RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51189
(gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden),
en
(gemachtigde: M. Berkelmans).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De minister heeft de aanvraag afwezen als ongegrond en bepaald dat eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw of op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV en dat eiser ook geen uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw krijgt. Het bestreden besluit geldt ook als een terugkeerbesluit. Eiser moet terugkeren naar Ethiopië. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de door eiser aangedragen persoonlijke omstandigheden niet leiden tot een verhoogd risico op ernstige schade. De rechtbank oordeelt verder dat het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd is, omdat de minister niet heeft onderzocht of er adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is hetgeen ook gevolgen heeft voor het terugkeerbesluit dat de minister heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Ethiopische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2007. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, C. Regasa als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eisers ouders zijn overleden en hij woonde bij zijn oma. De Ethiopische autoriteiten zijn bij de woning van de oma van eiser langsgekomen om eiser op te roepen om te dienen in het leger. Zij hebben eisers naam genoteerd en gezegd dat eiser op een bepaalde dag klaar moest staan om mee te gaan. Eiser was op dat moment niet thuis. Nadat eiser hiervan heeft gehoord is hij een week lang ondergedoken. Na die week is hij naar huis gekeerd en twee dagen later is hij door het leger opgepakt en wilden zij hem meenemen. Eiser werd uiteindelijk vrijgelaten. Eiser heeft van zijn oma gehoord dat zij de autoriteiten heeft omgekocht en dat eiser daarom is vrijgelaten. De autoriteiten hebben na omkomping aangegeven dat een volgende keer eiser zal worden meegenomen, ongeacht of er geld wordt betaald. Eiser is vervolgens diezelfde nacht vertrokken. Bij terugkeer vreest eiser dat de autoriteiten hem zullen oppakken of vermoorden.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst; en
- gedwongen rekrutering door de Ethiopische autoriteiten.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de asielmotieven geloofwaardig zijn. Eiser heeft echter geen gegronde vrees voor vervolging. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij handelingen moet plegen die gekwalificeerd worden als oorlogsmisdrijven of onontbeerlijke ondersteuning daartoe vormen. Eiser kan niet concreet maken welke rol hij zal vervullen, waar hij wordt ingezet en welke taken hij zal krijgen. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij onevenredig wordt bestraft. Toen de autoriteiten langskwamen heeft de oma van eiser hen omgekocht zodat eiser niet mee hoefde te gaan. Eiser heeft ook geen onoverkomelijke gewetensbezwaren. De minister heeft verder op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser is afkomstig uit [plaats 1] . In [plaats 1] is sprake van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU), maar er is geen sprake van een uitzonderlijk niveau van willekering geweld. In [plaats 1] is een relatief lager niveau van geweld aangenomen. Eiser heeft niet aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer.
De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond en bepaald dat eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw of op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV en dat eiser ook geen uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw wordt verleend. De minister heeft daarbij aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd met een vertrektermijn van vier weken.
Vrees voor vervolging
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn vrees bij gedwongen rekrutering onvoldoende zwaarwegend heeft geacht. Gelet op de aard van gedwongen rekrutering is het inherent dat vooraf geen informatie bekend is over de taken, locatie en rol die men gaat vervullen. De afwezigheid van training en voorbereiding bij gedwongen rekrutering vergroot de kans op willekeurige inzet aan het front, waaronder de conflicten in [plaats 2] , [plaats 1] / [plaats 3] . Deze conflicten staan bekend om hun intensiteit en schendingen van internationaal humanitair recht. Het is voor eiser onmogelijk om aan te tonen dat hij concreet zal worden ingezet voor oorlogsmisdrijven. Uit rapporten van Human Rights Watch, Amnesty International en de UNHCR volgt dat jonge ongetrainde rekruten worden ingezet als “kanonnenvlees” in deze conflicten. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met de leeftijd, etniciteit en met het feit dat eiser eerder al actief rekrutering heeft ontweken. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij vreest te worden bestraft vanwege dienstweigering. De inzet van omkoping impliceert dat eiser daadwerkelijk op het punt stond om gerekruteerd te worden, terwijl hij nog geen 18 jaar oud was. In Ethiopië leidt het ontwijken van rekrutering vaak tot verdenking van desertie of dienstweigering. De oma van eiser heeft ook niet de financiële middelen om nogmaals rekrutering te verhinderen.
De minister heeft verder ten onrechte overwogen dat de weigering van eiser om deel te nemen aan het leger niet kan worden gekwalificeerd als gewetensbezwaar. Eiser heeft voldoende duidelijk gemaakt niet te willen strijden.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat hij ter onderbouwing van zijn standpunt geen rapporten van Human Rights Watch, Amnesty International en de UNHCR heeft overgelegd. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt enkel verwezen naar een artikel van VOA’s Horn of Africa Service van 10 januari 2025 en een artikel van All Africa van 6 december 2024. In deze artikelen wordt verwezen naar een rapport van de Ethiopische Commissie voor de Rechten van de Mens.
8. Op grond van paragraaf C2/3.2.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) wordt – samengevat weergegeven – eerst getoetst of sprake is van een vrees voor vervolging of bestraffing wegens dienstweigering tijdens een conflict. Hiervan is sprake als de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij bij het vervullen van de militaire dienstplicht oorlogsmisdrijven zal moeten plegen of hier op andere wijze aan zal moeten bijdragen. De minister betrekt bij de beoordeling van de aannemelijkheid alle omstandigheden van het geval, met name de situatie in het land van herkomst op het betreffende moment en de persoonlijk situatie van de vreemdeling. Bij de beoordeling moeten hierbij de volgende drie cumulatieve voorwaarden worden getoetst, kort gezegd:
Heeft de vreemdeling aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een gewapend conflict waarbij oorlogsmisdrijven worden begaan of is de kans daartoe zeer groot? De vreemdeling dient dit te onderbouwen met concrete informatie over de gepleegde oorlogsmisdrijven In beginsel neemt de minister aan dat de kans groot is dat oorlogsmisdrijven worden gepleegd als de internationale gemeenschap een gewapend conflict heeft veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag en/of fundamentele normen die gelden tijdens een conflict.
Heeft de vreemdeling aannemelijk gemaakt dat hij in dienst direct deelneemt of ondersteuning moet bieden aan het plegen van oorlogsmisdrijven? De schaal waarop oorlogsmisdrijven worden begaan is relevant.
Heeft de vreemdeling aannemelijk gemaakt dat dienstweigering de enige manier is om te voorkomen dat hij moet deelnemen aan het plegen van oorlogsmisdrijven?
Pas als er geen sprake is van een vrees om betrokken te raken bij oorlogsmisdrijven, toetst de staatssecretaris of de dienstweigering leidt tot onevenredige of discriminatoire bestraffing of dat de dienstweigering voortkomt uit onoverkomelijke gewetensbezwaren.
Voorwaarde a
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt hij bij het vervullen van de militaire dienstplicht oorlogsmisdrijven zal moeten plegen of hier op andere wijze aan zal moeten bijdragen. De verwijzing naar de onder 7. genoemde artikelen is daartoe niet voldoende. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij heeft gehoord van buurtbewoners dat hij zal worden ingezet in de conflicten in [plaats 2] , [plaats 1] / [plaats 3] , maar eiser heeft dit niet nader onderbouwd. Ten aanzien van deze gebieden is verder niet gebleken van een gewapend conflict dat strijdig is met de grondbeginselen van humaan gedrag.
Voorwaarde b
10. De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor onevenredige of discriminatoire bestraffing. Op het moment dat de autoriteiten langskwamen om eiser mee te nemen, heeft de oma van eiser de autoriteiten omgekocht en is eiser vrijgelaten. Dat dit juist zou leiden tot verdenking van desertie of dienstweigering bij terugkeer, heeft eiser niet onderbouwd.
Voorwaarde c
11. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft mogen stellen dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij een principieel bezwaar heeft tegen de militaire dienst. Eiser heeft in dat kader verklaard dat hij niet naar de oorlog wil en dat hij niet het leger in wil gaan zonder training. Op de vraag of eiser wel het leger zou willen ingaan als hij training zou krijgen heeft eiser geantwoord dat hij dat niet weet (blz. 10 nader gehoor). De minister heeft op grond van zijn beleid, zoals neergelegd in paragraaf C2/3.2.7 van de Vc, dit niet hoeven aanmerken als onoverkomelijke gewetensbezwaren. Hij heeft daarbij van belang mogen vinden dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij gewetensbezwaren heeft vanwege een diepgewortelde overtuiging tegen de militaire dienstplicht zelf. Dat eiser stelt dat daarover onvoldoende concrete vragen zijn gesteld, volgt de rechtbank niet.
Veiligheidssituatie
12. Eiser voert aan dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een verhoogd risico loopt op ernstige schade bij terugkeerwege vanwege de algehele geweldssituatie in [plaats 1] . Er is nog steeds sprake van een gewapend conflict en mensenrechtenschendingen. Eiser wordt gezocht vanwege het ontduiken van rekrutering. Eisers jonge leeftijd, politieke profilering door vermeende rekruteringsweigering, het gebruik van omkoping om rekrutering te voorkomen als ook het gegeven dat hij daarom is gevlucht vormen in samenhang individuele factoren die het risico op ernstige schade bij terugkeer aanzienlijk verhogen. De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat dit gericht geweld betreft en dus buiten de definitie van willekeurig geweld valt.
13. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er in [plaats 1] geen sprake is van een situatie waarin de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister neemt in het landgebonden beleid in paragraaf C7/14.4.2 van de Vc voor [plaats 1] aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit betekent dat niet alleen gekeken moet worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser. Uit paragraaf C2/ 3.3.3.3 van de Vc volgt dat nadat de vreemdeling zijn persoonlijke kenmerken en individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht, de minister een gemotiveerde beoordeling maakt en daarbij betrekt of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de relevante elementen ook daadwerkelijk zorgen voor een verhoogd risico op ernstige schade én dat juist de vreemdeling als gevolg van deze omstandigheden een reëel risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hoe meer eiser aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.
14. De rechtbank stelt vast dat de minister in het voornemen en het bestreden besluit heeft overwogen dat de door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet vallen onder de definitie van willekeurig geweld, omdat deze vrees persoonlijk van aard is en verband houdt met de rekruteringsweigering. Tijdens de zitting heeft de rechter de minister gevraagd om dit standpunt nader toe te lichten. De minister heeft hierop enkel het standpunt uit het bestreden besluit herhaald en verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.
15. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de door eiser aangedragen persoonlijke omstandigheden niet leiden tot een verhoogd risico op ernstige schade. De rechtbank overweegt dat de minister heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 met als toelichting dat daaruit volgt dat eiser moet staven waarom hij een reëel risico op ernstige schade loopt. De rechtbank overweegt dat eiser persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd en dat het dan vervolgens aan de minister is om daar een beoordeling over te maken. Eiser heeft meerdere omstandigheden aangevoerd die volgens hem er op duiden dat er sprake is van een verhoogd risico op ernstige schade. Zo heeft eiser er op gewezen dat hij wordt gezocht vanwege het ontduiken van de rekrutering en heeft hij gewezen op zijn jonge leeftijd, politieke profilering, het feit dat er sprake is geweest van omkoping om de rekrutering te ontwijken en zijn reden van vertrek uit het land van herkomst. De minister heeft deze omstandigheden in de besluitvorming niet vastgesteld en onduidelijk is of de minister deze omstandigheden bij de beoordeling heeft betrokken. In het voornemen heeft de minister slechts opgenomen dat eiser heeft aangedragen dat hij gezocht is, maar dat die vrees niet aannemelijk is geacht en dat dit bovendien niet zou leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld, omdat dit gaat om gericht geweld. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. De rechtbank overweegt ten overvloede dat ook in de door de minister genoemde uitspraak van de Afdeling sprake was van een motiveringsgebrek, maar dat dat in die zaak, anders dan in deze, in de beroepsfase was hersteld doordat er middels een verweerschrift en toelichting ter zitting alsnog een nadere motivering was gegeven. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd. Wat de gevolgen hiervan zijn zal worden uitgelegd onder “Conclusie en gevolgen”.
Verblijfsvergunning regulier op humanitaire gronden
16. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aan hem geen reguliere vergunning op humanitaire gronden heeft verstrekt. De minister heeft ten onrechte de door eiser genoemde individuele omstandigheden afgedaan als onvoldoende zwaarwegend en/of niet uitzonderlijk.
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 3.6ba, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) blijkt dat de minister tot het moment waarop de beslissing op een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onherroepelijk is geworden, ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan verlenen onder een andere beperking dan voorzien in artikel 3.4, eerste lid Vb, als er sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de minister. De rechtbank toetst hier dus terughoudend. In het Informatiebericht 2019/81 is uitgelegd hoe de minister omgaat met deze bevoegdheid en aan welke eisen de aangedragen omstandigheden moeten voldoen. Zo moeten die omstandigheden niet passen in het reguliere beleid. De rechtbank stelt vast dat eiser ter onderbouwing van zijn verzoek geen andere omstandigheden heeft aangevoerd dan hij al in het kader van zijn asielaanvraag heeft gedaan. Hij heeft dus omstandigheden aangevoerd die wel passen binnen het reguliere beleid. De rechtbank oordeelt dan ook dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij in het door eiser aangevoerde geen aanleiding ziet om een verblijfsvergunning regulier te verlenen. De beroepsgrond slaagt niet.
Buitenschuldbeleid alleenstaande minderjarige vreemdelingen en terugkeerbesluit
17. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aan eiser geen vergunning op grond van het -buitenschuldbeleid heeft verleend. De situatie in Ethiopië, meer bijzonder [plaats 1] is ernstig verslechterd. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat zijn oma zonder stabiele financiële middelen of structurele bescherming niet in staat is om blijvend en adequaat voor eiser te zorgen. De kans dat eiser bij terugkeer alsnog wordt gerekruteerd of dat hij het slachtoffer wordt van geweld, uitbuiting of detentie is reëel.
18. Uit artikel 3.58, tweede lid, van het Vb, in samenhang bezien met paragraaf B8/6.2.1. van de Vc, volgt dat een reguliere verblijfsvergunning kan worden verleend aan de alleenstaande minderjarige vreemdeling voor wie adequate opvang, bijvoorbeeld bij familieleden of andere personen, ontbreekt in het land van herkomst. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie onder andere de uitspraak van Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530) volgt verder dat voor het slagen van het onderzoek naar adequate opvang de vreemdeling en de minister een gedeelde verantwoordelijk hebben, waarbij van de minister wordt verwacht dat hij voortvarend onderzoek verricht naar het bestaan van adequate opvang en waarbij van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan het onderzoek. In sommige gevallen kan de minister zich al op basis van verklaringen van de vreemdeling ervan overtuigen dat er adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is.
19. Verder volgt uit die uitspraken van de Afdeling dat, op het moment dat een niet- begeleide minderjarige vreemdeling meerderjarig is geworden, de minister niet langer is gehouden om te onderzoeken of adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is, mits hij gedurende de minderjarigheid van de vreemdeling voortvarend aan dat onderzoek heeft gewerkt. Het ligt op de weg van de minister om dat in het concrete geval aan te tonen. De minister moet in zijn besluit inzichtelijk maken welke stappen hij in die periode heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. Daarbij kan hij betekenis toekennen aan de leeftijd van de vreemdeling ten tijde van de asielaanvraag, de beslistermijn op de asielaanvraag en de duur van het onderzoek. Afhankelijk van het antwoord op de vraag of het onderzoek naar adequate opvang tijdig had kunnen worden afgerond, zal de minister moeten duiden of en zo ja, op welke wijze aan de vreemdeling een verblijfsrecht volgens het amv-buitenschuldbeleid zou zijn toegekomen, wat de gevolgen daarvan zouden zijn op de datum van de meerderjarigheid en of alsnog een terugkeerbesluit moet worden genomen. Dit kan vervolgens door de vreemdeling ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd.
20. De rechtbank stelt vast dat de minister zich in het voornemen op het standpunt heeft gesteld dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat zijn oma voor hem heeft gezorgd en dat zij dat bij terugkeer bereid is om weer voor eiser te zorgen. De minister verwijst in dit kader naar blz.18 van het nader gehoor. De rechtbank overweegt dat uit het nader gehoor niet blijkt dat eiser heeft verklaard dat zijn oma bij terugkeer weer bereid is om voor hem te zorgen. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister erkend dat eiser niet heeft verklaard dat zij oma bereid is om weer voor hem te zorgen, maar heeft de gemachtigde van de minister zich op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet volgt dat zijn oma niet voor hem kan zorgen. De gemachtigde van de minister heeft verder ter zitting het subsidiaire standpunt ingenomen dat er sprake is van adequate opvangmogelijkheden in Ethiopië.
21. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande lijkt te volgen dat de minister geen onderzoek heeft gedaan naar de vraag of er adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is. De minister heeft zich enkel gebaseerd op verklaringen van eiser, terwijl uit de verklaringen van eiser niet kan worden geconcludeerd dat zijn oma voor hem kan zorgen bij terugkeer. De stelling ter zitting dat uit de verklaringen van eiser niet volgt dat zijn oma niet voor hem kan zorgen acht de rechtbank onvoldoende. Hieruit volgt immers niet dat de minister concreet heeft onderzocht of er voor eiser adequate opvang aanwezig is. Daargelaten dat het eerst ter zitting ingenomen standpunt van de minister dat er in Ethiopië adequate opvangmogelijkheden zijn geheel niet is onderbouwd, is het vaste rechtspraak van de Afdeling (onder andere de uitspraak van 4 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:303, r.o. 2.4) dat het niet voldoende is als adequate opvangvoorzieningen in algemene zin beschikbaar zijn in het land van herkomst. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
22. Eiser is inmiddels meerderjarig. Dit betekent dat de minister alsnog moet onderzoeken of er ten tijde van de minderjarigheid van eiser adequate opvang voor hem beschikbaar was in Ethiopië. De minister moet vervolgens toelichten wat dit betekent voor de vraag of eiser achteraf bezien in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op reguliere gronden en of hij een terugkeerbesluit over eiser mag nemen. Dit kan gevolgen hebben voor een beoordeling van de huidige verblijfsstatus van eiser. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:119.
Conclusie en gevolgen
23. Gelet op wat onder 15. en 22. is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit vanwege zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
24. De minister moet namelijk nader moet motiveren waarom eiser op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Verder moet de minister alsnog moet onderzoeken of er ten tijde van de minderjarigheid van eiser adequate opvang voor hem beschikbaar was in Ethiopië en of hij achteraf bezien in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op reguliere gronden. Ook moet de minister onderzoeken of er aan eiser een terugkeerbesluit mag worden opgelegd. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
25. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 14 oktober 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr.L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.