[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 27 maart 2024 (het bestreden besluit) van verweerder, waarbij de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) is afgewezen als ongegrond en is bepaald dat eiseres geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), afgeleide verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw of uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw krijgt. Het bestreden besluit geldt ook als een terugkeerbesluit. Eiseres moet terugkeren naar Irak.
Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar asielaanvraag en vindt dat verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep van [naam eiser] (eiser) met zaaknummer NL24.13664. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen G. Ahmed. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres gegrond is. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het is genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder krijgt de opdracht om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank geeft hierna allereerst een beschrijving van het asielrelaas van eiseres en het daarop gebaseerde bestreden besluit. Vervolgens beoordeelt de rechtbank de aangevoerde beroepsgronden. Daarna volgen de conclusie en de beslissing.
Het asielrelaas van eiseres
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Iraakse en Jemenitische nationaliteit. Op 6 juni 2021 heeft zij haar asielaanvraag ingediend.
Eiseres heeft aan haar asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres heeft problemen in de privé- en familiesfeer vanwege haar huwelijk met eiser. De vader en ooms van eiseres willen eiseres dwingen om met haar neef te trouwen. De vader van eiseres heeft weliswaar eerst toestemming gegeven voor het huwelijk met eiser, maar is vervolgens van mening veranderd vanwege zijn broers (de ooms). De ooms hadden namelijk hun toestemming moeten geven, aangezien eiseres aan haar neef was beloofd. Eiseres is door haar ooms bedreigd en vreest bij terugkeer te worden gedood vanwege het huwelijk met eiser. Daarnaast vreest eiseres voor geweld door haar vader, aangezien hij haar moeder ook heeft mishandeld en zij niet heeft voldaan aan zijn eis om met haar neef te trouwen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. het huwelijk met eiser en de daaruit vloeiende problemen met de vader en ooms van eiseres.
Verweerder heeft het eerste relevante element geloofwaardig geacht. Daarentegen heeft verweerder het tweede relevante element ongeloofwaardig geacht. Volgens verweerder is het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig omdat eiseres – samengevat – op meerdere punten summier, inconsistent en tegenstrijdig zou hebben verklaard en omdat onderdelen van haar asielrelaas zouden zijn gebaseerd op vermoedens. Eiseres zou niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Irak problemen zal ondervinden met haar familie. Volgens verweerder kan eiseres op grond van het geloofwaardig geachte eerste relevante element niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Evenmin heeft eiseres volgens verweerder aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op ernstige schade.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
Verweerder heeft verder overwogen dat eiseres weliswaar gezinslid is van iemand met een verblijfsvergunning in Nederland, maar dat zij geen afgeleide verblijfsvergunning krijgt omdat zij niet aan de voorwaarden daarvoor voldoet. Volgens verweerder is namelijk geen sprake van een dusdanige band tussen eiseres en haar moeder – die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft vanwege haar Jemenitische nationaliteit – dat zij zonder elkaar niet kunnen functioneren.
Verweerder heeft geconcludeerd dat eiseres geen uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw krijgt. Hoewel eiseres heeft verklaard dat zij ziek is en al een aantal keren is geopereerd, heeft zij volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat haar ziekte zo ernstig is dat het niet verantwoord is om te reizen.
De beroepsgronden van eiseres
5. Eiseres stelt – samengevat – dat verweerder zich ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zij geen gegronde vrees voor vervolging heeft en dat zij bij terugkeer naar Irak geen reëel risico loopt op ernstige schade. Ten eerste vindt eiseres dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat de bedreigingen door de ooms ongeloofwaardig zijn. Eiseres wijst in dit kader op algemene informatie waaruit blijkt dat eerwraak voorkomt in het zuiden van Irak. Ten tweede vindt eiseres dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tot slot vindt eiseres dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij niet onder het risicoprofiel ‘alleenstaande vrouwen’ valt, aangezien haar huwelijk met eiser is ontbonden en zij voor opvang en bescherming niet kan terugvallen op familieleden of een sociaal netwerk.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank gaat in overweging 6.1 in op de verwijzing naar de zienswijze in de gronden van beroep. Hierna gaat de rechtbank in overweging 6.2 in op de geloofwaardigheid van de bedreigingen door de ooms. In overwegingen 6.3 tot en met 6.4.6 gaat de rechtbank vervolgens in op artikel 8 van het EVRM. Tot slot gaat de rechtbank in overweging 6.5 in op het risicoprofiel ‘alleenstaande vrouwen’.
Zienswijze
Eiseres voert allereerst aan dat wat zij in de zienswijze heeft gesteld, in beroep als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze. Voor zover eiseres in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten deze motivering ontoereikend is, kan de enkele herhaling van wat zij in de zienswijze heeft aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
De geloofwaardigheid van de bedreigingen door de ooms
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres met haar verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar ooms haar hebben bedreigd vanwege haar huwelijk met eiser. Verweerder heeft eiseres mogen tegenwerpen dat zij summier heeft verklaard over de bedreigingen die zij van haar ooms zou hebben ontvangen. Uit de verklaringen van eiseres volgt dat zij haar ooms niet persoonlijk heeft gesproken, dat het contact met de ooms via haar ouders is verlopen en dat één van haar ooms haar moeder heeft gebeld toen eiseres al in Nederland verbleef. Eiseres heeft echter niet kunnen verklaren welke oom heeft gebeld, wanneer dit telefoongesprek heeft plaatsgevonden, wat er is gezegd en wat de reactie van haar moeder daarop was. De gestelde problemen met haar ooms raken de kern van het asielrelaas van eiseres. Daarom mag van eiseres worden verwacht dat zij hierover gedetailleerder kan verklaren. Ook mag worden verwacht dat zij, na een dergelijk telefoongesprek waarin haar veiligheid aan de orde is, via haar moeder – met wie zij een hechte persoonlijke band heeft – kan achterhalen wie heeft gebeld, wanneer dit is gebeurd en wat er is gezegd. Hoewel eiseres heeft gewezen op algemene informatie waaruit blijkt dat eerwraak voorkomt in het zuiden van Irak, heeft verweerder zich, gelet op het voorgaande, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiseres persoonlijk te vrezen heeft voor eerwraak. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van het EVRM
Familie- en gezinsleven
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat bij de toetsing aan het jongvolwassenenbeleid alleen sprake kan zijn van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM indien eiseres en haar moeder meer dan normaal afhankelijk van elkaar zijn. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.
Op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan het meerderjarige kind van een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de referent), indien dat meerderjarige kind zodanig afhankelijk is van de referent dat zij om die reden tot diens gezin behoort. Deze bepaling is nader uitgewerkt in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Uit paragraaf C2/4.1.2 van de Vc volgt dat verweerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw verleent wanneer het desbetreffende gezinslid feitelijk tot het gezin van de referent behoort. Uit paragraaf C2/4.1.2.1 van de Vc volgt vervolgens dat verweerder ervan uitgaat dat een meerderjarig biologisch kind feitelijk tot het gezin van de referent behoort, indien sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Voor de invulling van dit begrip wordt verwezen naar paragraaf B7/3.8.1 van de Vc.
Uit paragraaf B7/3.8.1 van de Vc volgt onder meer dat verweerder het jongvolwassenenbeleid toepast om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en diens ouder(s) – in dit geval dus tussen eiseres en haar moeder – sprake is van familie- of gezinsleven, zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist zijn. Het jongvolwassenenbeleid stelt vier cumulatieve voorwaarden: het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn, met diens ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in het eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte geconcludeerd dat, alleen al omdat geen sprake is van een meer dan normale afhankelijkheid tussen eiseres en haar moeder, tussen hen geen familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt in zoverre.
Belangenafweging
Verweerder heeft in beroep alsnog erkend dat sprake is van family life tussen eiseres, haar moeder en haar minderjarige broertje. De rechtbank stelt daarom vast dat niet langer in geschil is dat tussen hen sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Wel is nog in geschil of verweerder de in beroep opnieuw gemaakte belangenafweging in het nadeel van eiseres heeft mogen laten uitvallen.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder bij de hiervoor bedoelde belangenafweging een 'fair balance' moet vinden tussen het belang van een vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend met het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds (zie onder meer de uitspraak van 2 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2488). Daarbij moet verweerder alle feiten en omstandigheden die voor die belangenafweging van betekenis zijn kenbaar betrekken. De rechtbank toetst de uitkomst van de door verweerder gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend, omdat deze uitkomst berust op een afweging van omstandigheden.
Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder in het voordeel van eiseres heeft meegewogen dat zij een familierechtelijke relatie heeft met haar moeder en dat zij geen gevaar vormt voor de openbare orde. Aan deze omstandigheden heeft verweerder echter geen doorslaggevend gewicht toegekend. Volgens verweerder is het bestaan van beschermingswaardig gezinsleven op zichzelf onvoldoende om de belangenafweging in het voordeel van eiseres te laten uitvallen. Eiseres zou haar gezinsleven op afstand kunnen voortzetten door contact te onderhouden via bijvoorbeeld (video)bellen of sociale media. Verweerder heeft de economische belangen van de Nederlandse staat in het nadeel van eiseres meegewogen. Daarnaast heeft verweerder in haar nadeel meegewogen dat zij nooit eerder in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning in Nederland en dat geen sprake is van een objectieve belemmering, nu het volgens verweerder niet onmogelijk is dat eiseres samen met haar moeder in Irak gaat wonen. De moeder van eiseres zou volgens verweerder een verblijfsvergunning kunnen aanvragen in Irak. Voorts heeft verweerder in het nadeel van eiseres meegewogen zij banden heeft met Irak, nu zij sinds 2012 veelvuldig in Irak is geweest en daar tussen 2015 en 2018 onafgebroken heeft gewoond. Volgens verweerder blijkt uit de gehoren niet dat eiseres zich in deze periode niet heeft kunnen redden in Irak en heeft zij daar toegang gehad tot medische diensten. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiseres meegewogen dat zij niet heeft onderbouwd dat zij een sterkere binding heeft met Nederland dan met Irak. Tot slot heeft verweerder in het nadeel van eiseres meegewogen dat niet is aangetoond of gebleken dat zij voor medische zorg meer dan normaal afhankelijk is van haar moeder en dat evenmin is gebleken dat zij bij terugkeer naar Irak geen toegang tot medische hulp zal hebben.
De rechtbank vindt dat verweerder ten onrechte de belangen van de moeder en het minderjarige broertje van eiseres, met wie eiseres hechte persoonlijke banden heeft en die beiden beschikken over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland, niet of in ieder geval onvoldoende heeft meegewogen. De moeder van eiseres heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van haar Jemenitische nationaliteit. De moeder en het minderjarige broertje van eiseres hebben belang bij het voortzetten van hun leven in Nederland, samen met eiseres. Verweerder gaat ervan uit dat eiseres en haar moeder opnieuw in Irak kunnen gaan wonen, maar heeft niet onderbouwd dat legaal verblijf voor de moeder van eiseres in Irak opnieuw mogelijk is, nu haar huwelijk met de Iraakse vader van eiseres is ontbonden. Overigens is het niet aan eiseres om te bepalen waar haar moeder en minderjarige broertje gaan wonen en is het niet aan het minderjarige broertje van eiseres zelf om die keuze te maken, gezien het feit dat hij zijn moeder volgt, zoals hij haar ook gevolgd is naar Nederland. De verblijfsvergunningen van de moeder en het minderjarige broertje van eiseres zouden komen te vervallen als zij eiseres zouden volgen naar Irak.
De rechtbank vindt verder dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat in het nadeel van eiseres kan worden meegewogen dat sprake is van banden met Irak en dat niet is aangetoond of gebleken dat eiseres voor medische zorg meer dan normaal afhankelijk is van haar moeder. Verweerder heeft eiseres in dat verband mogen tegenwerpen dat zij was gehuwd met eiser en dat zij onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij niet samen met eiser een zelfstandig gezin zou kunnen vormen en, samen met hem, in haar eigen onderhoud zou kunnen voorzien. Eiseres heeft immers verklaard dat zij zich zelfstandig voelt met eiser, en eiser heeft verklaard dat hij in staat is eiseres te helpen bij haar gezondheidsklachten en dit ook als zijn plicht ziet.
Na het bestreden besluit is er echter nieuwe relevante informatie gekomen. In beroep is namelijk gebleken dat het huwelijk tussen eiseres en eiser is ontbonden. Eiseres heeft op dit moment geen echtgenoot meer. De rechtbank mag deze nieuwe informatie bij haar beoordeling betrekken en verweerder heeft zich daartegen niet verzet. Gelet op deze nieuwe informatie en het ontbreken van nader onderzoek en beoordeling daarvan door verweerder, kan de rechtbank verweerder niet zonder meer volgen in zijn standpunt dat niet is aangetoond of gebleken dat eiseres meer dan normaal afhankelijk is van haar moeder. Daarbij is van belang dat eiseres onweersproken heeft gesteld dat zij ernstige gezondheidsproblemen heeft en dat haar moeder degene is bij wie zij altijd heeft gewoond en die altijd voor haar heeft gezorgd, ook toen eiseres nog getrouwd was.
Concluderend vindt de rechtbank dat de belangenafweging door verweerder onvoldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De gegeven motivering is onvoldoende om de conclusie te dragen dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt daarom ook in zoverre.
Risicoprofiel ‘alleenstaande vrouwen’
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet valt onder de risicogroep ‘alleenstaande vrouwen’ als bedoeld in paragraaf C7/16.3.2 van de Vc. Ten tijde van het nemen van dat besluit was eiseres namelijk gehuwd met eiser. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en heeft verklaard voor eiseres te zullen zorgen. Hoewel er na het bestreden besluit nieuwe relevante informatie is gekomen (zie overweging 6.4.5), heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze gewijzigde situatie niet meebrengt dat eiseres alsnog onder deze risicogroep valt. Uit het dossier blijkt namelijk dat eiseres familie heeft in Irak en dat zij zich daar eerder heeft kunnen handhaven. Er is dus sprake van familie dan wel een sociaal netwerk waarop eiseres, gelet op haar individuele omstandigheden, kan terugvallen voor opvang en bescherming. Daarbij is van belang dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar ooms haar hebben bedreigd vanwege haar huwelijk met eiser (zie overweging 6.2). Evenmin heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat zij heeft te vrezen voor geweld door haar vader, nu zij zelf heeft verklaard niet door hem te zijn mishandeld. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond, gelet op wat hiervoor is overwogen. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het is genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.
De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de hiervoor geconstateerde gebreken niet in de beroepsfase door verweerder zijn hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het eerst aan verweerder is om opnieuw een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM te maken. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, gelet op de aard van de gebreken, de wijze waarop die moeten worden hersteld en de aard en vorm van een eventuele vervolgprocedure bij een nieuw ongunstig besluit voor eiseres. Daarom geeft de rechtbank verweerder de opdracht om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
Verweerder moet de proceskosten betalen die eiseres heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- geeft verweerder de opdracht om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, rechter, in aanwezigheid van A.R.M. Scheeres, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.