RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.44273
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. S. Coenen), en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser om vergoeding van zijn proceskosten.
Eiser heeft een beroep ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning (hierna: de aanvraag).
Op 23 oktober 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag.
Naar aanleiding hiervan heeft eiser de rechtbank op 7 november 2025 bericht dat hij het eens is met het alsnog genomen besluit van de minister en heeft daarbij het verzoek gedaan om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De minister heeft op 25 november 2025 gereageerd dat hij bereid is de proceskosten te vergoeden.
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Dat is wat eiser heeft gedaan. Inmiddels heeft de minister wel een besluit genomen. De minister heeft dus gedaan wat eiser wilde en de rechtbank hoeft dit dan ook niet meer aan de minister op te dragen. Omdat eiser het beroep niet expliciet heeft ingetrokken, moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over het beroep. Nu in het alsnog genomen besluit de asielaanvraag van eiser is ingewilligd en eiser de rechtbank ook heeft bericht dat hij het hiermee eens is ziet de rechtbank geen aanleiding om het beroep tegen het niet op tijd nemen van een beslissing op de aanvraag mede gericht te achten tegen
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
het alsnog genomen besluit van 23 oktober 2025.2
3. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet op tijd nemen van een beslissing op de aanvraag overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft niet op tijd beslist op de aanvraag van eiser. Omdat de minister inmiddels wel heeft beslist in de vorm van een beslissing op de aanvraag is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Eiser heeft namelijk geen belang meer bij zijn oorspronkelijke beroep (geen procesbelang).
4. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank stelt vast dat de minister aan eiser is tegemoet gekomen door hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een beslissing op de aanvraag te nemen. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eiser ter zake gemaakte proceskosten.
5. De minister moet dit betalen. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Het door de minister aangeboden bedrag is gebaseerd op het Bpb zoals dat gold in 2025, maar het Bpb is inmiddels gewijzigd. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door verzoeker betaalde griffierecht vergoeden.3
Beslissing
De rechtbank:
€ 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van
C.A.A.W. van der Heijden, griffier.
2 Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
3 Artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 januari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.