ECLI:NL:RBDHA:2026:32312

ECLI:NL:RBDHA:2026:32312

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-10-2026
Datum publicatie 03-11-2026
Zaaknummer NL25.36498
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eisers valt. Verweerder heeft daarin onvoldoende de belangen van eisers (ten tijde van de aanvraag, de minderjarige broertjes en zusjes van referente) betrokken, onvoldoende gewicht toegekend aan de objectieve belemmering is om in Eritrea het gezins- of familieleven uit te oefenen. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.36498

[eiser(es) 1] , [eiser(es) 2] , [eiser(es) 3] , [eiser(es) 4] , [eiser(es) 5] en [eiser(es) 6] , V-nummers: [# 1] , [# 2] , [# 3] , [# 4] , [# 5] en [# 6]

hierna gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas)

en

(gemachtigde: mr. G. Erdal).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 1] (referente, de oudere zus van eisers) op grond van artikel 8 van het EVRM. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eisers valt. Verweerder heeft daarin onvoldoende de belangen van eisers (ten tijde van de aanvraag, de minderjarige broertjes en zusjes van referente) betrokken, onvoldoende gewicht toegekend aan de intensiteit van de gezinsband tussen eisers en referente en onvoldoende betrokken dat er een objectieve belemmering is om in Eritrea het gezins- of familieleven uit te oefenen. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 6 januari 2023 een aanvraag voor een mvv voor ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van het EVRM ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 september 2024 afgewezen. Eisers hebben hiertegen op 22 oktober 2024 een bezwaarschrift ingediend. Met het bestreden besluit van 11 juli 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en is het bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referente, de gemachtigde van eisers, [naam 2] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden

3. Eisers hebben de Eritrese nationaliteit en zijn de jongere broers en zussen van referente. Referente, [naam 1] (geboren op [geboortedatum] ), heeft op 15 november 2022 in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen. Referente is in 2011 samen met eisers en hun ouders vanuit Eritrea gevlucht naar Ethiopië. Daar heeft het gezin samengewoond in Humara. De moeder van eisers en referente was op dat moment in verwachting van [eiser(es) 6] en is bij haar bevalling komen te overlijden. Na haar overlijden heeft referente als oudste kind de zorg voor eisers op zich genomen. Hun vader werkte als vrachtwagenchauffeur en was daardoor regelmatig niet thuis. De vader van eisers is in 2018 komen te overlijden door een ongeluk. Eisers hebben vanaf toen, tot aan het vertrek van referente, samen met referente gewoond. Vanwege de veiligheidssituatie in Humara zijn zij in 2020 vetrokken naar Addis Abeba en kregen daarbij hulp van de vriend van hun vader, de heer [naam 3] .

Het bestreden besluit

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat referente de identiteit van eisers niet aannemelijk heeft gemaakt. Referente heeft namelijk geen documenten ingebracht, maar heeft wel verklaard dat eisers nog jong waren toen zij in 2011 Eritrea verlieten. In die periode konden zij, gelet op hun leeftijd, zich nog identificeren met hun doopbewijs. In Ethiopië, waar zij sinds 2011 verblijf hebben, was het niet mogelijk om aan identiteitspapieren te komen. Referente heeft de familierechtelijke relatie evenmin aannemelijk gemaakt, aangezien zij geen documenten heeft overgelegd waaruit dit blijkt. Referente heeft wel verklaard dat eisers in het bezit zijn geweest van doopakten, maar deze hebben zij achtergelaten in Humara toen zij moesten vluchten voor het oorlogsgeweld.

Nu referente de identiteit van eisers en de familierechtelijke relatie niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft verweerder gekeken of referente het voordeel van de twijfel krijgt. Dat heeft verweerder gegeven, omdat de aanvraag betrekking heeft op minderjarige kinderen. Verweerder neemt aan dat er sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eisers en referente. Daarbij is van belang dat referente heeft verklaard dat zij altijd met haar broers en zussen heeft samengewoond, in eerste instantie samen met haar vader, en na zijn overlijden kregen zij hulp van de heer [naam 3] .

Verweerder neemt daarom aan dat er sprake is van gezinsleven, maar stelt zich op het standpunt dat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. Het belang van de Staat weegt namelijk zwaarder dan de persoonlijke belangen van eisers. Verweerder neemt aan dat tussen eisers en referente sprake is van hechte en persoonlijke banden en dat er een objectieve belemmering is om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen. Maar het economisch belang van de Staat, de omstandigheid dat eisers niet in het bezit zijn van geldige paspoorten, de banden van eisers met Eritrea en Ethiopië en de beperkte banden met Nederland weegt verweerder in hun nadeel mee en dat weegt volgens verweerder zwaarder dan de belangen van eisers. Daarom heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Heeft verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eisers kunnen laten uitvallen?

5. Eisers voeren aan dat verweerder de belangenafweging niet in hun nadeel heeft kunnen laten uitvallen. Volgens eisers heeft verweerder de intensiteit van de gezinsband onvoldoende meegewogen. Verweerder heeft daarbij onvoldoende betrokken dat referente als oudste kind de taak had om voor haar minderjarige broers en zussen te zorgen, dat zij momenteel de kostwinner is door hen financieel (op afstand) te ondersteunen en dat er tussen eisers en referente een sterke emotionele afhankelijkheid bestaat. Volgens eisers heeft verweerder daarin ook de rol van de heer [naam 3] en [eiser(es) 1] , het een na oudste kind, onjuist ingevuld. Daarbij komt dat verweerder de objectieve belemmering en de banden met Ethiopië onvoldoende heeft betrokken in de belangenafweging, nu verweerder daarin geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat eisers daar illegaal verblijven en niet naar school kunnen gaan. Ook heeft verweerder de belangen van de kinderen onvoldoende betrokken in de belangenafweging.

Het juridisch kader

6. Niet in geschil is dat tussen eisers en referente sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De vraag is daarom alleen nog of dit familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM voor bescherming in Nederland in aanmerking komt. Verweerder dient een belangenafweging te maken. De rechtbank dient te toetsen of verweerder daarbij alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert een enigszins terughoudende toetsing. 6.1. Het EHRM heeft in zijn arrest van 9 juli 2021 een duidelijk overzicht gegeven van het toetsingskader bij de beoordeling van de vraag of aan familieleden van op hun grondgebied verblijvende personen verblijf moet worden toegestaan. Het EHRM wijst in zijn arrest van 23 juni 2026 nogmaals op dit kader en overweegt dat, wat de materiële vereisten op dit gebied betreft, hij in zijn arrest van 9 juli 2021 heeft gewezen op de omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat verdragsluitende staten een positieve verplichting hebben om gezinshereniging toe te staan. Tot deze omstandigheden behoren het bestaan ​​van onoverkomelijke of aanzienlijke belemmeringen voor het gezin om in het land van herkomst van de persoon bij wie men zich wil voegen te wonen, alsook het belang van het kind. Naast materiële vereisten heeft het EHRM in zijn arrest van 9 juli 2021 ook de procedurele vereisten gespecificeerd die gelden voor de behandeling van verzoeken om gezinshereniging. De besluitvormingsprocedure moet met name voldoende waarborgen bieden voor de flexibiliteit, snelheid en doeltreffendheid die vereist zijn om het recht van de verzoeker op eerbiediging van zijn gezinsleven te respecteren, en moet zij voorzien in een individuele beoordeling van het belang van gezinshereniging, gericht op het vinden van een billijk evenwicht in het licht van de specifieke situatie van de betrokken personen.Intensiteit gezinsband en belang van het kind

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de intensiteit van de gezinsband onvoldoende heeft meegewogen in de besluitvorming. Eisers voeren terecht aan dat referente als oudste kind een onderscheidende rol op zich heeft genomen. Daarbij is van belang dat referente na het overlijden van haar ouders als het ware de moederrol op zich heeft genomen en daarmee de zorg voor eisers. Zij werd daardoor grotendeels verantwoordelijk voor hen. Die moederrol is na het overlijden van haar vader nog meer versterkt. Weliswaar heeft zij hulp gekregen van de heer [naam 3] sinds het overlijden van hun vader, maar eisers hebben nooit bij hem in huis gewoond. Referente heeft in Nederland haar rol voortgezet door nauw in contact te blijven met eisers en hen financieel te onderhouden. Ter zitting heeft referente verklaard dat haar leven volledig in het teken van deze zorgtaak staat en dat zij zelfs is gestopt met haar opleiding om extra geld te kunnen verdienen voor eisers. Met het standpunt van verweerder dat referente deze financiële steun op afstand kan voortzetten, doet verweerder geen recht aan de moederrol van referente en de emotionele band die tussen eisers en referente bestaat.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom er meer betekenis aan de rol van de heer [naam 3] , dan wel de inmiddels meerderjarige zus van eiseres ( [eiser(es) 1] ), moet worden toegedicht dan aan de rol van referente. Ten aanzien van de heer [naam 3] is niet in geschil dat hij in de buurt van eisers woont en hen ondersteunt. Wel is in geschil wat de omvang is van deze steun en of de heer [naam 3] de rol van referente heeft overgenomen. Eisers hebben op 15 februari 2023 een brief van de heer [naam 3] overgelegd over de gezinssituatie. Daarin verklaart de heer [naam 3] dat hij de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen en eisers opvoedt als zijn eigen kinderen. Tijdens de hoorzitting van 11 juni 2025 heeft referente verklaard dat de rol van de heer [naam 3] beperkter is dan uit de brief volgt en dat zijn rol vooral inhoudt dat hij een oogje in het zeil houdt. Ten aanzien van de rol van [eiser(es) 1] overweegt de rechtbank dat referente tijdens de hoorzitting weliswaar heeft verklaard dat zij voor hen kookt, de boodschappen doet en voor hen zorgt, maar dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt waarom dit afdoet aan de rol van referente. Referente heeft immers verklaard dat zij feitelijk hun moeder is en dat eisers, en ook [eiser(es) 1] , financieel en emotioneel afhankelijk van haar zijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de rol van de heer [naam 3] , dan wel [eiser(es) 1] , de verantwoordelijkheid van referente anders maakt.

Daarnaast blijkt uit het bestreden besluit onvoldoende dat verweerder zich actief rekenschap heeft gegeven van de belangen van de minderjarige kinderen, zoals dat volgt uit artikel 3 van het IVRK. Ten tijde van de aanvraag waren alle eisers minderjarig. Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende dat verweerder is nagegaan of het gescheiden zijn van referente de ontwikkeling of functioneren van eisers negatief beïnvloedt. De rechtbank acht bij die beoordeling van belang de verklaringen van referente over de omstandigheden waaronder eisers thans in Ethiopië verblijven, zoals dat eisers geen verblijfsrecht in Ethiopië hebben en niet naar school kunnen, hetgeen door verweerder niet is bestreden. Verweerder kon er niet zonder meer vanuit gaan dat voldoende is voorzien in de belangen van de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers in de gelegenheid had moeten stellen zich daarover uit te laten en hen had moeten horen over wat voor weerslag het op hen heeft om zonder referente te leven.

Objectieve belemmering 8. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de weging van de objectieve belemmering en de banden van eisers met Ethiopië onvoldoende heeft betrokken dat eisers uit Eritrea zijn gevlucht. De rechtbank wijst er in dit kader ook op dat, zoals hiervoor is overwogen, uit rechtspraak van het EHRM volgt dat een objectieve belemmering om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen en het belang van het kind omstandigheden zijn die tot de conclusie kunnen leiden dat er een positieve verplichting bestaat om gezinshereniging toe te staan.

Conclusie

9. De rechtbank is, concluderend, van oordeel dat in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden in samenhang bezien en enigszins terughoudend toetsend, in de door verweerder gemaakte afweging onvoldoende is gemotiveerd waarom er geen doorslaggevend gewicht is toegekend aan de belangen van eisers, zeker nu er, behalve het economisch belang - dat blijkens het bestreden besluit niet zwaar in het nadeel van eisers weegt gelet op de door referente geleverde inspanningen - en het ontbreken van een paspoort, door verweerder geen andere zwaarwegende belangen aan de zijde van de Nederlandse Staat zijn aangevoerd. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit van 11 juli 2025. Omdat de belangen van eisers nader moeten worden onderzocht en verweerder een nieuwe belangenafweging dient te maken, ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt daarvoor een termijn van tien weken.

Omdat eisers geen griffierecht hebben betaald, hoeft verweerder geen griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

De rechtbank bepaalt ook dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 11 juli 2025;

- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 194,- aan griffierecht aan eisers;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aden, griffier.

Deze hersteluitspraak vervangt de inhoud van de uitspraak van 20 oktober 2026, zonder wijziging van de uitspraakdatum. De hersteluitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekend gemaakt op:

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand