Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/72
zaak- /rekestnummer: C/09/714987 / KG RK 26-1514
Beslissing van 2 november 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,gemachtigde: D.B. Pathak (Stichting Juridisch Centrum)
strekkende tot de wraking van
mr. D. de Loor,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. Het wrakingsverzoek
Het schriftelijke wrakingsverzoek is binnengekomen op 21 oktober 2026 en bij e-mail van 22 oktober 2026 aangevuld.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 12187715
EJ VERZ 26-72356 (hierna: de hoofdzaak).
Verzoekster heeft aan haar wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd:
“Tijdens de behandeling zijn er meerdere incidenten van vooringenomenheid en objectief schijn van partijdigheid tevens zijn er aanwijzingen van corruptie in handelingen van de rechter waarom deze wrakingsverzoek noodzakelijk werd zodat de verzoekster niet gedupeerd wordt door de vooringenomenheid en partijdigheid van de rechter.”
Verzoekster heeft in haar e-mail van 21 oktober 2026 en haar e-mail van 22 oktober 2026 meerdere punten genoemd als onderbouwing van deze incidenten van vooringenomenheid en partijdigheid.
2. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Een wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven zich hebben voorgedaan. Artikel 37, eerste lid Wetboek van Rechtsvordering bepaalt immers dat het verzoek tot wraking wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Na indiening van het verzoek wordt de procedure direct geschorst. Zo wordt voorkomen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode waarvan later wordt vastgesteld dat hij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook is beoogd onnodige vertraging van de rechtspleging te voorkomen.
Uit het wrakingsverzoek volgt dat de door verzoekster voor de wraking aangevoerde omstandigheden betrekking hebben op het verloop van de zitting die op 8 oktober 2026 heeft plaatsgevonden. Verzoekster was met haar gemachtigde op die zitting aanwezig en moet dus op die dag al bekend zijn geweest met de feiten en omstandigheden die voor haar aanleiding zijn geweest om het wrakingsverzoek in te dienen. De gemachtigde van verzoekster heeft het wrakingsverzoek vervolgens pas op 21 oktober 2026 ingediend. Voor het tijdsverloop van dertien dagen is door hem geen redelijke verklaring gegeven. Het verzoek is daarom te laat ingediend en verzoekster kan dan ook niet worden ontvangen in het verzoek. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek komt de wrakingskamer daarom niet toe.
Verzoekster heeft in deze procedure meerdere wrakingsverzoeken gedaan die geen van alle zijn gehonoreerd, dan wel die feitelijke onderbouwing missen en die hebben geleid tot onredelijke vertraging van de rechtspleging. Naar het oordeel van de wrakingskamer gebruikt verzoekster het middel van wraking voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. Daarmee is sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
3. De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoekster p/a haar gemachtigde;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.W. Schippers, A.M.A. Keulen en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.