ECLI:NL:RBDHA:2026:32244

ECLI:NL:RBDHA:2026:32244

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-10-2026
Datum publicatie 03-11-2026
Zaaknummer NL26.52871 en NL26.52872
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Beroep en vovo Griekse statushouder. Aanvraag n-o. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid door eiser tijdens het gehoor niet expliciet te bevragen over de reden van zijn vertrek uit Griekenland. Omdat uit het gehoor voldoende blijkt waarom eiser Griekenland heeft verlaten en niet is gebleken wat eiser nog meer naar voren had willen brengen als hij hier wel expliciet naar gevraagd was, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Verder is de rechtbank van oordeel dat, gelet op eisers omstandigheden, niet kan worden gezegd dat hij bij terugkeer naar Griekenland buiten zijn eigen wil en keuzes om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt. Dat betekent dat eiser moet terugkeren naar Griekenland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , eiser/verzoeker,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.52871 (beroep) en NL26.52872 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire),

en

(gemachtigde: mr. Y. Verheugd).

1. De rechtbank en de voorzieningenrechter hebben de zaken van [eiser] op zitting behandeld en een uitspraak geschreven. Hieronder wordt een samenvatting van deze uitspraak gegeven. Die is bedoeld voor [eiser] . De rechtbank en de voorzieningenrechter zullen hem hierna eiser noemen.

Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van eisers asielaanvraag. Volgens verweerder kan eiser terugkeren naar Griekenland, omdat hij daar internationale bescherming heeft. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld. In beroep voert hij in dat kader een aantal argumenten aan, de beroepsgronden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid door eiser tijdens het gehoor niet expliciet te bevragen over de reden van zijn vertrek uit Griekenland. Omdat uit het gehoor voldoende blijkt waarom eiser Griekenland heeft verlaten en niet is gebleken wat eiser nog meer naar voren had willen brengen als hij hier wel expliciet naar gevraagd was, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Verder is de rechtbank van oordeel dat, gelet op eisers omstandigheden, niet kan worden gezegd dat hij bij terugkeer naar Griekenland buiten zijn eigen wil en keuzes om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt. Dat betekent dat eiser moet terugkeren naar Griekenland. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 10 juli 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 1 september 2026 niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser internationale bescherming geniet in Griekenland.

Eiser heeft op 8 september 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten.

Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. In beide zaken is het onderzoek na de behandeling op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter

Wat betrekt de rechtbank bij haar beoordeling?

3. Eiser stelt de Palestijnse nationaliteit te hebben, afkomstig te zijn uit Gaza en geboren te zijn op [geboortedatum] . Op 7 september 2022 is hij Gaza ontvlucht vanwege problemen die voortkwamen uit een eerdere relatie. Daarna heeft hij ongeveer een jaar illegaal in Turkije verbleven en daar gewerkt. Sinds 8 januari 2024 heeft hij internationale bescherming in Griekenland. De aan hem verleende verblijfsvergunning is drie jaar geldig. Na verlening van deze verblijfsvergunning is hij direct uit de opvang op het eiland Samos geplaatst. Met geleend geld is hij toen direct naar Athene vertrokken, waar hij drie weken op straat heeft geslapen. Vanwege de taalbarrière lukte het hem niet om aan werk te komen en daardoor had hij geen geld om onderdak aangeboden door vrienden te betalen. Vervolgens heeft hij in februari 2024 Griekenland verlaten om daarna tweemaal een asielaanvraag in te dienen in België. Na de afwijzing van deze aanvragen heeft hij op 10 juli 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.

Wat staat er in het bestreden besluit?

4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 38, eerste lid, onder c, van de Procedureverordening, omdat eiser internationale bescherming geniet in Griekenland. Op grond van Informatiebericht SBJZ 2026/31 Beoordeling statushouders Griekenland (IB 2026/31) beoordeelt verweerder of eiser als statushouder in Griekenland terug kan naar Griekenland en daarom zijn asielaanvraag als niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Dit is mogelijk indien eiser als zelfredzaam kan worden beschouwd. Hiervoor is vereist dat eiser beschikt over een geldige Griekse verblijfsvergunning, een volwassen en alleenstaande man is en dat er geen sprake is van omstandigheden die de zelfredzaamheid van eiser (significant) belemmeren. Eiser voldoet aan deze voorwaarden. Uit Eurodac en informatie van de Griekse autoriteiten is gebleken dat eiser sinds 8 januari 2024 beschikt over een Griekse verblijfsvergunning die drie jaar geldig is. Bovendien is hij 24 jaar oud en kan hij worden aangemerkt als niet-kwetsbaar. Uit zijn eigen verklaringen is niet gebleken dat hij tijdens zijn eerdere verblijf geen toegang heeft gehad tot woonruimte, de arbeidsmarkt en medische zorg of dat hij niet in zijn basale levensbehoeften heeft kunnen voorzien. Daarbij betrekt verweerder ook dat eiser relatief kort na het verkrijgen van zijn verblijfsvergunning uit Griekenland is vertrokken.

Verweerder draagt eiser daarom op om terug te gaan naar Griekenland. Dit doet verweerder op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Wat is het juridisch kader?

5. Eiser heeft zijn asielaanvraag na 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de Procedureverordening van toepassing is. In artikel 38 van de Procedureverordening staat:

“de beslissingsautoriteit kan de ontvankelijkheid van een verzoek beoordelen overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, en kan op grond van het nationale recht bevoegd worden gemaakt om een verzoek niet-ontvankelijk te verklaren wanneer een van de volgende gronden van toepassing is: (...)

c. een andere lidstaat dan de lidstaat die het verzoek behandelt, heeft de verzoeker internationale bescherming verleend.”

Het uitgangspunt hierbij is dat verweerder in het algemeen mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in een lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM (het zogenoemd interstatelijk vertrouwensbeginsel). Het is dan in beginsel aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen.

Uit het arrest Ibrahim volgt dat de lidstaten geen gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren als de vreemdeling bij terugkeer naar de lidstaat die hem internationale bescherming heeft geboden, het risico loopt om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. In dit arrest heeft het Hof overwogen dat, ondanks het uitgangspunt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet kan worden uitgesloten dat statushouders in een lidstaat het risico lopen om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. De tekortkomingen vallen alleen onder artikel 4 van het Handvest als ze een ‘bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid’ bereiken. Deze drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften en waardoor zijn gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraken van 28 juli 2021 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Griekenland niet zonder meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Meer concreet kan verweerder er niet zonder meer van uitgaan dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer in Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken. In die uitspraken is vermeld dat een Griekse wetswijziging van maart 2020 (onder andere) tot gevolg heeft dat terugkerende statushouders niet meer in aanmerking komen voor huisvesting en toelagen, en dat de druk op voorzieningen voor statushouders is toegenomen. Hierdoor zijn duizenden statushouders dakloos geworden. Daarnaast moeten terugkerende statushouders die niet meer in het bezit zijn van hun Griekse verblijfsvergunning (ADET) maanden wachten tot deze opnieuw wordt afgegeven waardoor zij geen belastingnummer (AFM) en geen sociaalzekerheidsnummer (AMKA) kunnen bemachtigen. Dit bemoeilijkt vervolgens de toegang tot huisvesting, sociale voorzieningen, zorg en de arbeidsmarkt. De Afdeling heeft op basis hiervan overwogen dat de Griekse autoriteiten weliswaar niet onverschillig staan tegenover de situatie van statushouders, maar dat zij in de praktijk vaak niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terechtkomen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. De Afdeling heeft daarom geconcludeerd dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij ten aanzien van Griekenland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan en dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer naar Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken.

Naar aanleiding van deze uitspraken van de Afdeling heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht. Op24 juni 2022 is het eerste ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding van dit feitenonderzoek heeft verweerder in IB 2022/84 een vaste gedragslijn neergelegd op grond waarvan hij kon beoordelen of in voorkomend geval een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kon worden verklaard.Op 3 september 2024 is het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Inmiddels is de vaste gedragslijn van verweerder neergelegd in IB 2026/31.

De rechtbank stelt vast dat uit het recent verschenen rapport van de Refugee Support Aegean (RSA) van 27 april 2026 blijkt dat er in Griekenland nog steeds problemen zijn voor statushouders en zeker bij terugkeerders, met name bij het effectueren van hun rechten op sociale zekerheid, gezondheidszorg en het verkrijgen van werk en huisvesting.

Anderzijds acht de rechtbank van belang het recente arrest D.O. en L.A. tegen Zweden van het EHRM. Hoewel het daar vooral om de medische omstandigheden van de terugkeerders ging, betrof het kwetsbare statushouders waarvan het

EHRM niettemin oordeelde dat zij bij terugkeer naar Griekenland niet in een situatie van

zeer verregaande materiële deprivatie zullen belanden. In dit arrest herhaalt het EHRM ook

zijn algemene standpunt dat artikel 3 van het EVRM niet ertoe verplicht dat lidstaten iedere

vreemdeling binnen hun landsgrenzen voorzien van een huis of financiële hulp om een

bepaalde levensstandaard te behouden. Het EHRM overweegt tevens dat de situatie van

personen die internationale bescherming genieten, in welk land dan ook, onvermijdelijk

gepaard gaat met ontberingen, verliezen, moeilijkheden en uitdagingen, of deze nu van

financiële, taalkundige, administratieve of praktische aard zijn, onder meer bij het vinden

van passende huisvesting, maar dat de bewijslast van een risico op een 3 EVRM-schending

bij terugkeer nog steeds bij de vreemdelingen ligt. Het EHRM stelt daarnaast vast dat de

Griekse regering, met de steun van EU-agentschappen, bepaalde lidstaten, ngo’s en andere partijen, talrijke initiatieven heeft genomen om de succesvolle integratie van de vele

personen die in Griekenland internationale bescherming genieten te bevorderen, onder meer

door het verstrekken van huursubsidies, een gegarandeerd minimuminkomen, taalopleidingen en integratiecursussen. De rechtbank begrijpt uit deze bewoordingen dat

informeel werk en informele huisvesting voldoende kunnen zijn, zeker als dat tijdelijk is.

Was het gehoor zorgvuldig?

6. Eiser betwist de zorgvuldigheid van het afgenomen gehoor. Het was hem ten tijde van het gehoor onvoldoende kenbaar dat zijn verklaringen over Griekenland beslissend zouden worden voor de vraag of zijn aanvraag zonder inhoudelijke beoordeling niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Dat er tijdens het gehoor wel vragen over Griekenland zijn gesteld, neemt dit gebrek niet zonder meer weg. Daarbij wijst hij op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 september 2026.

De rechtbank overweegt als volgt. In het interne beleid van verweerder is vastgelegd dat tijdens het gehoor moet worden gevraagd naar de reden van vertrek uit Griekenland. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit heeft nagelaten en zich dus niet aan zijn eigen beleid heeft gehouden. Dit vormt een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om aan dit gebrek voorbij te gaan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat niet aannemelijk is dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. Uit het gehoor blijkt namelijk voldoende waarom eiser Griekenland heeft verlaten. Hij heeft daarover verklaard dat hij in Athene geen werk kon vinden en als gevolg daarvan geen onderdak had. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn verklaringen via de correcties en aanvullingen op het gehoor of in beroep aan te vullen. Ter zitting is ook niet geconcretiseerd wat eiser in dat kader nog meer naar voren had wensen te brengen als hij wel expliciet was gevraagd naar de reden van vertrek. Daarom passeert de rechtbank dit gebrek.

Heeft verweerder eisers asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard?

7. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij als zelfredzaam kan worden beschouwd. Daarbij wijst hij erop dat hij na de ontvangst van zijn verblijfsvergunning uit de opvang op Samos is gezet, hij vervolgens drie weken op straat heeft geslapen en geen financiële ondersteuning heeft ontvangen. Ondanks actieve pogingen om werk te vinden, is hem dit vanwege de taalbarrière niet gelukt. Hij heeft zich in de opvang bij een organisatie ingeschreven voor ondersteuning rondom huisvesting of huur, maar ontving geen hulp. Daarbij komt dat hij kwetsbaar is. Hij heeft namelijk zeer beperkt onderwijs gevolgd en heeft te kampen met verschillende lichamelijke klachten, waaronder spataderen, een hernia en pijn aan zijn voet. Deze omstandigheden in samenhang bezien maken dat hij niet als zelfredzaam kan worden beschouwd.

De rechtbank stelt voorop dat zij erkent dat de situatie in Griekenland ernstig is en dat statushouders het zwaar kunnen hebben met het voorzien in hun basisbehoeften zoals huisvesting en het vinden van werk. Dit erkent verweerder ook. Tussen partijen is evenmin in geschil dat niet elke statushouder geschikt is om naar Griekenland terug te keren. Wel is in geschil of ten aanzien van eiser gezegd kan worden dat hij bij terugkeer naar Griekenland, buiten zijn eigen wil en keuzes om, in een situatie terechtkomt van zeer verregaande materiële deprivatie. De rechtbank overweegt in dit kader als volgt.

De rechtbank begrijpt uit de verklaringen van eiser dat zijn leefomstandigheden in de periode nadat hij uit de opvang is gezet slecht waren. Deze omstandigheden maken, ook in onderlinge samenhang bezien, echter niet dat eiser niet als zelfredzaam kan worden beschouwd. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser in de periode nadat hij uit de opvang is gezet volgens zijn verklaringen, ondanks dat hij hier geen gebruik van heeft gemaakt, wel de mogelijkheid tot informele huisvestiging gehad via zijn netwerk. Ook heeft eiser zelfstandig zijn reis naar België kunnen plannen en uitvoeren, en met behulp van zijn netwerk kunnen financieren. Daarnaast is niet gebleken dat eiser heeft geprobeerd gebruik te maken van initiatieven zoals taallessen of integratiecursussen of dat hij anderszins heeft geprobeerd informatie in te winnen over zijn mogelijkheden in Griekenland. Eisers verklaring ter zitting dat hij éénmaal contact heeft opgenomen met een hulporganisatie, is voor de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat eiser heeft geprobeerd een leven op te bouwen in Griekenland. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom niet op voorhand aannemelijk dat eiser buiten zijn eigen wil en keuzes om in Griekenland terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in het arrest Ibrahim. Van hem mag worden verwacht dat hij – zo nodig met hulp van zijn netwerk, ngo’s en de Griekse autoriteiten – voorkomt dat hij in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt. Eisers stelling dat hij zeer beperkt onderwijs heeft gevolgd, maakt niet dat hij bijzonder kwetsbaar is in de zin van het arrest Ibrahim. Ook zijn gestelde medische klachten kunnen niet afdoen aan het oordeel, omdat hij deze klachten geenszins heeft onderbouwd met medische stukken.

Omdat eiser beschikt over een geldige Griekse verblijfsvergunning, een volwassen en alleenstaande man is en er geen sprake is van omstandigheden die de zelfredzaamheid van eiser (significant) belemmeren, is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De beroepsgrond slaagt niet.

Wat is de conclusie?

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand. Dat betekent dat eiser terug zal moeten keren naar Griekenland.

Gezien deze beslissing op het beroep, is er geen grond meer voor het treffen van voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.

Gezien deze beslissing op het beroep, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 2.802,-, (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 1 september 2026;

- bepaalt dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Mons, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het gaat over het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand