ECLI:NL:RBDHA:2026:3255

ECLI:NL:RBDHA:2026:3255

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 19-02-2026
Zaaknummer C/09/696913 / HA ZA 26-20
Rechtsgebied Civiel recht; Goederenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Uitzonderlijke zaak. Verwijzing door kanton, waarna eiser zich niet stelt en gedaagde geen verweer voert maar volstaat met een akte waarin alleen wordt geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen. De rechtbank sluit aan bij de toets voor verstek, waarbij vanwege de geconcludeerde afwijzing iets kritischer wordt getoetst dan in geval van een zuiver verstek. Burengeschil over het afdichten van een deuropening. Dagvaarding roept teveel vragen op, waardoor de rechtbank niet met een redelijke mate van zekerheid kan concluderen dat de vordering haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaaknummer: C/09/696913 / HA ZA 26-20

Vonnis (bij vervroeging) van 25 februari 2026

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats 1]

eiser

hierna te noemen: [eiser] ,

geen advocaat gesteld na verwijzing door de kantonrechter,

tegen

[gedaagde] te [woonplaats 2] ( [land] ),

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. J. Postma.

1. De procedure

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- het vonnis van de kantonrechter in incident van 17 december 2025 en de daarin genoemde stukken;- de akte uitlaten gedaagde.

2. De feiten

Op grond van de stukken wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

[eiser] is sinds 1990 eigenaar van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats 1] op [perceel 1] (hierna: [adres 1] ). [gedaagde] is sinds 2009 eigenaar van de [adres 2] te [woonplaats 1] op [perceel 2] (hierna: [adres 2] ).In een muur van de woning aan de [adres 1] , die grenst aan het perceel van [adres 2] bevindt zich een deur, die in 2003 aan de buitenzijde door middel van een betonplaat is geblokkeerd door de voormalige eigenaar van de woning aan de [adres 2] .

3. Het geschil

[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank:

A1. [gedaagde] veroordeelt tot het verwijderen van de blokkade in de muur van de [adres 1] , op straffe van een boete (de rechtbank begrijpt: een dwangsom);

A2. hem machtigt om, mocht de blokkade niet tijdig zijn verwijderd, de blokkade zelf te verwijderen;

A3. [gedaagde] verbiedt om de verwijdering van de blokkade op enigerlei wijze te hinderen of te blokkeren, op straffe van een dwangsom;

A4. [gedaagde] veroordeelt om de huurder [de rechtbank begrijpt: de huurder van [adres 2] ] te gebieden zich niet te verzetten tegen een verwijdering door [eiser] ;

B1. [gedaagde] veroordeelt tot het vergoeden van de kosten voor het herstel van de schade aan de muur en het kozijn van [adres 1] ;

B2. [gedaagde] verbiedt de herstelwerkzaamheden op enigerlei wijze te hinderen of te blokkeren, op straffe van een dwangsom;

B3. [gedaagde] veroordeelt tot het gebieden van de huurder zich niet te verzetten tegen genoemde herstelacties;

C. [gedaagde] veroordeelt om zich te onthouden van het plaatsen of laten plaatsen van objecten of constructies direct voor of aansluitend aan de deuropening in de muur van [eiser] , voor zover deze het binnenkomen van daglicht en frisse lucht in de woning van [eiser] verhinderen of ernstig beperken, op straffe van een dwangsom;

een en ander onder veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[eiser] heeft aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. De deuropening in [adres 1] is volledig zijn eigendom. Door de blokkade wordt lucht en licht onthouden aan de [adres 1] . Na aankoop van [adres 2] door [gedaagde] heeft [eiser] meerdere malen getracht de deuropening weer te openen, maar [gedaagde] heeft dit voorkomen en uiteindelijk de blokkade versterkt met cementbord en gaas. Bij de blokkade en de versterking van de blokkade zijn het kozijn en de deuropening in de muur van [eiser] beschadigd. De huidige blokkade is aan de muur van [eiser] verankerd, wat verdere schade heeft veroorzaakt.

[gedaagde] heeft de rechtbank verzocht vonnis te wijzen en daarbij de vorderingen van [eiser] af te wijzen, onder veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4. De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht

[gedaagde] woont in [land] . Hierdoor heeft dit geschil een internationaal karakter, waardoor de rechtbank ambtshalve een oordeel moet geven over haar rechtsmacht en het recht dat dit geschil beheerst.

De rechtbank concludeert dat zij bevoegd is, aangezien [eiser] ter onderbouwing van zijn vorderingen – juridisch gezien – voornamelijk stelt dat sprake is van een onrechtmatige daad en dat het schadebrengende feit zich in Nederland voordoet (artikel 6, aanhef en onder e, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)).

Verder concludeert de rechtbank dat het Nederlands recht van toepassing is, omdat de gestelde schade zich in Nederland voordoet (artikel 4 lid 1 Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II)).

Voortzetting na verwijzing door kantonrechter

De kantonrechter heeft zich onbevoegd verklaard van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen en de zaak verwezen naar Team Handel. Zij heeft partijen erop gewezen dat zij vertegenwoordigd door een advocaat dienden te verschijnen.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 71 Rv volgt dat vóór de verwijzing verrichte proceshandelingen na verwijzing geldig blijven. Een eenmaal in het geding verschenen partij wordt daarom ook na verwijzing aangemerkt als een in het geding verschenen partij, ook als hij bij Team Handel niet is verschenen met een advocaat. De rechtbank behandelt de zaak verder in de stand waarin die zich op het moment van verwijzen bevond, maar daarbij geldt dat partijen die niet met een advocaat verschijnen geen geldige verdere proceshandelingen meer kunnen verrichten. Dit betekent dat de rechtbank de vorderingen van [eiser] , zoals door hem ingesteld bij de kantonrechter, zal beoordelen.

De inhoudelijke beoordeling

In deze zaak doen zich een aantal complicaties voor. Zo is [eiser] in deze procedure niet verschenen, zodat geen mondelinge behandeling van de zaak kan plaatsvinden. Bovendien heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd en uitsluitend bij akte verzocht om de vorderingen van [eiser] bij eindvonnis af te wijzen. Daarmee zijn de stellingen van [eiser] niet bestreden. De rechtbank dient om die reden de voor verstek geldende rechterlijke toetsing aan te leggen, met dien verstande dat [gedaagde] – anders dan in een reguliere verstekzaak – wel heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen. Daaruit volgt in ieder geval dat [gedaagde] zich verzet tegen de toewijzing van de vorderingen. De rechtbank zal daarom iets kritischer beoordelen of het gevorderde de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

De rechtbank constateert dat de deur zich bevindt in een muur die blijkens het Kadaster de erfgrens vormt van de percelen van [eiser] en [gedaagde] . Bovendien is de deur in de muur geblokkeerd geweest van 2003 tot heden. Waarom de deur nu plotseling toch weer gangbaar moet worden gemaakt, is de rechtbank onvoldoende duidelijk. De situatie die de aanleiding was voor het oorspronkelijke recht van uitweg, te weten het bereiken van het op onderstaande afbeelding gemarkeerde openbaar gebied dat zich destijds zeer dicht bij de deur (geel gemarkeerd) bevond, waardoor maar een paar passen over het aangrenzende perceel hoefde te worden gelopen, doet zich inmiddels niet meer voor. Het op de afbeelding gemarkeerde openbaar gebied is door de rechtsvoorganger van [gedaagde] gekocht van de gemeente en blijkens het Kadaster inmiddels volledig onderdeel van het perceel van [gedaagde] ( [perceel 2] ). Daarmee is de reden voor het recht van uitweg, te weten het bereiken van het gemarkeerde openbaar gebied, niet meer aan de orde en moet [eiser] (zo hij al via die route openbaar gebied kan bereiken) dus feitelijk een lang stuk afleggen door de tuin van [gedaagde] . Een redelijk belang daartoe is gesteld noch gebleken. In dit kader is ook van belang dat [eiser] niet heeft gesteld dat er een erfdienstbaarheid (recht van overpad) is gevestigd, terwijl uit de door hem overgelegde stukken van de gemeente blijkt dat er geen erfdienstbaarheid is gevestigd ten gunste van het perceel van [eiser] en ten laste van het perceel van [gedaagde] . Bovendien gaf de deur destijds toegang tot een tuin/binnenplaats aan de achterzijde van de woning aan de [adres 1] , waarvan het gebruikelijk is dat die vanaf de openbare weg toegankelijk is, maar is die tuin/binnenplaats inmiddels door middel van een uitbouw bij de woning getrokken.

Bovendien geldt op grond van artikel 5:51 BW dat een venster in een muur die zich binnen twee meter van de erfgrens bevindt vaststaand en ondoorzichtig moet zijn. Voor zover er glas in het venster wordt geplaatst dient dat glas ondoorzichtig te zijn.

Ook is er een bouwtekening uit 1990 in verband met een bouwvergunning overgelegd waaruit blijkt dat de opening waar de deur zich bevindt, geen deur meer bevat. Deuren worden in bouwtekeningen aangeduid met een onderbreking in de muurlijn, met daarin een lijn voor het deurblad en een (meestal) kwartcirkel (boog) die de draairichting toont (zie onderstaande tekening). De deur die zich momenteel in de muur van de woning aan de [adres 1] bevindt draait, zo blijkt uit de foto’s naar binnen, maar volgens de bouwtekening, en de daarop gebaseerde bouwvergunning mag het geen deur zijn (zie de gele markering).

De dagvaarding roept bij de rechtbank, naast de hiervoor genoemde punten, een groot aantal vragen op die normaliter tijdens een mondelinge behandeling aan de orde kunnen komen. Door het niet verschijnen van [eiser] is dat nu niet mogelijk. De gevolgen daarvan, namelijk dat de rechtbank de vorderingen van [eiser] niet goed kan beoordelen, komen voor zijn rekening en risico.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank niet met een voldoende mate van zekerheid kan vaststellen dat het gevorderde de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Dat leidt ertoe dat de rechtbank de vorderingen zal afwijzen.

Proceskosten

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [eiser] begroot de rechtbank op € 331,00 aan griffierecht (en 0 punten liquidatietarief).

5. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 331,00;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

type: 3053

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?