ECLI:NL:RBDHA:2026:32258

ECLI:NL:RBDHA:2026:32258

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-10-2026
Datum publicatie 03-11-2026
Zaaknummer NL26.54911, NL26.54912, NL26.54913 en NL26.54914
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Eisers komen uit Afghanistan. Zij hebben in Griekenland internationale bescherming gekregen. Hierna zijn eisers naar Nederland gekomen en hebben zij hier om asiel gevraagd. Zij stellen dat de omstandigheden in Griekenland zo slecht zijn, dat zij daar geen leven kunnen opbouwen. Ook willen zij hun zoon een goede toekomst bieden. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat eisers al internationale bescherming hebben in Griekenland. Volgens verweerder kan eiser zichzelf en zijn gezin enige tijd staande houden in Griekenland. Ook stelt verweerder zich op het standpunt dat de toekomst van de zoon van eisers geen reden is om de asielaanvragen in behandeling te nemen. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben beroep ingesteld bij de rechtbank en argumenten gegeven. Dit zijn de beroepsgronden. Op basis van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de asielaanvragen van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank volgt verweerder en verklaart de beroepen van eisers ongegrond. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] (eiser/verzoeker) en [eiseres] (eiseres/verzoekster),

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.54911 (beroep eiser), NL26.54912 (voorlopige voorziening eiser), NL26.54913 (beroep eiseres) en NL26.54914 (voorlopige voorziening eiseres)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

V-nummers: [# 1] en [# 2] , hierna: eisers,

mede namens hun minderjarige zoon:

[naam zoon]

(gemachtigde: mr. M. Gavami)

en

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

1. Eisers komen uit Afghanistan. Zij hebben in Griekenland internationale bescherming gekregen. Hierna zijn eisers naar Nederland gekomen en hebben zij hier om asiel gevraagd. Zij stellen dat de omstandigheden in Griekenland zo slecht zijn, dat zij daar geen leven kunnen opbouwen. Ook willen zij hun zoon een goede toekomst bieden.

Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat eisers al internationale bescherming hebben in Griekenland. Volgens verweerder kan eiser zichzelf en zijn gezin enige tijd staande houden in Griekenland. Ook stelt verweerder zich op het standpunt dat de toekomst van de zoon van eisers geen reden is om de asielaanvragen in behandeling te nemen.

Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben beroep ingesteld bij de rechtbank en argumenten gegeven. Dit zijn de beroepsgronden.

Op basis van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de asielaanvragen van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank volgt verweerder en verklaart de beroepen van eisers ongegrond. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen.

Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 1 april 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de asielaanvragen met het bestreden besluit van 10 september 2026 niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat eisers niet terug hoeven naar Griekenland totdat op de beroepen is beslist.

De beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening zijn op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers,

[naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eisers zijn echtgenoten. Zij hebben de Afghaanse nationaliteit, behoren tot de Hazara-bevolkingsgroep. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] en eiseres is geboren op [geboortedatum 2] . Hun zoon is geboren op [geboortedatum 3] . Eiser heeft eerder in Zweden een verblijfsvergunning gehad, maar in 2019 is zijn asielaanvraag daar afgewezen en is eiser vrijwillig teruggekeerd naar Afghanistan. Datzelfde jaar zijn eiser en eiseres samen met hun minderjarige zoon uit Afghanistan gevlucht, omdat de Taliban duizenden Hazara had gedood en eisers voor hun leven vreesden. Eisers zijn toen via Iran en Turkije naar Griekenland gevlucht. Zij hebben op 12 december 2025 in Griekenland internationale bescherming gekregen. Nadat zij hun verblijfsdocumenten hadden ontvangen, zij zijn naar Nederland gereisd. Op 1 april 2026 hebben zij hier asiel aangevraagd. Eisers stellen dat de omstandigheden in Griekenland slecht zijn en dat zij daar geen leven kunnen opbouwen. Toen eisers Griekenland binnenkwamen, is eiser mishandeld door de Griekse kustwacht. Daarna zijn eisers naar een opvang gebracht, maar zij kregen te horen dat zij na twee weken op straat zouden worden gezet. Eisers willen ook hun zoon een goede toekomst bieden. Daarom zijn zij naar Nederland gekomen.

Het bestreden besluit

4. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Uit Eurodac (een Europese databank met vingerafdrukken van onder andere asielzoekers) blijkt dat eisers sinds 12 december 2025 internationale bescherming hebben in Griekenland. Hun vluchtelingenpaspoort is geldig tot 17 januari 2031 en hun Grieks verblijfsdocument is geldig tot 11 december 2028. Volgens verweerder hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Griekenland in een situatie terechtkomen van zeer verregaande materiële deprivatie. Hoewel het gezin niet voldoet aan de voorwaarden van het zelfredzaamheidscriterium zoals neergelegd in Informatiebericht 2026/31, kan er volgens verweerder ook in andere gevallen worden vastgesteld dat er sprake is van zelfredzaamheid. Eiser is volgens verweerder niet kwetsbaar en kan zichzelf en zijn gezin enige tijd staande houden in Griekenland, eventueel in afwachting van steun van de overheid of andere organisaties. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hoewel het tijd kost om de benodigde documenten te regelen, van eisers mag worden verwacht dat zij zichzelf kunnen informeren over de procedures en alternatieve hulp. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat van eisers kan worden verwacht dat zij in hun meest basale behoeftes kunnen voorzien, desnoods via informeel werk. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers zich kunnen wenden tot initiatieven van de overheid en van ngo's die terugkerende statushouders ondersteunen. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat de toekomst van hun zoon geen reden is hun asielaanvragen in behandeling te nemen. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat de problemen van eiser met de Griekse kustwacht niet maken dat eisers niet kunnen terugkeren naar Griekenland.

Verweerder draagt eisers daarom op om terug te gaan naar Griekenland. Dit doet verweerder op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Heeft verweerder de asielaanvragen van eisers terecht niet-ontvankelijk verklaard?

5. Eisers voeren aan dat verweerder hun asielaanvragen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder stelt zich immers zonder deugdelijke motivering op het standpunt dat Griekse statushouders die zelfredzaam zijn, terug kunnen gaan naar Griekenland. Voorheen stuurde verweerder Griekse statushouders in het algeheel niet terug naar Griekenland. Op 26 mei 2026 heeft verweerder in een vergadering gezegd dat er sprake is van een behandelstop van de asielaanvragen van Griekse statushouders. In de beantwoording van Kamervragen op 28 mei 2026 stelt verweerder opeens dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Op welke reden verweerder zijn beleid heeft gewijzigd, is onduidelijk. Daarbij voeren eisers aan dat de situatie in Griekenland zo slecht is, dat zij daar niet kunnen voorzien in hun basisbehoeften. Eisers beroepen zich in dit kader op het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), op een rapport van Refugee Support Aegean (RSA) en op het AIDA-rapport over Griekenland van juli 2026. Verder voeren eisers aan, met een verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 juli 2025 en het arrest QY van het HvJEU van 18 juni 2024, dat verweerder ten onrechte niet de individuele situatie van eisers heeft beoordeeld. De argumentatie in het bestreden besluit bevat veelal algemene overwegingen.

Juridisch kader

6. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact in werking getreden. In dat kader is onder meer de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en het Vreemdelingenbesluit (Vb) met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet zijn de artikelen van de Vw en het Vb zoals deze golden tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vw en het Vb dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.

Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan verweerder een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning niet-ontvankelijk verklaren, indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Deze bepaling wordt nader ingevuld door artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Uit het eerste lid van artikel 3.106a van het Vb volgt dat de aanvraag slechts niet-ontvankelijk wordt verklaard indien, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in de betrokken lidstaat overeenkomstig de beginselen van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Verdrag tegen foltering zal worden behandeld.

Wanneer een vreemdeling bij terugkeer naar de lidstaat waar hij internationale bescherming geniet, een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM, dan mag verweerder zijn asielaanvraag echter niet niet-ontvankelijk verklaren. Dit volgt uit het arrest Ibrahim. Dit is het geval indien de verwachting bestaat dat de omstandigheden bij terugkeer een ‘bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid’ zullen bereiken. Deze drempel wordt bereikt, wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat een vreemdeling die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften en waardoor zijn gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden.

De Afdeling heeft in haar uitspraken van 28 juli 2021 geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de leefomstandigheden van statushouders in Griekenland niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken. De Afdeling heeft verder overwogen dat de Griekse autoriteiten weliswaar niet onverschillig staan tegenover de situatie van statushouders, maar dat zij in de praktijk vaak niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terechtkomen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen.

Risico op zeer verregaande materiële deprivatie

7. Zoals ter zitting met partijen besproken, stelt de rechtbank bij de beoordeling voorop dat ingevolge het arrest Ibrahim de maatstaf is of eisers, buiten hun eigen wil en keuzes om, in een situatie terechtkomen van zeer verregaande materiële deprivatie. Dit houdt in dat eisers niet meer kunnen voorzien in hun belangrijkste basisbehoeften: wonen, eten en zich wassen. Dat de situatie in Nederland voor eisers gunstiger is dan in Griekenland, is dus niet bepalend.

8. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eisers, als zij terugkeren naar Griekenland, niet in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Eiser heeft verklaard dat hij onderwijs heeft genoten en verschillende talen spreekt. Eiseres heeft een universitaire studie afgerond. Eisers hebben drie en een halve maand in Griekenland verbleven. Tijdens hun verblijf in Griekenland hebben eisers opvang en taalles gehad. De zoon van eisers heeft gedurende de gehele periode dat eisers in Griekenland waren, onderwijs gehad. Eiseres had alleen geen toegang tot een tandarts toen haar kroon was afgebroken. Wel wisten eisers de weg te vinden naar de Griekse autoriteiten en hulporganisaties, zoals Helios en de Verenigde Naties. Daarnaast heeft eiser verteld dat hij via een netwerk van in Griekenland wonende Afghanen een huurhuis kon vinden in Griekenland. Hij heeft hierover het volgende verklaard: “Kijk als ik het gewild, ja zeker, dan kan ik via Afghanen die daar woonachtig zijn in Griekenland zijn om hulp vragen om een huurhuis te vinden. Daar is ook een telegram kanaal voor Afghanen. Een huurhuis is zo geregeld. Dat kan je zo vinden”. Eiser kon een huurhuis bekostigen door inkomsten uit werk. Hij heeft echter nooit daadwerkelijk geprobeerd een huurwoning te vinden, omdat eisers vrijwel direct na het verkrijgen van hun verblijfsdocumenten Griekenland hebben verlaten. Eiseres heeft hierover het volgende verklaard: “We kunnen ook wel een huis vinden maar waar het ons om gaat is ‘beter’ en ‘het beste’. Wij hebben het beste voor onze zoon voor ogen. In Nederland heeft hij meer mogelijkheden voor hoger onderwijs. Hij kan hier in Nederland zijn dromen verwezenlijken. Wij willen gewoon dat hij het beste krijgt.” Daarnaast heeft eiser verteld dat als hij wilde werken in Griekenland, er genoeg plekken waren waar hij kon werken. Eiser heeft hierover als volgt verklaard: “Ik had een CV gemaakt en ik ging langs bedrijven. Ik ging vragen of ze iemand nodig hadden en dan gaf ik ze mijn CV. Er waren veel bedrijven die wel geïnteresseerd waren en mij wilden inhuren maar omdat ik mijn verblijfsdocumenten toen nog niet had werd ik niet aangenomen. Maar als ik wilde gaan werken. Waren er genoeg plekken dat ik gelijk kon beginnen. Een salaris zou voldoende zijn om de huur van het huis te betalen.” Verder heeft eiser verklaard dat hij bezittingen en geld heeft in Afghanistan. Op de vraag of hij momenteel toegang tot dit geld heeft, antwoordde eiser: “Als het nodig zou zijn kan mijn vader het geld overmaken. Dat heeft ie ook gedaan tijdens onze reis”.

Hoewel het niet duidelijk in het bestreden besluit van eiser is vermeld, heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting toegelicht dat bij eiser, net als bij eiseres, een beoordeling is gemaakt met toepassing van het beleid uit Informatiebericht 2026/31. De rechtbank kan verweerder hierin volgen, omdat er in het bestreden besluit van eiser materieel gezien getoetst is aan de voorwaarden van het beleid zoals neergelegd Informatiebericht 2026/31. Anders dan eiser stelt, was er dus wel een grondslag voor de beleidswijziging.

Hoewel het in deze zaak niet gaat om een alleenstaande man en daarom niet wordt voldaan aan het zelfredzaamheidscriterium van situatie 1 uit Informatiebericht 2026/31, heeft verweerder situatie 3 uit dit informatiebericht van toepassing geacht en eisers niet kwetsbaar geacht. Gelet op overweging 8.1 en de maatstaf uit overweging 7, volgt de rechtbank verweerders standpunt. Eisers hebben zelf gekozen om naar Nederland te reizen, terwijl zij ook hebben verklaard dat zij in Griekenland de middelen hadden om te werken en een woning te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank is de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid uit het arrest Ibrahim, waarbij eisers buiten hun eigen wil en keuzes om terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, dus niet bereikt.

De rechtbank overweegt wel dat uit het recent verschenen rapport van RSA blijkt dat er in Griekenland nog steeds problemen zijn voor statushouders, met name bij het effectueren van hun rechten op sociale zekerheid, gezondheidszorg en het verkrijgen van werk en huisvesting. Verweerder heeft dit ook niet betwist. In beroep heeft verweerder echter terecht gewezen op het arrest D.O. en L.A. tegen Zweden van het EHRM. In dit arrest heeft het EHRM geoordeeld dat artikel 3 van het EVRM niet ertoe verplicht dat lidstaten iedere vreemdeling binnen hun landsgrenzen voorzien van een huis of van financiële hulp om een bepaalde levensstandaard te behouden. De rechtbank begrijpt hieruit dat informele huisvesting of informeel werk ook voldoende kan zijn. In dit kader heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting terecht opgemerkt dat 20 à 30% van de Griekse economie uit informeel werk bestaat.

In tegenstelling tot wat eisers stellen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder een op eisers toegespitste beoordeling heeft gemaakt. Verweerder heeft immers meerdere verklaringen van eisers in de bestreden besluiten benoemd en vervolgens de criteria uit Informatiebericht 2026/31 hierop toegepast. Dat eisers in de correcties en aanvullingen en ter zitting hebben verklaard dat zij hun verklaringen tijdens het nader gehoor anders hebben bedoeld, volgt de rechtbank niet. Eisers hebben immers afzonderlijk van elkaar eenduidig en uitdrukkelijk over hun individuele omstandigheden verklaard. Zij hebben niet onderbouwd waarom hun verklaringen anders geïnterpreteerd zouden moeten worden.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn ongegrond. Verweerder kan dus van eisers verwachten dat zij terugkeren naar Griekenland.

Nu de rechtbank de beroepen ongegrond verklaart, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken hiertoe dan ook af.

Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft de beroepen, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand