RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.64414 en NL26.65335
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
(gemachtigde: mr. G. Cambier),
Procesverloop
Bij besluit van 21 oktober 2026 (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van de Schengengrenscode de toegang geweigerd en bij besluit van 22 oktober (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze
kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep
moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 27 oktober 2026 zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 3 november 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 3 november 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 1993 en heeft de Chinese nationaliteit.
Onverwijlde kennisgeving
2. In artikel 94, eerste lid, van de Vw is onder meer bepaald dat verweerder onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel zoals bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw, de rechtbank hiervan in kennis stelt.
3. De rechtbank stelt vast dat de vrijheidsontnemende maatregel op 22 oktober 2026 om 16:30 uur is opgelegd en dat verweerder de rechtbank op 23 oktober 2026 om 22:05 uur hiervan in kennis heeft gesteld. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 september 2026 geoordeeld dat een kennisgeving onverwijld is verstuurd indien deze binnen zes uur na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel naar de rechtbank is verstuurd. Dit betekent dat verweerder in dit geval de rechtbank niet onverwijld in kennis heeft gesteld van de aan eiser opgelegde maatregel. Dit maakt de maatregel op zichzelf nog niet onrechtmatig. Het niet nakomen van de verplichting om de rechtbank onverwijld in kennis te stellen van een vrijheidsontneming maakt de vrijheidsontnemende maatregel alleen onrechtmatig als de maatregel, gelet op de ernst van het gebrek en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, niet meer gerechtvaardigd is.
4. De belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat niet is gebleken dat eiser door deze gang van zaken is geschaad in zijn verdediging. De rechtbank kan zonder problemen nog binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na oplegging van de maatregel uitspraak doen over de rechtmatigheid daarvan. Eiser krijgt dus tijdig een oordeel over de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming. Ook overigens is niet gebleken dat hij nadeel heeft ondervonden door de niet onverwijlde kennisgeving. De rechtbank ziet daarom in dit gebrek geen reden om de maatregel op te heffen.
Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering van 21 oktober 2026)
5. Verweerder heeft eiser de toegang geweigerd omdat eiser:
- niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding en/of in het bezit is van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt;
- niet beschikt over voldoende middelen om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is;
- niet voldoet aan de gestelde voorwaarde om de hierboven genoemde kosten zeker te stellen en/of het doel van het voorgenomen verblijf of de verblijfsomstandigheden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, dan wel ter staving daarvan onvoldoende documenten heeft overgelegd.
6. De rechtbank stelt vast dat geen inhoudelijke gronden tegen de toegangsweigering zijn aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de toegangsweigering onrechtmatig te achten.
Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel)
7. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
8. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vrijheidsontnemende maatregel noodzakelijk is en waarom niet is gekozen voor een lichter middel, zoals een meldplicht of ander toezicht. Hij heeft tijdens het gehoor immers verklaard dat als terugkeer naar China noodzakelijk blijkt, dat hij daaraan zal meewerken. Verweerder heeft niet gemotiveerd welk gewicht deze verklaring heeft bij de beoordeling van het risico en het lichter middel. Verder stelt eiser dat, hoewel zijn medische situatie hem niet belet om in detentie te verblijven, verweerder zijn psychische klachten kenbaar moest betrekken bij de vraag of vrijheidsontneming noodzakelijk en een lichter middel doeltreffend was.
9. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de vrijheidsontnemende maatregel doeltreffend konden worden toegepast. Het opleggen van een lichter middel zou in dit geval betekenen dat aan eiser toegang tot Nederland zou moeten worden verleend en verweerder het grensbewakingsbelang zou moeten prijsgeven. De enkele stelling van eiser dat hij bereid is om mee te werken aan zijn terugkeer naar China is hiertoe onvoldoende. Hetgeen eiser in dit verband heeft verklaard over zijn psychische klachten is kenbaar meegenomen in de beoordeling. Daarbij komt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012 volgt dat de wetgever de mogelijkheid om vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd hun vrijheid te ontnemen heeft ingevoerd omdat verblijf in de lounge als vrijheidsbeperkende maatregel grote nadelen heeft. De lounge heeft geen adequate faciliteiten en is ongeschikt voor een menswaardige opvang en een adequate handhaving van de openbare orde en rust. Een (langdurige) vrijheidsbeperkende maatregel is daarom geen geschikt alternatief.
Conclusie
10. De beroepen tegen bestreden besluit 1 en tegen bestreden besluit 2 zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 3 november 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Hiddouch, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.