Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/65
zaak- /rekestnummer: C/09/713604/ KG RK 26-1398
Beslissing van 2 november 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. M.M. Meessen,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek, ter griffie ingekomen op 29 september 2026,
- het proces-verbaal van de zitting van 24 september 2026,
- de schriftelijke reactie van de rechter van 12 oktober 2026.
Op 19 oktober 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij is verzoeker verschenen. De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer SGR 24/9716 tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Delft.
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht ter zitting, samengevat het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:
de rechter heeft door middel van haar vragen verzoeker een verkeerde voorstelling van zijn rechtspositie voorgehouden;
de rechter heeft verzoeker op een strenge en overheersende manier aangesproken op het gebruik van zijn handen (wijzen richting de wederpartij in de hoofdzaak) tijdens zijn betoog;
de rechter heeft weinig belangstelling getoond voor de persoonlijke omstandigheden van verzoeker en hem onvoldoende ruimte gegeven toe te lichten wat de situatie voor hem betekent;
de rechter heeft met haar hoofd een knikkend gebaar gemaakt naar de wederpartij in de hoofdzaak nadat deze haar standpunt kenbaar maakte. Dit heeft bij verzoeker de indruk gewekt dat de rechter instemde met of bevestiging gaf aan hetgeen de wederpartij in de hoofdzaak naar voren bracht;
de rechter heeft de aanvraag van verzoeker ‘mosterd na de maaltijd’ genoemd.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna, voor zover nodig, besproken.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Ad wrakingsgrond 1
De wrakingskamer volgt verzoeker niet in zijn stelling dat de rechter vooringenomen is omdat zij ter zitting door middel van haar vragen verzoeker een verkeerde voorstelling van zijn rechtspositie heeft voorgehouden. Uit de toelichting van verzoeker volgt dat hij de indruk heeft gekregen dat hem werd voorgehouden dat hij geen vergoeding voor inrichtingskosten zou kunnen ontvangen in verband met zijn bewindvoering. Uit het proces-verbaal van de zitting van 24 september 2026 blijkt echter niet dat de rechter dat zo heeft gezegd. De rechter heeft verzoeker (alsook de wederpartij in de hoofdzaak) ter zitting (kritische) vragen gesteld. Het staat de rechter vrij om dat te doen, ook als deze vragen volgens een partij onjuist zijn. Door het stellen van vragen onderzoekt de rechter wat er is gebeurd en maakt de rechter de te beoordelen situatie (meer) concreet. Er is dan ook geen reden te oordelen dat de rechter vooringenomen is, of partijdig, of dat de schijn ervan gewekt is. De eerste wrakingsgrond faalt daarom.
Ad wrakingsgrond 2
Aan de tweede wrakingsgrond ligt in wezen de manier waarop verzoeker door de rechter is bejegend ten grondslag. Voor dergelijke klachten is de wrakingsprocedure niet bedoeld. Verzoeker kan over de wijze van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening (de schijn van) partijdigheid van de rechter besloten ligt, zijn gesteld noch gebleken. Hieruit volgt dat ook de tweede wrakingsgrond faalt.
Ad wrakingsgrond 3
Ook de derde wrakingsgrond faalt. Aan deze grond heeft verzoeker de stelling ten grondslag gelegd dat de rechter ter zitting weinig belangstelling heeft getoond voor zijn persoonlijke omstandigheden en hem onvoldoende ruimte heeft gegeven toe te lichten wat de situatie voor hem betekent. Uit het proces-verbaal van 24 september 2026 maakt de wrakingskamer echter niet op dat de rechter verzoeker geen ruimte heeft gegeven zijn kant van het verhaal te vertellen. Uit het proces-verbaal blijkt immers dat de rechter partijen over en weer de gelegenheid heeft gegeven om hun standpunten naar voren te brengen en dat de rechter ook de gemachtigden van partijen aan het woord heeft gelaten. Het is verder aan de rechter om te bepalen welke informatie zij nodig heeft om tot een goede beoordeling van de zaak te komen en daarmee welke onderwerpen ter zitting besproken worden. Er zijn de wrakingskamer ook op dit punt geen omstandigheden gebleken waaruit kan worden afgeleid dat de rechter vooringenomen is, of partijdig, of dat de schijn ervan gewekt is.
Ad wrakingsgrond 4
Wat betreft de stelling dat de rechter vooringenomen of partijdig is omdat zij ter zitting met haar hoofd een knikkend gebaar maakte naar de wederpartij, overweegt de wrakingskamer als volgt. Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoek betoogd dat niet is vast te stellen wat de intentie van de rechter was met het knikkende gebaar. Ook de wrakingskamer kan deze intentie niet vaststellen. Dat de rechter door middel van het knikkende gebaar heeft ingestemd met of bevestiging gaf aan wat de wederpartij in de hoofdzaak naar voren bracht, staat dus niet vast. Er zijn de wrakingskamer ook overigens geen omstandigheden gebleken waaruit kan worden afgeleid dat de vrees van verzoeker voor partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is. De vierde wrakingsgrond faalt daarom eveneens.
Ad wrakingsgrond 5
Tot slot gaat het nog om de stelling dat de rechter vooringenomen of partijdig is omdat zij de te beoordelen aanvraag van verzoeker ‘mosterd na de maaltijd’ heeft genoemd. De rechter erkent dat zij het spreekwoord ‘mosterd na de maaltijd’ heeft gebruikt. Volgens de rechter was dat echter in een andere context dan verzoeker betoogt. De verwerende partij in de hoofdzaak zou ter zitting de mogelijkheid hebben voorgehouden om een nieuwe leenaanvraag in te dienen. Volgens de rechter heeft zij daarop de vraag gesteld of het indienen van een nieuwe leenaanvraag geen ‘mosterd na de maaltijd’ zou zijn, omdat verzoeker zijn woning inmiddels al met geleend geld had ingericht. Het staat de rechter vrij kwalificaties te verbinden aan hetgeen partijen naar voren brengen. Ook staat het de rechter vrij om aan partijen kritische vragen te stellen. De term ‘mosterd na de maaltijd’ is een gangbare uitdrukking in de Nederlandse taal. De wrakingskamer ziet dan ook geen reden te oordelen dat de rechter door het gebruik van die bewoordingen vooringenomen is, of partijdig, of dat de schijn daarvan gewekt is. Ook de laatste wrakingsgrond faalt daarom.
Conclusie
Het wrakingsverzoek zal, gelet op het voorgaande, worden afgewezen.
4. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoeker en zijn advocaat in de hoofdzaak mr. R. Kuijer;
• de wederpartij in de hoofdzaak ;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.E. Bierling, A.M.A. Keulen, E.A.W. Schippers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.M.J. van Rijswijck en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.