RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[verzoeker] , v-nummer: [V-nummer 1] , verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.64201 en NL26.9155
[verzoekster] , v-nummer: [V-nummer 2] , verzoekster,
hierna gezamenlijk te noemen verzoekers,
mede ten behoeve van hun minderjarige kind:
[kind] , v-nummer: [V-nummer 3] ,
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
Procesverloop
Bij besluiten van 10 november 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van verzoekers niet in behandeling genomen, omdat Kroatië
verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. De asielaanvragen van verzoekers zijn niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat volgens verweerder Kroatië verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. Deze verordening stelt een termijn waarbinnen verzoekers dienen te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 5 februari 2026 de behandeling van het beroep van verzoekers heeft aangehouden tot 1 september 2026 gelet op het behandeltraject van verzoekster. Het beroep kan dan ook niet worden behandeld binnen deze uiterste overdrachtstermijn, die in dit geval eindigt op 19 februari 2026. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoekers om bij de behandeling van hun beroep aanwezig te zijn en in het bijzonder voor verzoekster om de medische behandeling te vervolgen zwaarder dan het belang van verweerder om verzoekers daarvóór al over te dragen aan Kroatië. De voorzieningenrechter zal dan ook bij wijze van ordemaatregel het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toewijzen op de hierna te melden wijze. De uiterste overdrachtstermijn wordt ten gevolge van deze uitspraak opgeschort.
4. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgelegd op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoekers niet mogen worden overgedragen zolang niet op het beroep tegen de bestreden besluiten (NL25.53314 en NL25.53316) is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 18 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.