[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H. Meijerink),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. F. Schoot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van 15 juni 2026. In dit besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
De minister heeft, na de sluiting van het onderzoek, op 17 oktober 2026 een bericht geplaatst in het digitale dossier waaruit blijkt dat eiser op 13 oktober 2026 met onbekende bestemming is vertrokken.
De rechtbank heeft het onderzoek op 19 oktober 2026 heropend. Hierbij heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht om aan te geven of zij nog contact heeft met eiser.
De gemachtigde van eiser heeft op 26 oktober 2026 schriftelijk gereageerd op het verzoek van de rechtbank. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een vreemdeling in Nederland een asielaanvraag heeft gedaan en vervolgens met onbekende bestemming vertrekt, dan kan dat betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank kan het beroep dan niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vreemdeling in dat geval geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank moet daar wel voorzichtig mee omgaan. Als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling nog contact onderhoudt met de vreemdeling over het verloop van de procedure, dan mag er in beginsel van uit worden gegaan dat de vreemdeling nog wel procesbelang heeft. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en ook op een andere manier geen actueel of reëel belang meer heeft.
3. De minister heeft bij brief van 17 oktober 2026 laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser verzocht om te laten weten of zij nog contact met eiser heeft. De gemachtigde van eiser heeft laten weten dat zij geen contact (meer) heeft met eiser. De rechtbank neemt daarom aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk beoordeelt. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. J. van der Veen, voorzitter, en mr. A. Sibma en
mr. A. Dijkstra, leden, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.