ECLI:NL:RBDHA:2026:32237

ECLI:NL:RBDHA:2026:32237

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-10-2026
Datum publicatie 03-11-2026
Zaaknummer NL26.9126 en NL26.9127
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Eiser heeft in de periode 1999-2005 gewerkt als gevangenisbewaker/cipier in een Colombiaanse gevangenis. Het staat voldoende vast dat eiser en zijn collega’s op verschillende manieren informatie van gevangenen hebben verkregen, op basis waarvan leden van de FARC en anderen zijn geëxecuteerd. De beslissing om aan eiser geen ander verblijfsrecht toe te kennen is daarnaast niet in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Ten slotte heeft verweerder eiser ook in het SIS-systeem mogen signaleren.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [#] , eiser/verzoeker, hierna: eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.9126 (beroep) en NL26.9127 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. W.C. Boelens),

en

(gemachtigde: mr. W.J. Poot).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Eiser heeft in de periode 1999-2005 gewerkt als gevangenisbewaker/cipier in een Colombiaanse gevangenis. Het staat voldoende vast dat eiser en zijn collega’s op verschillende manieren informatie van gevangenen hebben verkregen, op basis waarvan leden van de FARC en anderen zijn geëxecuteerd. De beslissing om aan eiser geen ander verblijfsrecht toe te kennen is daarnaast niet in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Ten slotte heeft verweerder eiser ook in het SIS-systeem mogen signaleren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft ook verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Verweerder heeft op 14 september 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, A. Koster als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Hij heeft op 3 februari 2024 een asielaanvraag gedaan in Nederland. Eisers echtgenote en jongvolwassen zoon zijn al eerder naar Nederland gereisd en verblijven sinds de zomer van 2022 in Nederland. Aan hen is op 3 december 2025, op de datum dat aan eiser een voornemen is uitgebracht, een asielvergunning verleend. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat eiser meerdere medisch-psychische klachten, waaronder PTSS, heeft. Eiser woont met zijn vrouw en zoon in Nederland.

Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft in de periode 1999-2005 voor het Instituto Nacional Penitenciaria y Carcelario de Colombia (INPEC) in verschillende Colombiaanse gevangenissen gewerkt. In de periode 1999-2002 werkte eiser als gevangenisbewaker/cipier in de stad Florencia. In die gevangenis vond in het jaar 2000 een vluchtpoging en een gewapende overval plaats, waar leden van de FARC bij betrokken waren. Bij die confrontatie heeft eiser met zijn gezicht naar beneden en buik op de grond moet liggen en was er een pistool op hem gericht. Eiser heeft er toen voor gezorgd dat de belangrijkste guerillero, lid van de FARC, niet heeft kunnen vluchten. Omdat eiser en zijn collega's hem niet hebben laten vluchten, keerden de guerrillero's zich tegen eiser. Eiser is vervolgens overgeplaatst naar een gevangenis in Bogota (Picota). Ook daar vond een vluchtpoging plaats, waarbij eiser is gegijzeld en seksueel is misbruikt. Eiser is toen wederom vanwege veiligheidsmaatregelen overgeplaatst en heeft daarna in de speciaal streng bewaakte gevangenis (Modelo) gewerkt. Daar waren volgens eiser heel veel confrontaties en werden vuurwapens gebruikt. Vanaf juni 2005 tot 2011 heeft eiser administratieve taken voor INPEC verricht. In augustus 2011 is eiser arbeidsongeschikt verklaard en gestopt met werken.

Nadat eiser bij het INPEC is gestopt is hij, naar eigen zeggen, in 2014 uit angst voor de FARC verhuisd naar een andere stad. Een jaar daarvoor was een oud-collega van eiser vermoord. In 2019 heeft eiser een verklaring afgelegd tegenover de Eenheid van slachtoffers omdat hij zocht naar veiligheid en bescherming. Dit is een organisatie die na de start van het vredesproces met de FARC in het leven is geroepen. Eind 2020 ontving de echtgenote van eiser een telefonische doodsbedreiging van de FARC. Op 21 juli 2021 werd een andere oud-collega van eiser vermoord en toen ontving eiser weer een dreigtelefoontje van voormalig leden van de FARC. Na de bedreiging die tegenover eisers echtgenote is geuit, heeft eiser bescherming gezocht bij verschillende overheidsinstanties. Zij konden hem die bescherming onvoldoende bieden. Nadat eisers echtgenote en zoon waren gevlucht, zag eiser geen andere uitweg dan naar Europa te gaan.

Afwijzing asielaanvraag

Artikel 1F

4. Verweerder heeft zich op standpunt gesteld dat eiser moet worden uitgesloten van de bescherming van het Vluchtelingenverdrag (Vv) omdat artikel 1F van dat verdrag op hem van toepassing is. Eiser kan, volgens verweerder, verantwoordelijk worden gehouden voor oorlogsmisdrijven, te weten buitengerechtelijke executie en detentie, moord, marteling/foltering en/of (zware) mishandeling, gepleegd in de periode 1999-2005. Artikel 1F, aanhef en onder a, van het Vv is dus op eiser van toepassing. Verweerder merkt de daden van eiser ook aan als absoluut niet-politieke misdrijven, waardoor ook artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv op eiser van toepassing is. Omdat eiser vanwege de 1F-tegenwerping een gevaar voor de openbare vormt, wijst verweerder de aanvraag als kennelijk ongegrond af.

In het voornemen beschrijft verweerder hoe Colombiaanse strijdkrachten en paramilitairen (AUC) in de periode 1999-2005 ernstige misdrijven hebben gepleegd. De Colombiaanse strijdkrachten en het AUC executeerden op grote schaal leden van guerrillagroepen zoals de FARC en ELN. De omstandigheden in de gevangenissen waren erbarmelijk. Vanwege extreme overpopulatie namen de gewapende groeperingen de dagelijkse gang van zaken in gevangenissen over. Dat leidde tot gruwelijke moordpartijen, ontsnappingen, martelingen, seksueel geweld en gijzelingen. Cipiers waren betrokken bij het martelen van gevangenen.

Verweerder stelt dat eiser verantwoordelijk kan worden gehouden voor moord, marteling/foltering en (zware) mishandeling in de gevangenis. Eiser moet al voor zijn aanmelding bij INPEC hebben geweten dat in de Colombiaanse gevangenissen op grote schaal misdrijven werden gepleegd. Ook in de periode dat hij in de meest beruchte gevangenissen van Colombia werkte, moet hij zich er bewust van zijn geweest dat daar ernstige misdrijven werden gepleegd. Dit blijkt ook uit de verklaringen die eiser heeft afgelegd. Er is dus voldaan aan het vereiste van ‘knowing participation’. Ook aan het vereiste van ‘personal participation’ is voldaan. Eiser heeft er in wezenlijke mate aan bijgedragen dat er in de gevangenissen ernstige misdrijven konden worden gepleegd. Eiser had vanwege zijn functie als dragoneante speciale bevoegdheden en had een leidende rol. Uit eisers verklaringen blijkt dat hij en zijn collega's oogluikend toestonden dat gedetineerden werden vermoord. Hij vormde daarbij een onlosmakelijk onderdeel van een systeem waarin gedetineerden, mede door eisers toedoen, slachtoffer konden worden van ernstige misdrijven.

Verweerder stelt dat eiser ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor buitengerechtelijke executie en detentie door Colombiaanse strijdkrachten en paramilitairen. Ook ten aanzien van deze misdrijven is voldaan aan het vereiste van ‘knowing participation’. Eiser moet namelijk al voor zijn aanmelding hebben geweten dat de Colombiaanse strijdkrachten en paramilitairen leden van de FARC buitengerechtelijk executeerden. Eiser heeft ook verklaard dat hij en zijn collega's op verschillende manieren informatie verkregen, op grond waarvan de executies konden worden uitgevoerd. Ook aan het vereiste van ‘personal participation’ is volgens verweerder voldaan. Uit eisers verklaringen blijkt dat eiser en zijn collega’s handelingen verrichtten om informatie los te krijgen van gedetineerden en die informatie verkochten aan de Colombiaanse strijdkrachten en/of de paramilitairen. Eiser heeft verklaard dat hij en zijn collega's gedetineerden in isolatiecellen plaatsten en ervoor zorgden dat zij niet konden slapen om informatie van die personen te vergaren. Die informatie werd vervolgens doorgespeeld aan de strijdkrachten en paramilitairen. Het is niet geloofwaardig dat eiser deze opdrachten niet zou hebben aanvaard. Nergens in de gehoren heeft hij aangegeven dat hij zich van deze praktijken heeft gedistantieerd.

Verweerder stelt zich ten slotte op het standpunt dat de vrijwaringsgrond ‘dwang’ niet op de hiervoor genoemde daden van eiser van toepassing is. Uit eisers verklaringen blijkt dat hij niet is gedwongen om voor INPEC te werken. Ook had eiser zich kunnen onttrekken aan de situatie waarin de 1F-misdrijven werden gepleegd.

Verdere besluitvorming

Verweerder acht het aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade. Hij heeft voldoende onderbouwd dat hij te vrezen heeft voor (ex-)leden van de FARC en door verschillende nationale instanties niet is geholpen. Eiser zal dus niet worden uitgezet naar Colombia. Aan hem kan echter ook geen verblijfsvergunning worden verleend. Omdat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft, rust er op hem een vertrekplicht. Hoewel verweerder erkent dat deze situatie zo veel mogelijk moet worden voorkomen, is er in dit geval geen sprake van een situatie waarin het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is.

Verweerder legt verder een besluit tot signalering op, waardoor eiser voor de duur van tien jaar gesignaleerd staat in het Schengen Informatie Systeem (SIS). Volgens verweerder vormt eiser een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde. Het enkele tijdsverloop sinds de 1F-gedragingen, maakt de bedreiging niet minder actueel. Ook is geen sprake van een situatie waarbij eiser rekenschap geeft van zijn daden, verantwoording aflegt of verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden en/of oprecht berouw toont. Tussen eiser en zijn echtgenote en zoon is wel sprake van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, maar de belangenafweging in dat kader valt in eisers nadeel uit.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen het besluit van verweerder ongegrond is. De rechtbank zal hierna aan de hand van eisers beroepsgronden uitleggen hoe zij tot haar oordeel is gekomen.

Is artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing?

6. Eiser voert, kort gezegd, aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom artikel 1F van het Vv op hem van toepassing is. Er bestaat redelijke twijfel of eiser het in zijn verklaringen had over de bewaking in het algemeen, of dat hij de gepleegde feiten ook op zichzelf betrok. Verweerder had daarom een aanvullend gehoor met eiser moeten houden om deze onduidelijkheid weg te nemen.

De rechtbank begrijpt het bestreden besluit zo, dat verweerder artikel 1F van het Vv aan eiser tegenwerpt op basis van twee categorieën delicten. Artikel 1F van het Vv wordt toegepast omdat eiser zou hebben deelgenomen aan delicten die plaatsvonden ín de gevangenis (categorie 1). Daarnaast past verweerder artikel 1F van het Vv toe omdat de acties van eiser in de gevangenis er daarbuíten toe zouden hebben geleid dat het leger en paramilitairen delicten hebben gepleegd (categorie 2). De rechtbank is van oordeel dat verweerder artikel 1F Vv heeft mogen toepassen. Verweerder heeft in ieder geval voldoende gemotiveerd waarom eiser medeverantwoordelijk kan worden gehouden voor buitengerechtelijke executies en detenties door het leger en paramilitairen (categorie 2).

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van het vereiste van ‘knowing participation’ terecht heeft gewezen op eisers eigen verklaringen. Eiser verklaart op pagina 14 van het nader gehoor dat:

“Wat wij deden, we martelden, ik ga daar niet expliciet op in, maar wij martelen om informatie los te krijgen en die informatie werd dan door de superieuren verkocht. Bijvoorbeeld als het informatie was over de guerrillero’s dan werd het aan de paramilitairen verkocht en vice versa. Zo ging men te werk. Als de informatie aan het leger werd gegeven, dan gebruikten ze dat om guerrillero’s te doden en mensen die er niets mee te maken hadden en dan deden ze alsof die onschuldigen guerrillero’s waren, zodat ze een succes hadden. Dat waren “falsos positivos”, een vals succes.”

Uit deze verklaringen blijkt expliciet dat eiser wist dat leden van de FARC en andere guerrillero’s, op basis van informatie die hij en zijn collega’s doorgaven, buitengerechtelijk werden geëxecuteerd. Eisers verklaringen sluiten ook aan bij de door verweerder in het voornemen aangehaalde landeninformatie. Daaruit volgt dat leden van de FARC in de periode van 1999-2005 door paramilitairen werden geëxecuteerd. De rol van de Colombiaanse strijdkrachten daarbij was, zo blijkt uit een rapport van Human Rights Watch, dat zij actief inlichtingen met deze paramilitairen deelden, zodat de executies konden plaatsvinden. Eiser wist dus dat de informatie die hij en zijn collega’s verkregen, uiteindelijk werd gebruikt om FARC-leden te executeren.

De rechtbank volgt ook de conclusie van verweerder dat voldaan is aan het vereiste van ‘personal participation’ met betrekking tot deze delictcategorie (categorie 2). Zoals hiervoor besproken volgt uit eisers eigen verklaringen dat eiser en zijn collega’s handelingen verrichtten om informatie los te krijgen en deze inlichtingen werden vervolgens doorgespeeld aan de Colombiaanse strijdkrachten en/of de paramilitairen. Verweerder stelt daarbij terecht dat de nadere uitleg in de correcties en aanvullingen over de betekenis van “martelen”, geen verschil maakt. Dat eiser met “martelen” bedoelde dat mensen in een isoleercel werden geplaatst en door het gooien van water wakker werden gehouden, neemt immers niet weg dat er handelingen werden verricht om informatie los te krijgen. Dat uit eisers verklaringen niet zou blijken dat hij zelf betrokken was bij de genoemde handelingen, volgt de rechtbank ook niet. Verweerder stelt terecht dat tijdens het nader gehoor veel is gesproken over het “martelen” van gedetineerden en eiser steeds heeft verklaard “dat wij/we dit soort praktijken deden”. Daarbij heeft eiser op geen enkel moment verklaard dat hij, anders dan andere bewaarders, deze opdrachten niet uitvoerde.

De rechtbank ziet ook geen reden om te oordelen dat eiser deze misdrijven onder dwang heeft gepleegd. Eiser heeft gesteld dat hij in 1999 dienstplichtig was en moest kiezen tussen dienen in het leger, de politie of werken als gevangenismedewerker. De rechtbank ziet hierin alleen al geen grond voor vrijwaring van verantwoordelijkheid omdat eiser op zitting heeft aangegeven dat de dienstplicht 18 maanden duurde, terwijl hij tot 2005 is blijven werken als gevangenisbewaarder.

De rechtbank is van oordeel dat uit eisers verklaringen voldoende blijkt welke rol hij had bij INPEC en welke handelingen hij heeft verricht. Daarom heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om eiser, in het kader van het 1F-onderzoek, aanvullend te horen. Verweerder heeft dus voldaan aan zijn verplichting om op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de nodige kennis over de relevante feiten en af te wegen belangen te vergaren.

Omdat verweerder artikel 1F Vv al vanwege het voorgaande van toepassing heeft mogen achten, behoeven de specifieke beroepsgronden over de gestelde betrokkenheid van eiser bij moord, marteling/foltering en (zware) mishandeling in de gevangenis geen bespreking meer (categorie 1).

Is de beslissing om aan eiser geen verblijfstitel toe te kennen in strijd met artikel 4 van het Handvest?

7. Eiser voert aan dat onduidelijk is of het zogenaamde duurzaamheids- en proportionaliteitsbeleid voor 1F-ers in lijn is met artikel 4 van het Handvest. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft hier in een uitspraak van 27 augustus 2025 prejudiciële vragen over gesteld. Eén van de beschreven situaties in de uitspraak komt overeen met de situatie waarin eiser verkeert. Eiser verzoekt de rechtbank om, als zij de 1F-tegenwerping volgt, de zaak in afwachting van de antwoorden aan te houden.

Uit paragraaf C7/7.10.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 zoals dat op het moment van het bestreden besluit luidde volgt dat vreemdelingen die niet vrijwillig naar een ander land kunnen vertrekken pas na een periode van tien jaar in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier. Bij die toets beoordeelt verweerder ook of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is, afgewogen tegen de belangen van de Staat om artikel 1F van het Vv te handhaven. In de eerste periode van tien jaar na de 1F-tegenwerping hebben vreemdelingen, zoals eiser, in beperkte mate toegang tot elementaire voorzieningen. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 augustus 2025 aan het Hof de vraag voorgelegd hoe deze situatie zich verhoudt met verschillende bepalingen in de Terugkeerrichtlijn en de uitleg in het arrest Jawo.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser, gelet op zijn individuele omstandigheden, terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, als bedoeld in het arrest Jawo. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat aan eisers echtgenote en zoon een asielvergunning is verleend en zij van voorzieningen in Nederland gebruik kunnen maken. Eiser verblijft samen met zijn echtgenote in een aan haar toegewezen sociale huurwoning. Hij wordt materieel door zijn echtgenote ondersteund, waardoor niet aannemelijk is dat hij, na de definitieve afwijzing van zijn asielaanvraag, in een situatie van zeer verregaande materiele deprivatie terecht zal komen.

In de omstandigheid dat één van de appellanten in de zaak die bij de Afdeling voorlag ook bij zijn echtgenote verbleef, ziet de rechtbank geen aanleiding om eisers zaak aan te houden. Uit overweging 7.6 van de uitspraak van 27 augustus 2025 blijkt dat de Afdeling een toekomstige situatie voorlegt: de situatie waarin het verblijf bij de echtgenote zou ophouden te bestaan. Die situatie doet zich in het geval van eiser nu niet voor. Dat een dusdanige situatie in de toekomst mogelijk zou kunnen ontstaan, is onvoldoende aanleiding om eisers beroepszaak aan te houden.

Heeft eiser zich voldoende rekenschap gegeven van de aan hem verweten gedragingen (SIS-signalering)?

8. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte in het SIS heeft gesignaleerd. Uit zijn verklaringen in het nader gehoor blijkt wel degelijk dat hij nu anders aankijkt tegen de aan hem verweten gedragingen. Het is ondeugdelijk dat verweerder stelt dat uit het feit dat eiser van 2005-2011 bleef werken voor INPEC, blijkt dat eiser zich in die periode geen rekenschap heeft gegeven van zijn daden. Daarnaast kan van eiser niet worden verwacht dat hij contact opneemt met familieleden van slachtoffers, aangezien dit voor hem persoonlijk gevaar oplevert. Verweerder kan dit daarom niet aan hem tegenwerpen.

Verweerder heeft eiser in het SIS gesignaleerd. Volgens verweerder vormt eiser nog steeds een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde. Verweerder heeft die beoordeling aan de hand van de volgende elementen uit het arrest K. en H.F van het Hof van 2 mei 2018 verricht:

a. de 1F vaststelling in het (asiel)besluit, waarbij ook betrokken moet worden de aard en de ernst van de verweten misdrijven en gedragingen;b. de mate waarin de vreemdeling persoonlijk betrokken was bij de misdrijven en gedragingen;c. het eventueel bestaan van gronden van uitsluiting van strafrechtelijke aansprakelijkheid;d. het feit of de vreemdeling al dan niet strafrechtelijk is veroordeeld;

e. het tijdsverloop sinds het (vermoedelijke) plegen van de misdrijven;f. hoe de vreemdeling zich nadien heeft gedragen.

De rechtbank stelt vast dat eisers gronden betrekking hebben op de elementen die onder e. en f. zijn weergegeven. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 december 2020 overwogen dat uit het arrest K en H.F volgt dat tijdsverloop vooral een rol speelt bij de vraag of de vreemdeling ná het plegen van 1F-misdrijven zijn leven aantoonbaar en duurzaam heeft verbeterd. Daarbij zijn, volgens het Hof, met name de momenten van belang waarop een vreemdeling zich rekenschap geeft van zijn daden en daarvoor verantwoordelijkheid neemt en oprecht berouw toont.

De rechtbank stelt vast dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij de misdrijven die in de gevangenissen plaatsvonden achteraf gezien afkeurt, en dat hij vindt dat hij niet goed heeft gehandeld/heeft nagelaten te handelen. Tegelijkertijd heeft eiser, in het kader van ‘personal participation’, zijn verantwoordelijkheid voor de daden betwist. In dat kader heeft eiser gesteld dat uit zijn verklaringen onvoldoende duidelijk blijkt dat hij de gepleegde daden heeft gepleegd en hij aanvullend gehoord zou moeten worden. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het lastig is om de 1F-tegenwerping te betwisten en gelijktijdig verantwoordelijkheid voor de misdrijven te nemen, volgt uit deze opstelling dat eiser op dit moment onvoldoende verantwoordelijkheid voor de gepleegde 1F-misdrijven heeft genomen. Verweerder heeft eiser dus in het SIS mogen signaleren omdat hij een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt.

Heeft verweerder aan eiser een vertrekplicht mogen opleggen?

9. Eiser voert aan dat verweerder aan hem geen vertrekplicht mocht opleggen. Hij verwijst naar het arrest Tadmur van het arrest van het Hof van Justitie van 26 maart 2026.

In het verweerschrift heeft verweerder erkend dat hij aan eiser, gelet op het arrest Tadmur, geen vertrekplicht uit artikel 61 van de Vreemdelingenwet 2000 heeft mogen opleggen. Het standpunt uit het bestreden besluit dat eiser Nederland uit eigen beweging moet verlaten, laat verweerder daarom vallen. Deze beroepsgrond slaagt dus. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Dat in de belangenafweging in het kader van 8 van het EVRM is meegewogen dat de familieband ook in een ander land voort kan worden gezet, is niet relevant. Ter zitting hebben partijen immers besproken dat er geen sprake kan zijn van een schending van artikel 8 van het EVRM, nu eiser feitelijk het familieleven met zijn echtgenoot en zoon kan uitoefenen in Nederland. Eiser heeft verder geen belangen genoemd die zouden zijn geschaad door het ten onrechte opleggen van een vertrekplicht. De rechtbank ziet die ook niet.

Conclusie en gevolgen

10. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond.

Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt, vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb, wel een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 2.802 (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934 aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, voorzitter, tevens voorzieningenrechter en mr. J.L. Roubos en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. J.P. Ankum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover dit gaat over het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.L. Roubos
  • mr. H. Battjes

Griffier

  • mr. J.P. Ankum

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand