RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17690
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en
(gemachtigde: mr. F. Schoot).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser omdat hij internationale bescherming heeft in Griekenland. Eiser is het hier niet mee eens en heeft een beroepschrift ingediend. Mede aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat eiser gezien zijn individuele omstandigheden als zelfredzaam kan worden beschouwd en daarom bij terugkeer naar Griekenland niet in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terecht zal komen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 23 maart 2026 heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op 18 september 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn. Hij heeft op 27 oktober 2023 in Griekenland een vluchtelingenstatus gekregen voor de duur van drie jaar. Zijn verblijfsvergunning (ADET) verloopt op 27 oktober 2026. Eiser stelt dat hij Griekenland op
1 februari 2024 heeft verlaten, een dag nadat hij zijn verblijfsdocument had ontvangen. Op 20 februari 2026 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft met het bestreden besluit eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser al internationale bescherming heeft in Griekenland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Griekenland geen bescherming kan krijgen of dat de overheid hem daar niet wil helpen. Daarnaast is de situatie als bedoeld in het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie niet op eiser van toepassing, omdat er geen indicaties van kwetsbaarheid blijken uit het dossier. Dat maakt dat van eiser verwacht mag worden dat hij, gelet op zijn individuele omstandigheden, voldoende zelfredzaam is om in zijn basisbehoeften te voorzien.
Het juridische kader
5. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Daarbij mag de minister in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in die lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Het is dan in beginsel aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen.
Uit het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie volgt dat de lidstaten geen gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren als de vreemdeling bij terugkeer naar de lidstaat die hem internationale bescherming heeft geboden, een reëel risico loopt om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. Dit is het geval als zich tekortkomingen voordoen die structureel of fundamenteel zijn, of die bepaalde groepen mensen raken, en deze tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Deze drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften en waardoor zijn gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden. In het geval dat de situatie in een lidstaat voor statushouders in het algemeen zo slecht is dat statushouders bij terugkeer naar die lidstaat een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest, is niet vereist dat een statushouder bijzonder kwetsbaar is.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 28 juli 2021 geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij ten aanzien van Griekenland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan en dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer naar Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken. In die uitspraken is vermeld dat een Griekse wetswijziging van maart 2020 (onder andere) tot gevolg heeft dat de druk op voorzieningen voor statushouders is toegenomen. Hierdoor zijn duizenden statushouders dakloos geworden. Daarnaast moeten terugkerende statushouders die niet meer in het bezit zijn van hun ADET maanden wachten tot deze opnieuw wordt afgegeven waardoor zij geen belastingnummer (AFM) en geen sociaalzekerheidsnummer (AMKA) kunnen bemachtigen. Dit bemoeilijkt vervolgens de toegang tot huisvesting, sociale voorzieningen, zorg en de arbeidsmarkt. De Afdeling oordeelde dat de bureaucratie en de wachttijden bij het verkrijgen van de benodigde documenten en nummers in combinatie met de effecten van de wetswijziging van maart 2020 het voor statushouders nog moeilijker maken om zelfstandig hun rechten te effectueren en om te voorzien in de meest fundamentele behoeften, zoals eten, onderdak en stromend water. De Afdeling heeft op basis hiervan in genoemde uitspraken overwogen dat de Griekse autoriteiten weliswaar niet onverschillig staan tegenover de situatie van statushouders, maar dat zij in de praktijk vaak niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terechtkomen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen.
Naar aanleiding van die uitspraken heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht en hiervan verslag gedaan. Op basis van de uitspraken en het feitenonderzoek heeft de minister telkens de gedragslijn gehanteerd dat aanvragen van Griekse statushouders in bepaalde gevallen niet inhoudelijk hoeven te worden beoordeeld, namelijk als aannemelijk is dat de statushouder zich in Griekenland kan handhaven. Het in deze zaak van toepassing zijnde informatiebericht is IB 2026/1. Daaruit volgt dat een aanvraag van een Griekse statushouder in ieder geval niet inhoudelijk wordt behandeld als op basis van een beoordeling van de individuele omstandigheden de vreemdeling zelfredzaam kan worden geacht. Volgens IB 2026/1 is hiervan sprake in de volgende situatie:
de vreemdeling beschikt over een geldige Griekse verblijfsvergunning; en
de vreemdeling is een volwassen, alleenstaande man; en
de vreemdeling is niet kwetsbaar.
Omvang van het geschil
6. Niet in geschil is dat eiser in Griekenland internationale bescherming heeft gekregen. Het geschil gaat over de vraag of eiser in Griekenland voldoende zelfredzaam is om in zijn meest elementaire levensbehoeften te voorzien.
Is het beleid zoals weergegeven in IB 2026/1 houdbaar?
7. Eiser voert aan dat hij in Griekenland leefde onder moeilijke omstandigheden, zonder huisvesting, werk of toegang tot taallessen. Onder verwijzing naar recente landeninformatie stelt hij dat de problemen waarmee statushouders in Griekenland worden geconfronteerd nog altijd zo groot zijn, dat zij bij terugkeer niet zonder meer toegang hebben tot huisvesting, arbeid en sociale voorzieningen. Volgens eiser is er sprake van een catch-22 situatie: werk is nodig voor een fiscaal identificatienummer, terwijl dit nummer juist niet te verkrijgen is zonder arbeidsovereenkomst of aanwervingscertificaat. Daarom kan de minister volgens eiser niet volstaan met een individuele beoordeling van zelfredzaamheid, maar moet er nog steeds van worden uitgegaan dat terugkeer voor Griekse statushouders in het algemeen een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest oplevert. Volgens eiser heeft de minister niet duidelijk gemaakt dat de situatie voor statushouders wezenlijk anders is dan ten tijde van de Afdelingsuitspraken.
De rechtbank is van oordeel dat de minister het beleid zoals weergegeven in IB 2026/1 mocht voeren. Het uitgangspunt van IB 2026/1 is dat individuele omstandigheden van belang zijn bij de beoordeling of van een Griekse statushouder kan worden aangenomen dat hij zelfredzaam is. De rechtbank acht deze vaste gedragslijn niet in strijd met de Afdelingsuitspraken, de informatie die daaraan ten grondslag lag en de latere feitenonderzoeken. Zoals deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, eerder heeft geoordeeld, volgt uit de landeninformatie waarop de minister zich heeft gebaseerd dat statushouders in Griekenland nog steeds kunnen worden geconfronteerd met aanzienlijke praktische en administratieve belemmeringen bij het verkrijgen of verlengen van verblijfsdocumenten en bij de toegang tot huisvesting, arbeid, sociale voorzieningen en gezondheidszorg. In individuele gevallen kan dat ertoe leiden dat een statushouder in precaire omstandigheden terechtkomt. Daaruit volgt echter niet dat iedere statushouder bij terugkeer naar Griekenland alleen daarom al een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest.
De minister is bij zijn beoordeling ingegaan op de situatie van statushouders in Griekenland. Daarbij heeft hij terecht overwogen dat de omstandigheid dat het verkrijgen van verblijfsdocumenten enige tijd kan duren, niet zonder meer betekent dat een statushouder gedurende die periode niet in zijn basisbehoeften kan voorzien. Of daarvan sprake is, hangt af van de omstandigheden van de betrokkene, waaronder diens mogelijkheden om zelf inkomen, huisvesting en toegang tot voorzieningen te verkrijgen. In dat verband heeft de minister erop gewezen dat de Griekse economie groeit en dat er een grote informele economie bestaat, die in 2025 ruim 21% van het Grieks bbp beslaat. Ook heeft de minister betrokken dat ongeveer 50% van de vluchtelingen werkt en dat daarvan 69% een contract heeft. Daarnaast heeft de minister meegewogen dat het aantal statushouders dat werk heeft, is toegenomen en dat meer dan de helft van hen een arbeidscontract heeft. Verder heeft de minister erop gewezen dat huisvesting ook zonder directe overheidssteun geregeld kan worden. Ook heeft hij gewezen op initiatieven van de Griekse overheid om de toegang tot de werkgelegenheid, regelgeving en de afgifte van documenten te verbeteren. De wachttijd voor de ADET is verkort en het aantal daklozenopvangcentra in Athene is gestegen van drie naar zeven. Tot slot heeft de minister gewezen op het rapport van de Europese Commissie over de ondersteuning van Griekenland bij de migratieproblematiek waarmee het land te maken heeft. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de minister niet van het door hem toegepaste beleid mocht uitgaan.
Heeft de minister eiser terecht als zelfredzaam beschouwd?
8. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer naar Griekenland zelfredzaam is. Nadat hij begin 2023 Griekenland was ingereisd, heeft eiser 25 dagen in de opvang gezeten. Daarna verbleef hij afwisselend bij vrienden of op straat totdat hij begin februari 2024 Griekenland verliet. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de leefomstandigheden in Griekenland voor terugkerende statushouders niet de drempel van zwaarwegendheid bereiken als bedoeld in het arrest Ibrahim. Onder verwijzing naar recente landeninformatie stelt eiser dat hij bij terugkeer praktische en bureaucratische problemen zal ondervinden, onder meer bij het verkrijgen van noodzakelijke documenten voor huisvesting en werk.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de individuele omstandigheden van eiser, terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer naar Griekenland zelfredzaam is en in zijn meest elementaire levensbehoeften moet kunnen voorzien. De minister heeft daarbij terecht gewezen op het arrest van het EHRM van 7 juli 2026. In dat arrest heeft het EHRM nogmaals bevestigd dat de drempel van zeer verregaande materiële deprivatie bijzonder hoog is en hieruit kan ook worden afgeleid dat deze drempel niet zonder meer wordt gehaald ten aanzien van Griekse statushouders. De rechtbank verwijst ook in dit kader naar het arrest Ibrahim. De rechtbank overweegt verder dat de door eiser overgelegde rapportages nog steeds geen gunstig beeld schetsen van de leefomstandigheden voor statushouders in Griekenland. Dat neemt echter niet weg dat eiser niet kan worden beschouwd als ‘bijzonder kwetsbaar’ als bedoel in het arrest Ibrahim. Of sprake is van zelfredzaamheid hangt af van de individuele feiten en omstandigheden die uit het individuele relaas en een eventuele nadere onderbouwing blijken. Als een statushouder voldoende zelfredzaam is en er geen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid, mag worden verwacht dat hij bij terugkeer naar Griekenland enige tijd kan overbruggen in afwachting van verlening en re-activatie van de nodige documenten. De bewijslast ligt bij de vreemdeling, als hij stelt dat hij ondanks de gebleken zelfredzaamheid bij terugkeer toch in een situatie van materiële deprivatie zal belanden.
De rechtbank neemt bij haar oordeel verder in aanmerking dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij na de verlening van zijn verblijfsstatus niet heeft geprobeerd zijn rechten te effectueren. Eiser is vrijwel direct na ontvangst van zijn verblijfsdocument vertrokken uit Griekenland. Zijn stellingen dat hij niet kon studeren en dat het moeilijk was om werk of huisvesting te vinden, zijn alleen gebaseerd op wat hij van anderen heeft gehoord en gezien. Daarnaast blijkt niet uit zijn verklaringen dat hij in Griekenland te maken heeft gehad met onveilige of schrijnende omstandigheden, ook niet tijdens zijn verblijf in afwachting van de ADET. Ook zijn er geen aanwijzingen voor medische, waaronder psychische, problemen of zijn er andere contra-indicaties en eiser kan niet als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Ibrahim worden aangemerkt. Dat de ADET van eiser inmiddels is verlopen, doet aan het voorgaande niet af, aangezien deze kan worden verlengd. Ter zitting heeft de minister in dat verband gewezen op de beantwoording van de vragen van de Nederlandse overheid aan de Griekse autoriteiten over het verkrijgen van sociaaleconomische rechten, waarvoor een geldige verblijfsvergunning nodig is. Daarin staat onder meer dat statushouders van wie de ADET inmiddels is verlopen, de procedure voor het verkrijgen van een vervangend document vanuit het buitenland kunnen starten om de procedure te versnellen.
Gelet op het voorgaande, en de omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Griekenland voldoende zelfredzaam is om in zijn meest elementaire levensbehoeften te voorzien. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag niet-ontvankelijk mogen verklaren. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, voorzitter, en mr. A. Sibma en
mr. A. Dijkstra, leden, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt via gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.