RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26051
geboren op [geboortedatum] ,
Burger van Congo,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij het beroep. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk behandelt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn partner [naam 2] (referent). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 21 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 juni 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Bij brief van 6 januari 2026 heeft de minister aan de rechtbank medegedeeld dat aan eiser op 8 december 2025 een verblijfsvergunning EU/EER op grond van artikel 20 VWEU (Chavez-Vilchez) is verleend. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang meer heeft bij dit beroep.
In reactie hierop heeft eiser op 7 januari 2026 aan de rechtbank laten weten dat hij vindt dat hij nog steeds procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Het is eiser niet duidelijk wat de status is van het terugkeerbesluit, de SIS-signalering en het inreisverbod na het besluit van 8 december 2025. Ook is hij van mening dat hij in bezwaar gehoord had moeten worden. Het horen zou van invloed kunnen zijn op de ingangsdatum van de verblijfsvergunning en/of op het terugkeerbesluit, de SIS-signalering en het inreisverbod.
De minister heeft op 7 januari 2026 gereageerd op het bericht van eiser en heeft aangegeven dat het terugkeerbesluit, de SIS-signalering en het inreisverbod met ingang van 8 december 2025 zijn opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
3. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep, nu aan hem op 8 december 2025 een verblijfsvergunning EU/EER op grond van artikel 20 VWEU (Chavez-Vilchez) is verleend.
De rechtbank stelt vast dat deze vergunning is verleend tot 8 december 2030, dat arbeid vrij is toegestaan en een tewerkstellingsvergunning niet is vereist. Uit de brief van de minister van 7 januari 2026 blijkt voorts dat het terugkeerbesluit, de SIS-signalering en het inreisverbod met ingang van 8 december 2025 zijn opgeheven. Gelet hierop kan eiser met het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ dan ook niet in een materieel gunstigere positie komen. Hieruit volgt dat eiser onvoldoende procesbelang heeft bij de beoordeling van het onderhavige beroep. De rechtbank ziet in wat eiser verder heeft aangevoerd, dat er procesbelang is vanwege de ingangsdatum van de verblijfsvergunning en het feit dat in bezwaar is afgezien van het horen, evenmin aanknopingspunten om procesbelang aan te nemen.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen procesbelang heeft. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.