RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.54574 (beroep) en NL26.54575 (verzoek om voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),
en
(gemachtigde: mr. V.J.C.M. Tielemans).
1. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is niet-ontvankelijk verklaard door verweerder omdat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de aanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond en eiser krijgt daarmee gelijk. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat de terugkeer van eiser naar Griekenland niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Uit het IB 2026/31 noch uit andere informatie blijkt dat er sprake is van een verbetering voor Griekse statushouders bij terugkeer naar Griekenland. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 19 juli 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 10 september 2026 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend met als bijlage het hogerberoepschrift tegen een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 september 2026.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 21 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eiser stelt de Jemenitische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Uit Eurodac blijkt dat eiser op 26 februari 2026 asiel heeft aangevraagd in Griekenland. Die aanvraag is door de Griekse autoriteiten op 17 mei 2026 ingewilligd. Aan eiser is een vluchtelingenstatus verleend. Eiser heeft 15 dagen in Griekenland verbleven, waarna hij via België naar Nederland is doorgereisd. Op 19 juli 2026 heeft hij asiel aangevraagd in Nederland.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser in Griekenland internationale bescherming geniet. Uit Eurodac en informatie van de Griekse autoriteiten is gebleken dat eiser sinds 17 mei 2026 internationale bescherming heeft in Griekenland. Deze verblijfsvergunning is geldig tot 17 mei 2029. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser, gelet op zijn asielstatus in Griekenland, een zodanige band met Griekenland heeft dat het redelijk is dat hij daarheen terugkeert. Verweerder verwacht dat eiser in Griekenland in zijn meest basale behoeftes kan voorzien, desnoods via steun van derde partijen zoals ngo's. Dat eiser zijn Griekse verblijfsvergunning en reisdocument moedwillig heeft weggegooid, verandert dit niet. Eiser kan bij de Griekse autoriteiten nieuwe documenten aanvragen. Volgens verweerder is eiser een volwassen en niet-kwetsbare man en kan hij zichzelf redden in Griekenland. Eiser heeft zelfstandig een woonruimte kunnen regelen bij een Syrische man. Eiser heeft ten aanzien van de mogelijkheden tot werk niet alle mogelijkheden verkend en vrijwel geen enkele moeite gedaan om werk te vinden. Eiser spreekt de Griekse taal niet, maar eiser heeft niet geprobeerd een taalcursus te volgen. Daarbij wordt door verweerder overwogen dat eiser de Turkse taal een beetje heeft leren spreken in het anderhalve jaar dat eiser in Turkije verbleef. Dit wijst volgens verweerder op een leer- en aanpassingsvermogen. Ook heeft hij een sociaal netwerk in Griekenland weten op te bouwen en eiser heeft geen medische belemmeringen. Dat eiser zelf 15 dagen na het verlenen van zijn verblijfsvergunning uit Griekenland is vertrokken, wijst er volgens verweerder op dat eiser zelf onvoldoende heeft gedaan om hulp te zoeken.
Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de feitelijke situatie in Griekenland veranderd is ten opzichte van de situatie zoals die voorlag ten tijde van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 juli 2021. De situatie is wat verweerder betreft niet zodanig veranderd dat hij in zijn algemeenheid uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Griekenland. Ten aanzien van de Griekse statushouders die zelfredzaam worden geacht gaat verweerder daar echter wel vanuit.
Juridisch kader
5. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. Omdat eisers asielaanvraag is ingediend na 12 juni 2026, is Verordening (EU) 2024/1348 (Procedureverordening) op eiser van toepassing. Op grond van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder c van de Procedureverordening kan de beslissingsautoriteit bevoegd worden gemaakt om een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning niet-ontvankelijk te verklaren wanneer een andere lidstaat van de Europese Unie de verzoeker internationale bescherming heeft verleend. Op grond van artikel 30a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan verweerder een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning niet-ontvankelijk verklaren in de gevallen, als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Procedureverordening.
Een vergelijkbare bevoegdheid was vóór 12 juni 2026 neergelegd in artikel 33, tweede lid, van de Procedurerichtlijn en in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw (oud). Het uitgangspunt daarbij was dat verweerder in het algemeen mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in een lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM (het zogenoemd interstatelijk vertrouwensbeginsel). Het is dan in beginsel aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen. De rechtbank ziet geen reden om bij de nieuwe regeling van een ander uitgangspunt uit te gaan.
Uit het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) volgt dat de lidstaten van de bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren geen gebruik kunnen maken als de vreemdeling bij terugkeer naar de lidstaat die hem internationale bescherming heeft geboden, het risico loopt om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. In het arrest heeft het Hof overwogen dat, ondanks het uitgangspunt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet kan worden uitgesloten dat statushouders in een lidstaat het risico lopen om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. De tekortkomingen vallen alleen onder artikel 4 van het Handvest als ze een ‘bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid’ bereiken. Deze drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften en waardoor zijn gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 28 juli 2021 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Griekenland niet zonder meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Meer concreet kan verweerder er niet zonder meer van uitgaan dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer in Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken. In die uitspraken is vermeld dat een Griekse wetswijziging van maart 2020 (onder andere) tot gevolg heeft dat terugkerende statushouders niet meer in aanmerking komen voor huisvesting en toelagen, en dat de druk op voorzieningen voor statushouders is toegenomen. Hierdoor zijn duizenden statushouders dakloos geworden. Daarnaast moeten terugkerende statushouders die niet meer in het bezit zijn van hun Griekse verblijfsvergunning (ADET) maanden wachten tot deze opnieuw wordt afgegeven waardoor zij geen belastingnummer (AFM) en geen sociaalzekerheidsnummer (AMKA) kunnen bemachtigen. Dit bemoeilijkt vervolgens de toegang tot huisvesting, sociale voorzieningen, zorg en de arbeidsmarkt. De Afdeling heeft op basis hiervan in die uitspraken overwogen dat de Griekse autoriteiten weliswaar niet onverschillig staan tegenover de situatie van statushouders, maar dat zij in de praktijk vaak niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terechtkomen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen.
Naar aanleiding van deze uitspraken van de Afdeling heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht. Op 24 juni 2022 is het eerste ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding van dit feitenonderzoek heeft verweerder in IB 2022/84 een vaste gedragslijn neergelegd op grond waarvan hij kon beoordelen of in voorkomend geval een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kon worden verklaard. IB 2022/84 is op 15 mei 2024 vervangen door IB 2024/31. Op 3 september 2024 is het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 12 mei 2025 IB 2024/31 vervangen door IB 2025/20. Inmiddels is de vaste gedragslijn van verweerder neergelegd in IB 2026/31. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat IB 2026/31 is toegepast op eiser.
Uit IB 2026/31 volgt dat een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd. Verweerder onderscheidt hierbij drie situaties. In het geval van eiser heeft verweerder getoetst aan de hand van de criteria van de eerste situatie. In deze eerste situatie wordt zelfredzaamheid aangenomen als het gaat om een meerderjarige man die alleen in Nederland verblijft, met een geldige Griekse verblijfsvergunning, waarbij geen sprake is van omstandigheden die de zelfredzaamheid van de vreemdeling (significant) belemmeren. In de voetnoot over de geldige verblijfsvergunning staat dat het niet noodzakelijk is dat de vreemdeling deze documenten ook kan overleggen; wanneer de vreemdeling de documenten heeft verloren/weggegooid kan de vreemdeling vervangende documenten aanvragen. In de voetnoot bij omstandigheden die de zelfredzaamheid belemmeren staat dat de situatie van een individuele vreemdeling relevant is, in het bijzonder in hoeverre de vreemdeling in staat is om zich zelfstandig te handhaven, ondanks eventuele kwetsbaarheden, zijn (medische) situatie en overige omstandigheden.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag en voert daartoe, kortgezegd, het volgende aan. Eiser heeft in beroep zowel de uitganspunten van IB 2026/31 bestreden als de toepassing ervan op zijn individuele situatie. Zo voert eiser aan dat de praktijk in Griekenland niet wezenlijk veranderd is voor statushouders. Ter onderbouwing van deze stelling wijst eiser op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 3 november 2025, van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 27 november 2025 en van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 september 2026. Volgens eiser blijkt juist uit het feitenrapport van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 3 september 2024 dat de situatie in Griekenland is verslechterd. Ter onderbouwing van deze problemen en de positie van statushouders in Griekenland, verwijst eiser naar een recent rapport van Refugee Support Aegean (RSA) van 27 april 2026 en op het meest recente AIDA-rapport van 23 juli 2026 (update 2025). Wat betreft zijn individuele situatie voert eiser aan dat de enkele omstandigheid dat eiser volgens verweerder formeel over een verblijfsvergunning beschikt, niet betekent dat hij ook feitelijk in staat is om zijn verblijfsrecht te effectueren. Eiser beschikt namelijk niet over een AFM, AMKA en AMA waardoor hij niet kan deelnemen aan het dagelijks leven in Griekenland. Griekse en andere organisaties stellen dan wel informatie beschikbaar via brochures, maar dit betekent nog niet dat eiser daadwerkelijk toegang heeft tot de daarin beschreven voorzieningen. Ook biedt volgens eiser informeel werk geen betrouwbare basis voor een stabiel inkomen. Terugkeer naar Griekenland is volgens eiser dan ook in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
Heeft eiser internationale bescherming in Griekenland?
7. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de Griekse autoriteiten aan eiser een vluchtelingenstatus hebben verleend en dat eisers Griekse asielvergunning een geldigheidsduur heeft van 29 december 2023 tot en met 29 december 2026. Het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de stukken in het dossier, zodat daarvan kan worden uitgegaan.
Terugkeer statushouders naar Griekenland en artikel 3 van het EVRM
8. De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het sinds de Afdelingsuitspraken van 28 juli 2021 aan verweerder is om te motiveren dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet in een situatie terechtkomt die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Verweerder is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank is als volgt tot deze conclusie gekomen.
Allereerst overweegt de rechtbank dat uit IB 2026/31 en het bestreden besluit niet blijkt dat de situatie in Griekenland voor statushouders daadwerkelijk is verbeterd sinds 2021. De rechtbank acht het van belang op die algemene situatie in te gaan, nu dit de aanleiding vormt voor het IB 2026/31 en ook van belang is bij de beoordeling of zelfredzame statushouders kunnen terugkeren naar Griekenland. Volgens de rechtbank blijkt namelijk juist uit de recente landeninformatie dat er nog steeds grote problemen zijn voor Griekse statushouders en dat mogelijk zelfs sprake is van een verslechtering. Ook uit het tweede verslag feitenonderzoek blijkt, net als uit het eerste verslag feitenonderzoek en uit de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021, dat het vinden van huisvesting/onderdak voor terugkerende statushouders zeer problematisch is, dat statushouders die niet beschikken over hun ADET, AMKA of AFM geen toegang hebben tot sociale uitkeringen, werk, gezondheidszorg en huisvesting, dat de wachttijden voor het opnieuw aanvragen van die documenten lang (maanden tot meer dan één jaar) zijn en dat veel terugkerende statushouders uiteindelijk in dakloosheid of illegale huisvesting terecht komen. Ook meldt het feitenrapport dat het vinden van onderdak via HELIOS binnen twaalf maanden na het verlenen van het eerste verblijfsrecht moet geschieden, vanuit de asiel-opvanglocatie, en dat de meeste terugkerende statushouders niet aan deze toelatingseisen voldoen. Ook als de terugkerende statushouders genoeg financiële middelen hadden om huur te betalen, resulteerden de wachttijden op de juiste verblijfsdocumenten, administratieve procedures en de moeilijkheid om aan werk of een uitkering te komen later alsnog in dakloosheid of in informele huisvesting.
Verweerder heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen uitleggen op grond van welke concrete informatie sprake zou zijn van een structurele verbetering ten opzichte van de situatie in 2021. De rechtbank acht de verwijzing in IB 2026/31 en in het bestreden besluit naar informatie uit het tweede feitenonderzoek van september 2024 en in het verweerschrift naar de mededeling van de Europese Commissie van 4 april 2025 en het meest recente AIDA-rapport (update 2025), onvoldoende concreet. Zo heeft verweerder in het verweerschrift opgenomen dat er sprake is van een stijging van het aantal daklozenopvangcentra in Athene, van drie naar zeven centra, maar verweerder kan niet uitleggen hoeveel statushouders daar in de praktijk gebruik van kunnen maken en of de stijging van het aantal opvangplekken dus volstaat. De rechtbank acht hierbij ook van belang dat andere EU-lidstaten in toenemende mate Griekse statushouders terugsturen naar Griekenland waardoor de druk op de voorzieningen zal toenemen. Bovendien blijkt uit het rapport van RSA en Stiftung PRO ASYL van april 2026 dat er in geen van de daklozenopvangcentra in Athene op korte termijn plekken beschikbaar waren voor ‘people deported from other European countries’. De cijfers die verweerder noemt in het verweerschrift maken de situatie voor statushouders daarmee onvoldoende inzichtelijk. Ook de verwijzing van verweerder naar een aantal initiatieven die de toegang tot werkgelegenheid, de regelgeving en de wijze van het verkrijgen van documenten zouden moeten verbeteren, maakt dat niet inzichtelijk. De genoemde initiatieven betreffen voornamelijk toekomstige, abstracte of onzekere ontwikkelingen, terwijl verweerder heeft nagelaten te motiveren dat er zicht is op de concrete uitwerking daarvan. Dat de mogelijkheden voor statushouders bij het vinden van woning en werk in de informele sector verbeterd zijn acht de rechtbank verder ook niet voldoende duidelijk. Dat de cijfers in het rapport ‘Key Findings on 2024 Protection Monitoring of Refugees in Greece, van maart 2025’ zijn verbeterd ten opzichte van een eerdere versie van het rapport is daarvoor onvoldoende, nu de daarin genoemde cijfers zijn opgesteld op basis van een paar honderd interviews. Niet duidelijk is in hoeverre deze interviews representatief zijn voor de gehele populatie van statushouders. Ook uit de door verweerder genoemde citaten uit de uitspraak van het Duitse Bundesverwaltungsgericht blijkt niet van een verbetering op dit punt.
Uit het tweede feitenonderzoek blijkt verder dat er extra complicaties zijn voor statushouders voor het verkrijgen van een AFM en AMKA. Zo moet een statushouder voor het verkrijgen van een AMKA (sinds april 2024) in het bezit zijn van zowel een reisdocument als een ADET, een geregistreerd adres en een arbeidscontract of werkgeversverklaring. Statushouders kunnen echter alleen een arbeidscontract krijgen, als zij beschikken over een AFM. Voor een AFM is weer een adresbewijs vereist. Dit betekent dat statushouders die dakloos zijn of geen adresbewijs kunnen overleggen, geen AFM en dus geen arbeidscontract kunnen krijgen. Het niet onderbouwde standpunt van verweerder ter zitting dat statushouders zwart werk kunnen verrichten en via een netwerk of op illegale wijze woonruimte kunnen verkrijgen, omdat verweerder verwacht dat statushouders op die manier uiteindelijk in de formele sector terecht zullen komen zodat de AMKA en AFM aangevraagd kunnen worden, volgt de rechtbank alleen daarom al niet. De rechtbank acht het namelijk niet aannemelijk dat statushouders een adresbewijs kunnen krijgen in de informele sector. Bovendien acht de rechtbank zoals hierboven al aangegeven onvoldoende duidelijk in hoeverre statushouders een beroep kunnen doen op de informele sector.
In de mededeling van de Europese Commissie van 4 april 2025 wordt gewezen op het HELIOS+ programma dat begin 2025 van start is gegaan en dat is gericht op integratie van statushouders in Griekenland door middel van hulp bij het verkrijgen van huursubsidie, taaltraining en bij het verkrijgen van werk. Hoewel dit programma een verbetering beoogt te bewerkstelligen voor terugkerende statushouders, blijkt uit het rapport van RSA en Stiftung PRO ASYL van april 2026 dat er nog steeds problemen zijn. Allereerst wordt in het rapport erop gewezen dat de schaal van het programma ver achterblijft bij de werkelijke behoeften. Zo heeft het HELIOS+ programma een doelstelling om 4.323 statushouders te helpen in de aankomende vier jaar. Dit betekent dat net iets meer dan 1.000 statushouders per jaar een beroep kunnen doen op het hulpprogramma, maar in de afgelopen twee jaar heeft Griekenland al aan 67.000 mensen internationale bescherming verleend (zonder ‘temporary protection’ mee te rekenen). Daarnaast blijkt uit dit rapport dat HELIOS+ geen huisvesting biedt maar alleen huursubsidie en dat daaraan strenge voorwaarden zijn verbonden. Zo moet een statushouder beschikken over een AFM-certificaat, maar uit overweging 8.4. blijkt dat ook hieraan niet zomaar is voldaan. De huursubsidie is alleen beschikbaar voor werklozen aan wie niet eerder dan 24 maanden voor de inschrijving internationale of tijdelijke bescherming is verleend. Ook wordt in dit rapport aangehaald dat dakloosheid en extreme onzekerheid de bijna onvermijdelijke gevolgen zijn van de uitzetting van statushouders naar Griekenland.
Voor wat betreft de verwijzing van verweerder naar de ontvankelijkheidsbeslissing van 7 juli 2026 van het EHRM in de zaak D.O. en L.A. tegen Zweden, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht ten eerste van belang dat de bewijslastverdeling verschilt met de onderhavige procedure. In de zaak bij het EHRM moesten klagers schending van artikel 3 van het EVRM bewijzen, terwijl verweerder in de onderhavige zaak moet motiveren dat er geen sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM. Ook is het EHRM niet ingegaan op de problemen die de Afdeling heeft gesignaleerd. Ten slotte betrof die zaak een individuele beoordeling van de ontvankelijkheid van de daar voorliggende klacht, waarbij een rol speelde dat er financiële ondersteuning van familie aanwezig was. Het is in de situatie van eiser niet gebleken dat dat hier ook het geval is. Uit deze ontvankelijkheidsbeslissing kan dan ook niet worden afgeleid dat de situatie in Griekenland voor statushouders in het algemeen daadwerkelijk is verbeterd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder metIB 2026/31 en de overige overgelegde stukken niet heeft onderbouwd dat sprake is van een structurele verbetering voor Griekse statushouders ten opzichte van de situatie in 2021. Daarom is ook onvoldoende duidelijk waarom verweerder vindt dat de situatie nu anders ligt voor statushouders die voldoen aan de voorwaarden van zelfredzaamheid in IB 2026/31. Omdat volgens de rechtbank de algemene situatie in Griekenland voor statushouders onvoldoende duidelijk is, kan zij de zelfredzaamheid van eiser niet beoordelen.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op wat is overwogen in 8-8.6 is het beroep gegrond. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Nu de asielaanvraag van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, draagt de rechtbank verweerder op om de asielaanvraag van eiser inhoudelijk te beoordelen. De rechtbank wijst erop dat verweerder in dat kader rekening moet houden met de beslissing op de asielaanvraag van eiser in Griekenland en de motivering daarvan, zoals volgt uit het arrest QY. De rechtbank geeft verweerder hiervoor ten hoogste zes weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1)
Nu de rechtbank deze beslissing neemt over eisers beroep, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af. Verzoeker krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1)
9.4.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 september 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Nederpel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 2 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.