[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 14 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 16 oktober 2025 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 20 oktober 2025 aanvaard.
Standaardvoornemen
5. Eiser voert aan dat het voornemen van de minister niet zorgvuldig tot stand is gekomen, en een standaard voornemen betreft. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De bezwaren die eiser heeft aangevoerd tegen een overdracht aan Duitsland zijn ten onrechte niet of onvoldoende kenbaar meegenomen in het voornemen. Hierom is het besluit niet zorgvuldig tot stand gekomen en niet deugdelijk gemotiveerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voornemen aan de daaraan gestelde vereisten voldoet, omdat het de dragende overwegingen bevat. Zo heeft de minister in het voornemen gemotiveerd waarom Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. In het voornemen is daarnaast aangegeven dat er geen reden is om aan te nemen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Overigens kan het enkele feit dat niet alle afzonderlijke bezwaren van eiser tegen een overdracht aan Duitsland kenbaar zijn betrokken bij een voornemen, op zichzelf niet leiden tot vernietiging van een bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraken van de Afdeling van 23 november 2023 en 11 april 2025 en ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, en dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Uit het AIDA-rapport van 2024 blijkt dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Dat Duitsland middels het claimakkoord heeft gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser zal worden behandeld, doet niet af aan de problematiek in de Duitse opvangvoorzieningen. Eiser wijst hierbij ook op artikelen van de NOS en het AD. Ook acht eiser het recht op kosteloze bijstand in Duitsland illusoir, omdat hij de taal niet machtig is en geen financiële middelen heeft. Zonder hulp zal hij terecht komen in een situatie van materiële deprivatie.
De rechtbank overweegt dat de autoriteiten van Duitsland met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit is slechts anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM, waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. Verder heeft de Afdeling in de uitspraken van 4 september 2024 geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat volgens rechtspraak van de Afdeling nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover hem niet nakomt.
Artikel 17
7. Eiser stelt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser van onevenredige hardheid getuigt. Deze beroepsgrond slaagt reeds daarom niet.
Garanties
8. Tot slot voert eiser aan dat standaardgaranties ten aanzien van beschikbare opvang en de behandeling van zijn asielaanvraag onvoldoende zijn. De minister had expliciete garanties moeten vragen ten aanzien van eiser.
De beroepsgrond slaagt niet. Zoals hiervoor overwogen hebben de Duitse autoriteiten met het claimakkoord de garantie gegeven dat de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van de Europese regelgeving, in behandeling wordt genomen. Voor zover eiser een beroep doet op het arrest Tarakhel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bijzondere kwetsbaarheid.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.