteren nog zes dagen om de screening te voltooien en verweerder meent dat hij daarom bevoegd is om de screening voort te zetten na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel en tegelijkertijd het verzoek te behandelen in de asielgrensprocedure.

67. De vrijheidsontnemende maatregelen zijn aan verzoekers opgelegd mede om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van Verordening 2024/1348 een beslissing te nemen over het recht van verzoekers om het grondgebied te betreden.

68. De grondslag van een vrijheidsontnemende maatregel is een relevant feitelijk en juridisch element om de rechtmatigheid te beoordelen. Immers, indien een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd terwijl een wettelijke grondslag ontbreekt of een onjuiste wettelijke grondslag wordt opgevoerd, is de vrijheidsmaatregel onrechtmatig en moet de maatregel onmiddellijk worden opgeheven en de betrokken persoon onmiddellijk in vrijheid worden gesteld en/of een schadevergoeding worden toegekend.

69. De rechtbank overweegt dat de rechter die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een vrijheidsontnemende maatregel te controleren bevoegd moet zijn om, zo nodig ambtshalve, te beoordelen of er een wettelijke grondslag bestaat, omdat deze rechter verplicht is om ook te controleren of aan alle overige uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring van een derdelander zijn voldaan.

70. Indien de rechter die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel te controleren niet bevoegd is om vast te stellen dat de vrijheidsontnemende maatregel op een onjuiste grondslag is gebaseerd, zou deze rechter moeten aanvaarden dat een vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd en onrechtmatig op een onjuiste grondslag voortduurt. De rechtbank acht dit evident in strijd met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten en evident in strijd met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten. De rechter die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een vrijheidsontnemende maatregel te controleren is immers verplicht om, zo nodig ambtshalve, een vrijheidsontnemende maatregel onmiddellijk op te heffen indien een grondslag voor de vrijheidsontneming ontbreekt en, indien de betrokken persoon reeds in vrijheid is gesteld, te beslissen op het verzoek om schadevergoeding. Om een doeltreffende voorziening in rechte te kunnen bieden is de bewaringsrechter dan ook, naar het oordeel van de rechtbank, niet alleen bevoegd maar ook verplicht om na te gaan of de maatregel op de juiste wettelijke grondslag is opgelegd en verplicht om op basis van de gegevens in het dossier die haar ter kennis zijn gebracht, en zoals aangevuld of verduidelijkt in de bij haar gevoerde procedure op tegenspraak, ambtshalve het eventuele ontbreken van de juiste wettelijke grondslag van de vrijheidsontnemende maatregel vast te stellen. De rechtbank overweegt dat deze verplichting onverminderd geldt indien, zoals in het hoofdgeding, de maatregel ten tijde van de rechterlijke controle reeds is opgeheven. De rechtbank moet dan immers nog uitspraak doen over de rechtmatigheid van de maatregel om het verzoek om schadevergoeding te beoordelen en zo nodig de hoogte van de schadevergoeding vast te stellen.

71. De beslissing over het recht van verzoekers om het grondgebied te betreden is ten tijde van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregelen uitgesteld totdat de verzoeken om internationale bescherming inhoudelijk zijn beoordeeld en vervolgens zijn ingewilligd omdat verzoekers worden erkend als vluchtelingen.

72. Het is feitelijk juist dat de beslissing over de toegang is uitgesteld op het moment dat de vrijheidsontnemende maatregelen zijn opgelegd en verzoekers zijn verwezen naar de asielgrensprocedure. De rechtbank overweegt dat deze vaststelling niet kan volstaan bij de beoordeling of verzoekers op de juiste grondslag in bewaring zijn gesteld. De beslissing om nog geen beslissing over de toegang te nemen in afwachting van de beoordeling van de verzoeken om internationale bescherming is een gevolg van de toepassing van artikel 3, lid 3, van de Vreemdelingenwet 2000 waarin de Nederlandse wetgever de verplichting heeft vastgesteld om alle verzoeken om internationale bescherming die aan de buitengrens worden ingediend bij wijze van hoofdregel in de asielgrensprocedure te behandelen.

73. Aan verzoekers, die echt bevonden paspoorten hebben getoond, is de toegang tot Nederland geweigerd. Verzoekers hebben echter verklaard dat zij uit Rusland zijn gevlucht maar Nederland niet als eindbestemming van hun vlucht en vliegreis hadden en onderweg waren naar een ander derde land. Nadat het voor verzoekers duidelijk was dat zijn geen toestemming kregen om hun reis te vervolgen en removal orders waren uitgevaardigd jegens de luchtvaartmaatschappij die hen vanuit China naar Nederland had vervoerd, hebben verzoekers aan de buitengrens op Luchthaven Schiphol een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verzoekers hebben onmiddellijk bij het uiten van hun asielwens en het indienen van hun verzoek om internationale bescherming verklaard dat zij hun genderidentiteit mede aan hun verzoek om internationale bescherming ten grondslag leggen en verzoeker heeft bij het uiten van zijn asielwens bewijzen van medicatie overgelegd waaruit blijkt dat hij hormoonbehandeling krijgt en zich in een transitie van man naar vrouw bevindt. Verweerder voert ten aanzien van Rusland landgebonden beleid waarin hij het behoren tot de LHBTIQ+-gemeenschap aanmerkt als risicoprofiel.

74. Verweerder meent, gesteund door de Afdelingsjurisprudentie, dat hij te allen tijde pas in staat is om te beoordelen of de gronden voor het afwijzen van een verzoek als niet-ontvankelijk of voor het toepassen van de versnelde behandelingsprocedure niet of niet langer van toepassing zijn als hij een beslissing op het verzoek om internationale bescherming heeft genomen en acht daarom de asielgrensprocedure bij wijze van hoofdregel altijd passend. De rechtbank overweegt dat indien verweerder zich rekenschap zou hebben gegeven van de individuele feiten en omstandigheden zoals die in het hoofdgeding aan de orde zijn, het voor verweerder voordat verzoekers naar de asielgrensprocedure zijn verwezen, reeds duidelijk moet zijn geweest dat de verzoeken om internationale bescherming inhoudelijk zouden moeten worden behandeld en ‘de gewone asielprocedure’ als passend zou moeten worden aangemerkt.

75. De rechtbank merkt op dat verweerder op 30 oktober 2026 de asielgrensprocedure heeft moeten beëindigen en de grensdetentiemaatregelen heeft moeten opheffen omdat verweerder, na een inhoudelijke beoordeling van de beschermingsbehoefte van verzoekers, heeft vastgesteld dat aan verzoekers een internationale beschermingsstatus moet worden verleend. De rechtbank ziet hierin een bevestiging dat de asielgrensprocedure niet de passende procedure is geweest omdat verweerder binnen twee weken en op basis van één gehoor, afgezet tegen algemene informatie over de positie van mensen die behoren tot de LHBTIQ+-gemeenschap en zijn landgebonden beleid, aanstonds de beschermingsbehoefte heeft kunnen vaststellen.

76. Als de rechtbank in het hoofdgeding bevoegd en ook verplicht is om bij de rechterlijke controle van de vrijheidsontnemende maatregelen te betrekken dat in het hoofdgeding de asielgrensprocedure evident niet de passende procedure is geweest om de verzoeken te behandelen en uit artikel 53, lid 2 onder a, van Verordening 2024/1348 geen bevoegdheid bestond om verzoekers te verwijzen naar de asielgrensprocedure, zal de rechtbank reeds om deze reden vaststellen dat de vrijheidsontnemende maatregelen onrechtmatig zijn opgelegd en zal de rechtbank reeds hierom verzoekers in aanmerking brengen voor schadevergoeding.

77. Op grond van de rechtspraak van de Afdeling is het voor de rechter die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van de grensdetentiemaatregel te controleren verboden om na te gaan of de asielgrensprocedure de passende procedure is en dit te betrekken bij de rechtmatigheidsbeoordeling van de vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank wendt zich daarom tot het Hof om het Unierecht in dit verband te verduidelijken en te preciseren of de bevoegdheid voor de bewaringsrechter om te kunnen beslissen over elk relevant feitelijk en juridisch element om de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel te beoordelen, ook de bevoegdheid of verplichting omvat om, zo nodig ambtshalve, te beoordelen of de asielgrensprocedure terecht als passende procedure is aangemerkt als deze procedure niet als verplichte procedure is voorgeschreven.

VVrijheidsontneming als hoofdregel in plaats van als laatste redmiddel

78. Ongeacht de wijze waarop het Hof de overige prejudiciële vragen van de rechtbank zal beantwoorden, rijst in het hoofdgeding de vraag of “het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, tenzij…” in plaats van “het grondrecht op recht op vrijheid, tenzij…” de maatstaf moet zijn bij het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel en bij de rechterlijke controle van de rechtmatigheid van deze maatregel.

79. In de eerdergenoemde uitspraak van 2 september 2026 heeft de Afdeling geoordeeld dat artikel 3, lid 3, van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit volgt dat asielverzoeken die aan de buitengrens worden ingediend bij wijze van hoofdregel in de asielgrensprocedure worden behandeld als de verzoeker niet aan de voorwaarden voor toegang voldoet, in lijn is met Verordening 2024/1348. Volgens de Afdeling heeft de Nederlandse wetgever gebruik gemaakt van de in Verordening 2024/1348 geboden bevoegdheid om de asielgrensprocedure in alle mogelijke gevallen toe te passen.

80. Verweerder heeft in ‘Werkinstructie 2026/23 Asielgrensprocedure’ onder meer het navolgende vermeld:

(…)

1De asielaanvraag indienen aan de grens

(…)

Wanneer de vreemdeling aan de grens asiel aanvraagt, kan de toegang niet worden

geweigerd en wordt de beslissing omtrent de toegang uitgesteld (model M18A). Op het

moment dat een vreemdeling asiel aanvraagt valt hij namelijk onder de werking van de

Procedureverordening (verordening (EU) 2024/1348) en de Opvangrichtlijn (richtlijn (EU)

2024/1346). De vreemdeling is verplicht om gedurende de asielgrensprocedure aan of in de

nabijheid van de buitengrens of transitzones te verblijven.

(…)

In Nederland is de asielgrensprocedure altijd gekoppeld aan een vrijheidsontnemende maatregel, deze legt de KMar op (model M19) (voetnoot 3).

(….)

Voetnoot 3: Het uitgangspunt is dat het grensbewakingsbelang in beginsel enkel kan worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. Minder dwingende maatregelen (zoals een meldplicht) hebben tot gevolg dat feitelijk toegang tot Nederland wordt verkregen.(…)

(…)

Voorafgaand aan grensdetentie, beoordeelt de KMar of er sprake is van bijzondere en

individuele omstandigheden die de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Als

een vreemdeling in een bijzondere of kwetsbare positie verkeert, betekent dat niet dat er

vanzelfsprekend geen vrijheidsontnemende maatregel kan worden opgelegd. Wel moet er in die gevallen gemotiveerd worden dat de detentie in de individuele zaak niet onevenredig

bezwarend is.

(…).

81. Aan verzoekers is een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd in verband met de screening en in verband met de (gelijktijdige) behandeling van de verzoeken in de asielgrensgrensprocedure. Zowel Verordening 2024/1356 als Richtlijn 2024/1346, die ten grondslag liggen aan de vrijheidsontnemende maatregelen die voorwerp van geding zijn bevatten een bevoegdheid voor de autoriteiten om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. De rechtbank overweegt dat hiervoor evenwel specifieke vereisten gelden, waaruit naar het oordeel van de rechtbank, blijkt dat een werkwijze die zich kenmerkt door het uitgangspunt “grensdetentie, tenzij…” niet verenigbaar is met het Unierecht.

82. Overweging 11 van Verordening 2024/1356 bepaalt onder meer het navolgende:

(…) In de gevallen waarin zulks nodig blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, mogen de lidstaten een persoon die aan screening wordt onderworpen in bewaring houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Er mag alleen tot bewaring worden overgegaan als laatste redmiddel en in overeenstemming met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, waarbij, in overeenstemming met het nationale, Unie- en internationale recht, moet worden voorzien in een doeltreffende voorziening in rechte.(…)

83. Artikel 3 van Verordening 2024/1356 bepaalt dat bij de toepassing van deze verordening de lidstaten met volledige naleving van het toepasselijke Unierecht, waaronder het Handvest, van het toepasselijke internationale recht, waaronder het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals aangevuld bij het Protocol van New York van 31 januari 1967, van de verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement, en van de grondrechten handelen.

84. De rechtbank overweegt dat in de vrijheidsontnemende maatregelen voor zover deze zijn opgelegd om te screenen geen motivering is opgenomen waaruit kan worden opgemaakt dat verweerder een individuele beoordeling van het geval heeft verricht en is nagegaan of minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast om de screening te kunnen laten plaatsvinden. Uit de maatregelen kan niet worden afgeleid dat verweerder is nagegaan of de bewaring bij wijze van laatste redmiddel en in overeenstemming met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid kon worden opgelegd om de screeningshandelingen te kunnen verrichten.

85. Anders dan verweerder doorgaans betoogt, vereist een verplichte screening aan de buitengrens niet dat een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. De Uniewetgever vereist alleen dat onderdanen van derde landen die aan de screening worden onderworpen, tijdens de screening ter beschikking van de screeningsautoriteiten blijven. Het ‘ter beschikking blijven’ van de autoriteiten kan ook worden bewerkstelligd door een lichter middel toe te passen zoals een meldplicht of een borgstelling. De Uniewetgever heeft in overweging 10 van Verordening 2024/1356 vermeld dat de screening moet worden uitgevoerd op ongeacht welke door elke lidstaat aangewezen toereikende en geschikte locatie, die zich in het algemeen aan de buitengrens of in de nabijheid daarvan bevindt of, als alternatief, op andere locaties op het grondgebied, rekening houdend met de geografische ligging en de bestaande infrastructuur, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de screening onverwijld kan worden uitgevoerd. De Uniewetgever vereist dus niet dat verzoekers die aan de buitengrens aan een screening worden onderworpen in bewaring worden gesteld, maar heeft uitdrukkelijk bepaald dat bewaring tijdens de screening alleen bij wijze van laatste redmiddel is geoorloofd en dus niet bij wijze van hoofdregel mag worden opgelegd en mits aan de overige rechtmatigheidsvereisten voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel wordt voldaan. De Uniewetgever biedt de lidstaten bovendien uitdrukkelijk de mogelijkheid om ‘de screening aan de buitengrens’ op hun grondgebied te laten plaatsvinden.

86. De Uniewetgever heeft in overweging 11 van Verordening 2024/1356, zoals hiervoor weergegeven, tevens bepaald dat er alleen tot bewaring mag worden overgegaan als laatste redmiddel en in overeenstemming met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, waarbij, in overeenstemming met het nationale, Unie- en internationale recht, moet worden voorzien in een doeltreffende voorziening in rechte. De rechtbank meent dat het bieden van een doeltreffende voorziening in rechte betrekking heeft op een individuele procedure en de instelling van een toegangsmechanisme niet als zodanig wordt beschouwd. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken of het bieden van een doeltreffende voorziening in rechte in het hoofdgeding de verplichting voor de rechtbank omvat om te beoordelen of verzoeker in bewaring ter fine van de screening mocht worden gesteld en hierbij moet nagaan andere, minder dwingende maatregelen effectief konden worden toegepast en de bewaring als laatste redmiddel en in overeenstemming met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid is opgelegd.

87. De rechtbank wijst er hierbij op dat het feitelijk op het grondgebied screenen niet van rechtswege betekent dat verzoekers juridisch bezien worden toegelaten en er dan geen beslissing in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van Verordening 2024/1348 over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden meer kan worden genomen. Verweerder voert steevast aan, en ziet zich daarin gesteund door de Afdelingsjurisprudentie, dat het grensbewakingsbelang alleen kan worden gediend door alle verzoekers die hun verzoek aan de buitengrens indienen bij wijze van hoofdregel in bewaring te stellen om de screening en de beslissing over de toegang te nemen. De rechtbank is het hier dus niet mee eens en overweegt dat dit ook niet verenigbaar is met de vereisten die Verordening 2024/1356 aan het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel stelt.

88. In het hoofdgeding heeft bovendien te gelden dat de KMar alle screeningshandelingen heeft verricht die aan de KMar zijn toebedeeld, vervolgens de vrijheidsontnemende maatregelen heeft opgelegd en verzoekers heeft verwezen naar de asielgrensprocedure. Uitsluitend omdat verweerder als verplicht element van de screening een voorlopige medische controle moet verrichten en deze wordt verricht in het detentiecentrum, zijn de vrijheidsontnemende maatregelen ook gegrond op Verordening 2024/1356. De screening vangt dus aan en wordt als het ware onderbroken door het verwijzen naar de asielgrensprocedure en het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel en wordt vervolgens afgerond. Alleen het laatste deel van de screening wordt dus verricht nadat verzoekers in bewaring zijn gesteld. Hieruit blijkt dat bij aanvang van de screening er geen noodzaak is geweest om de maatregel op te leggen en hieruit blijkt dat de oplegging van de maatregel niet is gebaseerd op individuele omstandigheden van het geval en is beoordeeld of minder dwingende maatregelen effectief konden worden toegepast en de bewaring als laatste redmiddel en in overeenstemming met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid is opgelegd. Het is evident dat de maatregel in verband met de screening is opgelegd omdat de autoriteit die de voorlopige medische controle verricht aanwezig en werkzaam is in het detentiecentrum. Omdat de asielgrensprocedure bij wijze van hoofdregel wordt toegepast en omdat de asielgrensprocedure bij wijze van hoofdregel gepaard gaat met een vrijheidsontnemende maatregel, meent verweerder dat hij de maatregel, tevens bij wijze van hoofdregel en zonder enige nadere beoordeling kan opleggen ten behoeve van de screening. Het komt de rechtbank voor dat dit evident in strijd is met overweging 11 en artikelen 3 en 6 van Verordening 2024/1356 gelezen in samenhang met artikel 6 van het Handvest.

89. Verweerder heeft de vrijheidsontnemende maatregelen in het hoofdgeding ook opgelegd om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van Verordening 2024/1348 een beslissing te nemen over het recht van verzoekers om het grondgebied te betreden. Artikel 10, lid 4, van Richtlijn 2024/1346 bevat hiervoor een grondslag. Verweerder voert het beleid dat de asielgrensprocedure altijd gekoppeld wordt aan een vrijheidsontnemende maatregel. In Richtlijn 2024/1346 is evenwel bepaald dat een vrijheidsontnemende maatregel uitsluitend mag worden opgelegd als zulks noodzakelijk blijkt op grond van een individuele beoordeling van elk geval en andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

90. De Afdeling heeft in haar eerdergenoemde uitspraak van 2 september 2026 overwogen dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het Unierecht geen noodzakelijke koppeling kent tussen het toepassen van de asielgrensprocedure en grensdetentie, maar dat het Unierecht het voor lidstaten wel mogelijk maakt om grensdetentie toe te passen als de aanvraag in de asielgrensprocedure wordt behandeld.

91. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat verweerder een bevoegdheid heeft om grensdetentie toe te passen als de aanvraag in de asielgrensprocedure wordt behandeld, niet betekent dat aan alle overige vereisten die aan het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel worden gesteld niet hoeft te worden voldaan. Het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist dan ook een grondig en zorgvuldig onderzoek van de individuele omstandigheden van het geval en een beoordeling van de mogelijkheid om met een lichter middel te volstaan en als dat niet mogelijk blijkt, een nadere beoordeling van de proportionaliteit en evenredigheid van de maatregel in dat concrete geval. Weliswaar heeft de KMar enkele vragen gesteld aan verzoekers die kunnen worden aangemerkt als een summier onderzoek voor de beoordeling van de evenredigheid. In de door verweerder gehanteerde werkwijze is bewaring evenwel het uitgangspunt en is het aan verzoekers om aannemelijk te maken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast of dat oplegging van de maatregel niet proportioneel of niet evenredig is. De rechtbank wijst er hierbij op dat de KMar, die belast is met de oplegging van de maatregel, geen kennis heeft van het landgebonden beleid dat verweerder voert, geen medische expertise heeft en overigens slechts een zeer beperkte beoordeling verricht van de mogelijke kwetsbaarheid van verzoekers. In artikel 5.1a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is bepaald dat de vrijheidsontnemende maatregel niet wordt opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Tevens is in artikel 5.9, lid 1, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bepaald dat bij de vreemdelingenbewaring rekening wordt gehouden met zichtbare tekenen, verklaringen en gedragingen die er op wijzen dat de vreemdeling bijzondere opvangbehoeften heeft. In de vrijheidsontnemende maatregel wordt echter, net als in het hoofdgeding, doorgaans het navolgende vermeld:

(…)

Ten aanzien van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Indien er zich onverhoopt medische omstandigheden voordoen kan de behandeling in de detentie- en uitzetcentra worden aangevraagd, aangevangen dan wel worden voortgezet. Nu er sprake is van gelijkwaardige gezondheidszorg maakt dit de vreemdeling niet detentieongeschikt. In zoverre bezien hoeft hierom niet te worden volstaan met het toepassen van een lichter middel dan het toepassen van een lichter middel dan de vrijheidsontneming in het kader van de behandeling van de asielaanvraag in de asielgrensprocedure.

(…)

92. De asielgrensprocedure wordt bij wijze van hoofdregel toegepast als dit is toegestaan uit hoofde van Verordening 2024/1348 en het toepassen van de asielgrensprocedure gaat bij wijze van hoofdregel gepaard met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. Voor zover er een individuele beoordeling plaatsvindt die verderstrekkend is dan dat de asielgrensprocedure kan worden toegepast, wordt die beoordeling verricht op grond van de hiervoor weergegeven standaardmatige vaststelling dat in het detentiecentrum medische zorg beschikbaar is die vergelijkbaar is met de medische zorg die in de vrije samenleving geldig is. De KMar zal dan ook slechts in uitzonderlijke gevallen en incidenteel aannemen dat een vrijheidsontnemende maatregel niet evenredig is.

93. Uit overweging 69 van Verordening 2024/1348 volgt bovendien dat de grensprocedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming kan worden toegepast zonder een beroep te doen op bewaring en dat als de bewaring wel wordt toegepast, de bepalingen inzake de bewaring uit Richtlijn 2024/1346 van toepassing zijn. Dat de Uniewetgever bewaring niet noodzakelijk acht indien de asielgrensprocedure wordt toegepast blijkt ook uit artikel 54 van Verordening 2024/1348, welk artikel betrekking heeft op de locaties voor de uitvoering van de asielgrensprocedure. De Uniewetgever heeft uitdrukkelijk toegestaan dat de asielgrensprocedures wordt toegepast op aangewezen locaties binnen zijn grondgebied waarbij rekening wordt gehouden met de specifiek geografische omstandigheden van de betreffende lidstaat. De Uniewetgever heeft in artikel 54, vierde lid, van Verordening 2024/1348 tevens uitdrukkelijk bepaald dat de verplichting om ten behoeve van de toepassing van de asielgrensprocedure op een bepaalde locatie te verblijven, niet wordt beschouwd als een toestemming om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen en er te blijven. Verweerder stelt zich doorgaans op het standpunt dat Luchthaven Schiphol geen mogelijkheid biedt om een lichter middel toe te passen omdat dan het grensbewakingsbelang moet worden prijsgegeven en verweerder weet zich hierin gesteund door de rechtspraak van de Afdeling. De rechtbank overweegt dat dit standpunt van verweerder niet valt te begrijpen gelet op artikel 54, eerste lid, van Verordening 2024/1348. Indien de asielgrensprocedure op het grondgebied kan worden toegepast, betekent dit eenvoudigweg dat niet alleen de maatregel op het grondgebied ten uitvoer kan worden gelegd, maar ook dat op het grondgebied toepassing kan worden gegeven aan een lichter middel. De rechtbank merkt op dat de het Justitieel Complex Schiphol, waar de asielgrensdetentiemaatregelen ten uitvoer worden gelegd is gelegen op het grondgebied van Nederland. Verzoekers zijn bovendien door de rechtbank in Roermond, welke plaats niet aan de buitengrens is gelegen, in persoon gehoord over hun vrijheidsontnemende maatregelen en ook dit heeft niet tot gevolg gehad dat verzoekers juridisch gezien zijn ‘toegelaten’ tot Nederland en het grondgebied van de Unie.

94. De rechtbank wijst in dit verband ook op ‘De richtsnoeren van EUAA inzake de alternatieven voor bewaring’, waarin is vermeld dat het nemen van een beslissing over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden zou kunnen gelden voor alle verzoekers die naar de asielgrensprocedure worden verwezen. Uit Richtsnoer 6 blijkt echter dat een systematische inbewaringstelling zonder individuele beoordeling niet in overeenstemming is met Unierecht en overigens ook niet verenigbaar is met internationale rechtsnormen. EUAA vermeldt uitdrukkelijk dat het doorverwijzen naar de asielgrensprocedure niet volstaat om een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 10, lid 4 onder d, van Richtlijn 2024/1346. Het Hof heeft in het arrest van 16 april 2026 in de zaak Danané, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak, ook benadrukt dat een persoon slechts in bewaring kan worden gehouden in de gevallen waarin zulks nodig blijkt op grond van een individuele beoordeling van elk geval omdat andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast en nadat per geval is nagegaan of een dergelijke bewaring evenredig is aan de ermee nagestreefde doelen.

95. Verweerder ziet echter wel een rechtvaardiging om bij wijze van hoofdregel alle verzoekers om internationale bescherming die niet voldoen aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden en in Nederland hun verzoek aan de buitengrens indienen in bewaring te stellen. De rechtbank verzoekt het Hof daarom om te verduidelijken of het bij wijze van hoofdregel opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel in verband met het toepassen van de asielgrensprocedure verenigbaar is met het Unierecht.

Conclusie en prejudiciële vragen

96. Verzoekers zijn een 18-jarige vrouw en een 19-jarige man uit Rusland die met elkaar zijn gehuwd en zichzelf beiden als transgender identificeren. Verzoekers hebben op 20 oktober 2026 op Luchthaven Schiphol te Amsterdam en daarmee aan de buitengrens van de Unie, een verzoek om internationale bescherming ingediend en hun genderidentiteit mede aan hun verzoek ten grondslag gelegd.

97. Verzoekers voldoen ten tijde van het uiten van hun asielwens niet aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden. Verzoekers vallen onder de werkingssfeer van Verordening 2024/1356 en vallen onder de werkingssfeer van Richtlijn 2024/1346.

98. Verweerder heeft een aantal screeningshandelingen verricht maar voordat verweerder de screening heeft voltooid, heeft verweerder aan verzoekers vrijheidsontnemende maatregelen opgelegd en hen doorverwezen naar de asielgrensprocedure. Verweerder heeft na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregelen de screening voortgezet en heeft gelijktijdig een aanvang met de toepassing van de asielgrensprocedure gemaakt. Verweerder heeft daarom aan de vrijheidsontnemende maatregelen ten grondslag gelegd dat verzoekers moesten worden gescreend en dat verweerder in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van Verordening 2024/1348 een beslissing moest nemen over het recht van verzoekers om het grondgebied te betreden.

99. Verweerder heeft op 30 oktober 2026 de vrijheidsontnemende maatregelen opgeheven en besluiten genomen waarin verzoekers als vluchteling worden erkend.

100. In de Nederlandse rechtspraktijk wordt thans aangenomen dat de screening en de toepassing van de asielgrensprocedure gelijktijdig als grondslag van één vrijheidsontnemende maatregel kunnen dienen. In de Nederlandse rechtspraktijk worden bij wijze van hoofdregel alle verzoeken die aan de buitengrens worden ingediend door verzoekers die niet aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden voldoen in de asielgrensprocedure behandeld en gaat de verwijzing naar de asielgrensprocedure bij wijze van hoofdregel gepaard met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank twijfelt of deze drie onderdelen van de Nederlandse rechtspraktijk verenigbaar zijn met het Unierecht en vraagt het Hof om dit te verduidelijken. De rechtbank verzoekt het Hof ook om te verduidelijken of uit het Unierecht voor de bewaringsrechter de bevoegdheid, danwel de verplichting, voortvloeit om na te gaan of de asielgrensprocedure de passende procedure is omdat een maatregel die is gebaseerd op een onjuiste grondslag als onrechtmatig moet worden beschouwd. De rechtbank verzoekt het Hof tot slot om nader te verduidelijken of het Unierecht toestaat dat een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd bij wijze van hoofdregel in plaats van bij wijze van laatste redmiddel.

101. De rechtbank is aangezocht om de rechtmatigheid te controleren van de vrijheidsontnemende maatregelen die op 20 oktober 2026 aan verzoekers zijn opgelegd. Verzoekers zijn op 30 oktober 2026 in vrijheid gesteld. De rechtbank acht evenwel een nadere verduidelijking van het Unierecht noodzakelijk omdat de rechtbank uitspraak zal moeten doen over een mogelijke aanspraak op schadevergoeding en de hoogte hiervan. De rechtbank stelt daarom vijf prejudiciële vragen en verzoekt het Hof om deze vragen te behandelen in de versnelde procedure (PPA). De rechtbank acht de antwoorden van het Hof namelijk ook relevant zijn voor alle andere verzoekers die in Nederland aan de buitengrens een verzoek om internationale bescherming indienen, omdat aan al deze verzoekers, indien zij niet aan de in artikel 6 van Verordening 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden voldoen, bij wijze van hoofdregel een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. De rechtbank verzoekt het Hof daarom om de navolgende prejudiciële vragen in de versnelde procedure (PPA) te behandelen en te beantwoorden:

I Dienen artikel 3, artikel 8, lid 3, en artikel 18, lid 5, van Verordening 2024/1356, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat het niet is toegestaan om de screening te beëindigen en de betrokken derdelander in bewaring te stellen op grond van artikel 10, lid 4 onder d, van Richtlijn 2024/1346 indien niet alle controles binnen de in artikel 8 van Verordening 2024/1356 bedoelde termijn zijn voltooid, maar deze termijn hiervoor niet is verstreken?

II Sluiten artikel 6 en 18, lid 5, van Verordening 2024/1356 en artikel 10, lid 1 en lid 4 onder d, van Richtlijn 2024/1346 uit dat een lidstaat één wettelijke grondslag hanteert om een derdelander op grond van één vrijheidsontnemende maatregel gelijktijdig in bewaring te stellen voor zowel de screening als om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van Verordening 2024/1348 een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden ?

III Is een nationale wettelijke regeling waarin de asielgrensprocedure verplicht als passende procedure wordt aangemerkt behoudens enkele limitatief omschreven uitzonderingen, verenigbaar met artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening 2024/1348 en artikel 45, eerste lid, van deze verordening, of vereist het toepassen van de asielgrensprocedure een beoordeling van de individuele feiten en omstandigheden van het geval?

IV Dienen artikel 10, lid 1 en lid 4 onder d, van Richtlijn 2024/1346, gelezen in samenhang met artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat de rechter die de rechtmatigheid van de maatregel van grensdetentie controleert, bevoegd danwel verplicht is om, zo nodig ambtshalve, vast te stellen dat de asielgrensprocedure geen passende procedure is om het verzoek om internationale bescherming te behandelen en die vaststelling te betrekken bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel van grensdetentie?

V Is nationaal beleid waarbij het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel in verband met de screening en het toepassen van de asielgrensprocedure als hoofdregel wordt gehanteerd verenigbaar met overweging 11 en artikelen 3 en 6 van Verordening 2024/1356 en overwegingen 26 en 33 en artikelen 10 en 11 van Richtlijn 2024/1346, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?

102. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en houdt iedere verdere beslissing aan.

Beslissing

De rechtbank:

- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 101 geformuleerde vragen;

- schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.A.E. van de Venne, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 november 2026.

Rechtsmiddel

Tegen deze verwijzingsuitspraak staat geen rechtsmiddel open. Hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gelijktijdig met het hoger beroep tegen de einduitspraak.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand