RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.58082 (beroep) en NL26.58083 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. R.S. Nandoe),
en
(gemachtigde: mr. F. Witteman).
1. De rechtbank en de voorzieningenrechter hebben de zaken van [eiser] op zitting behandeld en een uitspraak geschreven. Hieronder wordt een samenvatting van deze uitspraak gegeven. Die is bedoeld voor [eiser] . De rechtbank en de voorzieningenrechter zullen hem hierna eiser noemen.
Deze uitspraak gaat over de buitenbehandelingstelling van eisers asielaanvraag, omdat eiser niet is verschenen voor het aanvullend gehoor en hiervoor volgens verweerder geen verschoonbare reden heeft gegeven. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld. In beroep voert hij in dat kader een aantal argumenten aan, de beroepsgronden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit om de asielaanvraag buiten behandeling te stellen door verweerder niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 13 september 2023 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag in de beschikking van 23 september 2026 buiten behandeling gesteld. Vervolgens heeft verweerder op 25 september 2026 een herziene beschikking uitgevaardigd (het bestreden besluit) waarin hij bij de buitenbehandelingstelling van de aanvraag is gebleven.
Eiser heeft op 30 september 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 21 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. In beide zaken is het onderzoek na de behandeling op zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter
Wat betrekt de rechtbank bij haar beoordeling?
3. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Aan zijn asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij en zijn familie vanwege de oorlog in 2013 van Damascus naar Kamashli zijn gevlucht. In Kamashli brak vervolgens ook de oorlog uit, waarna zij weer zijn gevlucht naar Damascus. In verband met een oproep voor de militaire dienstplicht is zijn broer uit Syrië gevlucht. Omdat eiser zelf ook bijna 18 zou worden en niet wilde dienen, is hij ook gevlucht. Bij terugkeer naar Syrië vreest hij geen toekomst te hebben vanwege het gebrek aan werkgelegenheid.
Wat staat er in het bestreden besluit?
4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit van 25 september 2026 buiten behandeling gesteld, omdat eiser niet is verschenen voor het aanvullend gehoor dat gepland stond op 17 september 2026 en hiervoor geen verschoonbare reden heeft.
Bij de buitenbehandelingstelling van de aanvraag heeft verweerder ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd aan eiser en hem een inreisverbod voor de duur van 2 jaar opgelegd.
Heeft verweerder eisers asielaanvraag terecht buiten behandeling gesteld?
De standpunten van partijen
5. Eiser betwist dat verweerder zijn aanvraag buiten behandeling kon stellen. Zijn afwezigheid bij het aanvullend gehoor is namelijk verschoonbaar. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) had hem geïnformeerd dat op de dag van het gehoor om 6:45 uur een taxi klaar zou staan op de parkeerplaats van het asielzoekerscentrum (AZC). Omdat de taxi op het afgesproken tijdstip echter niet aanwezig was, werd hij nerveus en liep hij na enkele minuten wachten terug naar de receptie van het AZC om na te vragen waar de taxi bleef. In de tussentijd is de taxi alsnog verschenen. De taxichauffeur zag hem niet, heeft de receptie gebeld om dit door te geven en is vervolgens direct vertrokken. Bij aankomst bij de receptie hoorde eiser dat hij inmiddels loos was gemeld, omdat hij zoek was op het moment dat de taxi verscheen. Vanwege deze loos-melding heeft de beveiliging van het AZC geen aanleiding gezien om van zijn vraag naar de taxi een notitie te maken. Zo’n notitie wordt namelijk alleen gemaakt als iemand niet loos is gemeld. De beveiliging heeft evenmin aanleiding gezien om de taxi te bellen, omdat die inmiddels al was verschenen. Hij heeft daarna nog tevergeefs twee uur bij de receptie gewacht in de hoop dat de taxi zou terugkeren en daarna een melding gedaan bij een medewerker van het COa. Bij deze melding is hem verteld dat hij de volgende dag terug moest komen om een melding te maken bij zijn casemanager. Dat hij wel de intentie had om te verschijnen bij het aanvullend gehoor, blijkt niet alleen uit zijn aanwezigheid bij eerdere gehoren, maar ook uit de voorbereiding op het aanvullend gehoor samen met zijn advocaat twee dagen vóór dit gehoor.
6. In het bestreden besluit werpt verweerder eiser tegen dat hij geen verschoonbare reden heeft voor zijn afwezigheid bij het aanvullend gehoor. In zijn brief van 17 september 2026 heeft hij eiser de gelegenheid gegeven om tot 20 september 2026 een verschoonbare reden naar voren te brengen. In haar brief van 21 september 2026 heeft de gemachtigde van eiser kenbaar gemaakt niet te weten waarom eiser niet is verschenen en aangegeven dat het mogelijk is dat eiser de datum van de nabespreking van het gehoor heeft verward met de datum van het aanvullend gehoor. Volgens verweerder is dit niet verschoonbaar, omdat eiser op 31 augustus 2026 een brief heeft gekregen waarin hij is uitgenodigd voor het aanvullend gehoor.
Het juridisch kader
7. Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) zoals deze gold ten tijde van de aanvraag, kan verweerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd buiten behandeling stellen indien de vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor en hij niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem is toe te rekenen. Bij het beoordelen van de toerekenbaarheid betrekt verweerder of de vreemdeling een geldige reden heeft voor het niet verschijnen.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. In zijn brief van 17 september 2026 heeft verweerder eiser de gelegenheid gegeven om binnen drie dagen een verschoonbare reden naar voren te brengen voor zijn afwezigheid bij het aanvullend gehoor. Zoals ter zitting ook door verweerder is erkend, had aan eiser op grond van de wetgeving die van toepassing is op zijn aanvraag een termijn van twee weken moeten worden geboden om een verschoonbare reden voor zijn aanwezigheid naar voren te brengen. Hoewel verweerder heeft verzocht om aan dit gebrek voorbij te gaan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding. De stelling van verweerder dat eiser niet in zijn belangen is geschaad omdat zijn gemachtigde in haar brief van 21 september 2026 heeft gereageerd op de afwezigheid van eiser en deze reactie is betrokken in het bestreden besluit, volgt de rechtbank niet. De gemachtigde van eiser heeft in die brief namelijk juist aangegeven nog niet te beschikken over de reden van eisers afwezigheid en verweerder hierover nader te zullen informeren zodra zij die reden wel had ontvangen. Verweerder is echter overgegaan tot het nemen van het bestreden besluit zonder de nadere informatie van de gemachtigde af te wachten.
De rechtbank overweegt verder dat het buiten behandeling stellen van een asielaanvraag een discretionaire bevoegdheid betreft, die met grote zorgvuldigheid en een evenwichtige afweging van belangen moet worden uitgeoefend. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het standpunt van verweerder ter zitting dat de buitenbehandelingstelling gelet op alle omstandigheden niet onevenredig is, onvoldoende gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan de omstandigheid dat eiser zijn redenen voor het niet verschijnen uiteindelijk pas vlak voor de zitting en dus niet binnen de wettelijke termijn van twee weken heeft toegelicht, waar verweerder ter zitting op heeft gewezen, niet aan eiser worden tegengeworpen. Daartoe is redengevend dat al op 23 september 2026 tot de buitenbehandelingstelling is overgegaan en van eiser niet kon worden verwacht dat hij desondanks nog de twee weken-termijn in acht zou nemen. Verder overweegt de rechtbank dat eiser de door hem geschetste gang van zaken op de ochtend van 17 september 2026 weliswaar niet met stukken heeft onderbouwd, maar dat hij wel heeft toegelicht waarom hij niet over deze stukken kan beschikken. Daarnaast heeft eiser ter zitting voorgesteld camerabeelden van die ochtend op te vragen en bovendien heeft hij het aanvullend gehoor samen met zijn advocaat twee dagen vóór dit gehoor voorbereid. Naar het oordeel van de rechtbank ondersteunt dit eisers stelling dat hij wel degelijk de intentie had om bij het aanvullend gehoor te verschijnen. De rechtbank acht het in het kader van de belangenafweging ook van belang dat eiser zijn asielaanvraag al op 13 september 2023 heeft ingediend en dus al geruime tijd op een beslissing heeft moeten wachten, en dat hij zich bij het indienen van een nieuwe aanvraag geconfronteerd ziet met zowel een nieuwe beslistermijn en met (de mogelijk nadelige gevolgen van) nieuwe wetgeving. Dit is door verweerder in het bestreden besluit niet onderkend. Gelet op alle omstandigheden had het op de weg van verweerder gelegen om eiser alsnog in de gelegenheid te stellen om aanvullend te worden gehoord.
9. Al gelet op wat hiervoor is overwogen, komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking en is het beroep gegrond. Aan een bespreking van wat verder door eiser is aangevoerd, komt de rechtbank niet toe.
Wat is de conclusie?
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Verweerder heeft het besluit niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvraag van eiser en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 september 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.E.L. Grooten, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het gaat over het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.