ECLI:NL:RBDHA:2026:32246

ECLI:NL:RBDHA:2026:32246

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-11-2026
Datum publicatie 03-11-2026
Zaaknummer NL26.63801
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, beroep, grondslag van de bewaringsmaatregel, bewaringsgronden, lichter middel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.63801

(gemachtigde: mr. A.B.G.T. von Bóné),

en

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 21 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag van de bewaringsmaatregel

1. Eiser betwist dat hij een asielaanvraag heeft gedaan. Daartoe voert eiser aan dat hij het aanvraagformulier M35-H niet heeft ondertekend, dat het niet zijn bedoeling is geweest om een asielaanvraag in te dienen en dat hij op 26 oktober 2026 heeft verklaard dat hij het aanvraagformulier niet wil ondertekenen. Eiser stelt niet van plan te zijn geweest om voor langere tijd in Nederland te verblijven.

Voor zover eiser stelt dat hij op een onjuiste grondslag in bewaring is gesteld omdat hij geen asielaanvraag heeft gedaan, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) van 17 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5543) blijkt dat er sprake is van het doen van een asielaanvraag in de zin van de Procedurerichtlijn op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. Eiser heeft op 21 oktober 2026 tijdens zijn bewaringsgehoor verklaard dat hij meteen asiel wil aanvragen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit die verklaring van eiser voldoende dat ten tijde van het opleggen van de onderhavige maatregel sprake was van een asielwens, en dus van een asielaanvraag, en dat verweerder eiser daarom terecht op grond van artikel 59b Vw in bewaring heeft gesteld. Dat eiser het formulier M35-H niet heeft ondertekend en op 26 oktober 2026 heeft verklaard deze niet te willen ondertekenen, doet daar niet aan af. Dit is immers geen vereiste voor het uiten van een asielwens. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

2. In de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw) en met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan zijn asielaanvraag en die niet zouden kunnen worden verkregen indien eiser niet in bewaring zou worden gehouden (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw). Verweerder heeft in dit verband, gelet op artikel 5.7, eerste en tweede lid, en met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Tevens heeft verweerder zich in de maatregel van bewaring op het standpunt gesteld dat (1°) eiser in vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) eiser reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat eiser zijn asielaanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw).

Eiser voert aan dat hij voor één dag naar Nederland wilde komen tijdens de herfstvakantie. Het was niet zijn bedoeling om voor langere tijd in Nederland te verblijven of om illegaal uit te reizen naar het Verenigd Koninkrijk. Hij was alleen op zoek naar een slaapplek voor die nacht. Volgens eiser wilde hij daarna weer terugkeren naar Duitsland, waar hij een vast bestaan heeft opgebouwd. Zo stelt eiser dat hij is getrouwd met een Duitse vrouw, dat hij beschikt over een W-document, dat hij een vaste woon- of verblijfsplaats heeft in Duitsland, dat hij in Duitsland over voldoende middelen van bestaan beschikt en dat hij naar school gaat en werkt in Duitsland. Eiser wil en kan zelfstandig terugkeren naar Duitsland aangezien hij de juiste papieren en genoeg geld heeft en genoeg geld heeft om de terugreis te bekostigen.

De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden a, h, en p en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze onbestreden gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel dragen. Er vloeit namelijk een onderduikrisico uit voort. De omstandigheden waaronder eiser is aangetroffen acht de rechtbank bij dat oordeel ook van belang. De rechtbank acht eisers verklaring dat hij een slaapplek zocht, en zich daarom in een trailer op het afgesloten haventerrein van [locatie 1] bevond, niet aannemelijk. Daarnaast zijn de overige door eiser gestelde omstandigheden niet onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

Met het bestaan van het onderduikrisico, zoals overwogen in 2.2., is ook gegeven dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan de asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, behoeft daarom geen bespreking.

Lichter middel

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan inbewaringstelling, zoals een aanwijzing om het land te verlaten of een kortere vertrektermijn. Daartoe voert eiser aan dat hij zelfstandig kan en wil terugkeren naar Duitsland. Er is volgens eiser geen reden om daaraan te twijfelen aangezien hij een vast bestaan heeft opgebouwd in Duitsland, zoals reeds besproken onder 2.1. Verder voert eiser aan soms stemmen te horen en dat hij de detentie als zwaar, onrechtvaardig en onrechtmatig ervaart.

Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder. Alleen een verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Gelet op de hiervoor onder 2.2. genoemde dragende gronden en de toelichting op die gronden bestaat er een onderduikrisico. Verder heeft verweerder hierbij van belang kunnen achten dat eiser is aangetroffen in een trailer op het afgesloten haventerrein van [locatie 1] . Voor zover eiser stelt dat vreemdelingenbewaring voor hem onevenredig bezwarend is, mede gelet op zijn psychische problemen, volgt de rechtbank hem hierin niet. Eiser verblijft in het detentiecentrum in [locatie 2], waar medische en psychische voorzieningen beschikbaar zijn. Voor het oordeel dat eiser detentieongeschikt is, zijn geen concrete aanknopingspunten in het dossier aanwezig. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat in het detentiecentrum een medische dienst aanwezig is waar eiser terecht kan voor medische en psychische hulp en dat de zorgverlening in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de zorgverlening in de vrije maatschappij. Niet is gebleken dat deze zorg voor eiser niet afdoende is. Eisers verklaring dat hij zelfstandig kan en zal terugkeren naar Duitsland is onvoldoende voor het toepassen van een lichter middel. Niet is onderbouwd dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Duitsland en dat hij beschikt over de juiste documenten om naar Duitsland te reizen. Uit het systeem van verweerder is ook niet gebleken dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Duitsland. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Zanden, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.N. Abdoelkadir

Griffier

  • mr. F. van der Zanden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand